Waar is de hemel?
De hemel is niet te vatten in onze begrippen van ruimte en tijd.
In zijn boek 'De Hemel' schrijft prof. dr. G. C. van Niftrik dat de vraag naar de hemel een klemmende wordt als men in zijn persoonlijk leven met dood en graf te maken krijgt. Hij zegt: 'wanneer een geliefde sterft, staan wij voor het raadsel van de dood en krijgen alle bijbelse uitspraken over de hemel een nieuwe actualiteit.' Dat is inderdaad levensrealiteit. Hoevelen zijn door de tijd heen, na het heengaan van een geliefde niet gaan nadenken, gaan mediteren over de hemel. Waar is de hemel? Hoe zal het daar zijn? Zal er eenmaal herkenning wezen? En vooral: hoe is God in werkelijkheid, hoe zullen we Hem aanschouwen van Aangezicht tot aangezicht? Want over de hemel denken zonder God is al even onmogelijk als over God denken zonder de hemel.
Onze begrippen
Wij mensen zijn bevangen in begrippen van ruimte en tijd. Wij denken in seconden, minuten, uren, dagen, maanden, jaren en eeuwen. Denken wij over de eeuwigheid dan schiet ons verstand te kort. De eeuwigheid overstijgt ons door tijd bepaalde denken. Wij kunnen constateren hoe laat het is en hoe lang iets duurt maar de klok van de eeuwigheid is van een andere orde dan die van onze tijdswaarneming.
Zo denken wij ook in afstanden, in afmetingen, lengte, breedte en hoogte bepalen onze zintuiglijke waarnemingen. We kunnen niet anders dan ruimtelijk, driedimensionaal denken. Ook ons leven is plaatselijk, ruimtelijk bepaald door onze lichamelijkheid en de plaats waar we ons bevinden. Slechts datgene wat in afmetingen is aan te geven is door ons met de ogen waarneembaar, met de handen te tasten. Maar is er buiten wat wij ruimtelijk waarnemen niet meer? Waar is dan de hemel? Toen de eerste ruimtevaarders terug kwamen meldden ze, dat ze nergens de hemel waren tegengekomen en dus ook God niet. Daaruit wordt duidelijk hoe de moderne mens zozeer gevangen is in onze categorieën van ruimte en tijd, dat daarbuiten, daarnaast (en ik druk het zo alwéér ruimtelijk uit) niets is. Het is de waan van onze moderne tijd, dat alleen dat werkelijk is wat de moderne wetenschap constateert. Kunnen we de hemel niet wetenschappelijk aantonen dan bestaat de hemel niet. Zo is dit verfijnde natuurwetenschappelijke denken ook gemeengoed geworden onder de mensen, die deze gedachte in grover vorm hebben overgenomen. Men leeft bij wat zichtbaar is, hier en nu, men kijkt tot aan de horizon. Maar God en de hemel zijn achter een horizon, waar wij niet kunnen komen en waar dus niets bestaat. Daarom laten enquêtes ons weten, dat het geloof in God en in de hemel regelmatig afneemt.
Onze begrippen te boven
De hemel gaat onze (natuurwetenschappelijke) begrippen te boven. De hemel is niet te vatten in onze begrippen van ruimte en tijd. Spreken over de hemel is altijd spreken in de taal van het geloof. We kunnen best het begrip hemel als natuurduiding geven, namelijk als we spreken over sterrenhemel, de hemel boven ons waar de wolken zijn, waar de hemellichamen zich bevinden. Maar de hemel, waar God woont, blijft voor ons een geheimenis. Ons denken moet hier halt maken, zolang we met heel ons bestaan aan ruimte en tijd onderhevig zijn. We kunnen over de hemel slechts in menselijke woorden stamelen; liever belijden in woorden en begrippen, die de Bijbel ons aanreikt. De hemel is in ons tijdelijke bestaan ondoorgrondelijk. De hemel is des Heeren, zegt psalm 115 : 16. De aarde heeft Hij aan de mens gegeven. Wij treden als mensen eerbiedig terug als het gaat om het doorgronden, het verstaan van Hem die hemel en aarde gemaakt heeft. 'Wie is ten hemel opgeklommen en neergedaald? En Wie heeft de wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hóe is Zijn Naam en hoe is de Naam van Zijn Zoon, zo gij het weet?' (Spr. 30 : 4). Zo gij het wéét, maar we weten het niet, verstandelijk niet, - in termen van ruimte en tijd niet. De Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt (Hand. 7 : 48). De Hemel is Zijn troon en de aarde de voetbank zijner voeten, zo vervolgt de pericoop, in beeldspraak (vers 49).
Natuurlijk proberen wij mensen ons er iets bij voor te stellen. We zouden toch willen doordringen in de geheimenissen van de hemel. Maar verder dan beeldtaal komen we niet. Het is als met de beschrijving van het Nieuwe Jeruzalem in Openbaring 21: beeld van een stad met lengte, breedte en hoogte, stad van goud en glas, stad met muren en poorten. Maar méér dan beeldtaal kan het niet zijn. Het zou - om met een rietmatter van Texel te spreken - evengoed een verheerlijkt Texel kunnen zijn met riet en gorzen. Het blijft echter: wat geen oor heeft gehoord, wat geen oog heeft gezien en wat in het hart van de mens niet is opgeklommen. We kunnen volstaan met te zeggen: de hemel is de ruimte waar God woont. Het is de liefderuimte waar Hij woont met de Zijnen, met degenen wier klederen gewassen zijn in het bloed van het Lam. Daarom is de hemel niet zó maar ergens 'boven de sterren'; dat is te natuurwetenschappelijk gezegd, te ruimtelijk bepaald, teveel aan het beperkte van onze ruimte herinnerd. Denken over de hemel voert ons naar een dimensie méér dan lengte, breedte en hoogte. De dimensie van Gods liefde. De hemel is het heiligdom van God in de ruimte, zoals de sabbath - dag van de rust, voorafschaduwing van de rust die overblijft voor het volk Gods - heiligdom is van God in de tijd. De dimensie van de liefde Gods maakt het ruimtelijk en plaatselijk denken over de hemel onmogelijk. De liefde Gods vervult zelfs harten. Want ook daar woont God door Zijn Geest, namelijk als de liefde Gods in de harten is uitgestort en God zo woning neemt bij, in mensen. De Heilige Geest is oók God in ons en zo is de hemel al in het hart. En net zo min als het hart van de mens, in geestelijke zin, plaatselijk te bepalen is, zo is de hemel in het hart plaatselijk aan te wijzen; maar ze is gekenmerkt door de liefde. Misschien is dat nog wel het treffendst verwoord in Efeze 3 vers 17 en 18. Daar wordt gesproken over het geloof dat in de harten woont. En dan wordt gesproken over het begrijpen, ten volle met al de heiligen, 'welke de breedte en lengte en diepte en hoogte is en bekennen de liefde van Christus die de kennis te boven gaat'. Zelfs als hier in begrippen breedte, lengte, diepte en hoogte gesproken wordt dan gaat het daarbij en daarin om de dimensie van deliefde en die is onbegrijpelijk, die gaat kennis en verstand te boven. Die liefde is een eeuwigheid lang, wereld-breed, onpeilbaar diep en hemel-hoog.
Toch te bevatten (?)
Toch kwam de hemel op aarde. De Zoon van God werd Zoon des mensen. In Hem daalde de hemel op aarde neer. En in Hem woont de volheid der godheid lichamelijk (Col. 2:9). In Hem was de hemel tastbaar, lichamelijk aanwezig. God daalde in in onze ruimte om zo de hemel op aarde, als liefderuimte Gods ook mogelijk en werkelijk te maken. Daarom: wie in Hem gelooft heeft het eeuwige leven. In de vleeswording van het Woord vervulde God tijdelijk onze ruimte lichamelijk, woonde Hij daar in Christus lichamelijk, en kwam de eeuwigheid in de tijd om zo tijdgebonden en tijdbepaalde mensen uitzicht te geven op eeuwigheid, ruimte van storeloze liefde.
In Christus werd God mét ons, Immanuel, lichamelijk. En de Heilige Geest is God in ons. God is alomtegenwoordig. Hij is - zo zegt dr. L. J. van den Brom in zijn pas verdedigde proefschrift over de alomtegenwoordigheid Gods - dan ook overal aanbiddenswaardig. Maar in Christus woonde de Godheid lichamelijk. Hij was - Zoon des mensen én Zone Gods - te zien en te horen, te tasten, kortom hij was aanwezig, zintuigelijk waarneembaar. Daarom is Zijn lichamelijke Opstanding zo'n kostbaar goed. Zijn lichamelijke opstanding is onderpand voor onze lichamelijke opstanding. In Christus hebben we zo een voorspraak bij de Vader. Hij die lichamelijk onder ons was, is in de hemel 'n garantie dat de alomtegenwoordige God overal aanbeden kan worden, overal aanbiddenswaardig is en dat eenmaal de zijnen daar zijn waar Hij heen ging.
Maar waar is de hemel dan, waar is de lichamelijk Opgestane en ten hemel opgevarene dan nu? Ons antwoord kan slechts zijn: een wolk nam Hem weg van voor hun ogen! Hij bewoont het ontoegankelijk licht. Maar mijn sterfelijk lichaam zal wel aan het heerlijk Lichaam van Christus gelijkvormig worden.
De hemel open
De plaats waar de hemel is is niet relevant. Maar door de hemelvaart van Christus mogen de Zijnen wel leven onder een open hemel. Toen Jezus gedoopt werd bad Hij dat de hemel open ging en de Heilige Geest daalde op Hem neer. De Geest maakt nu echter ook woning in mensenharten die hier, tijdelijk en ruimtelijk levend, de hemel ook open mogen zien, zoals Stefanus, die onder de beukende keien het oog naar boven hield en de hemel open zag. Maar uitzien naar de hemel is voor de gelovige dan ook altijd uitzien naar God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God. Wanneer zal ik ingaan en voor Gods Aangezicht verschijnen? (Psalm 42). Een hemel zonder God is geen hemel. Een God zonder ruimte, waar Hij, boven wat wij begrijpen, woont is geen God. Gelukkig maar dat de ruimtevaarders hem niet tegenkwamen en de hemel niet zagen. Maar wat geen oor heeft gehoord en geen oog heeft gezien heeft God wel geopenbaard aan hen, die Hem liefhebben. Daarom staren we hen, die we lief hadden, met heimwee na. Wie heimwee hadden en hebben komen thuis; daar waar God woont en Zijn engelen en alle heiligen. Hoe daar het leven is, is voor ons nog verborgen en daarom onuitzegbaar. Het zal echter leven, lieven en loven zijn.
Ik lees in het eerder genoemde boek 'De Hemel': 'Omdat het in de hemel gaat om de liefderuimte, die God de Zijnen schenkt, wordt er in de hemel in aanbidding gezwegen, wordt er een nieuw lied gezongen (Openb. 5 : 9), en wordt er op citers gespeeld (Openb. 5:8). Alléén zo kan men existentieel zeggen wat liefde is. Dat is immers verrukking, zwijgen, Überschwang, lied en melodie. Zo wordt reeds in de meest-menselijke menselijke werkelijkheid de realiteit van de hemel weerspiegeld.'
Voor de troon en voor het Lam staan toch zij, die uit de grote verdrukking komen; maar ze zijn bekleed met witte klederen en de palmtakken zijn in hun hand. Alwéér menselijke beeldspraak, maar doorstraald van een troost, die de wereld niet heeft en die soms theologisch in binnenwereldlijk en binnentijdelijk denken wordt ontkracht, namelijk dat er een ruimte van storeloze liefde is waar God alles in allen is, een heiligdom in de ruimte. Naar die ruimte voer de ten hemel gevaren Koning op. Om plaats te bereiden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's