Kerk op wacht
(Referaat gehouden op de jaarlijkse ledenvergadering van de Ger. Bond, 1982).
Tallozen hebben in deze nadagen van de 20e eeuw hun evenwicht verloren en liggen angstig of gelaten in een hoek van de ruimte, zonder houvast, zonder hoop, zonder enig besef van koers en doel.
Je houdt soms je hart vast als de wagen waarin je als passagier meerijdt snel, een scherpe bocht neemt. Maar vooral is het zaak om stevig houvast te hebben, wil je althans je evenwicht bewaren. Is onze gang-door-deze-tijd met dit beeld niet getypeerd? Gaat de mensheid, en daarmee de christenheid niet door een kromming die niet alleen haarscherp is maar waaraan ook geen eind schijnt te komen? En wie heeft enige notie van wat zich om de bocht zal voordoen? Tallozen hebben in deze nadagen van de 20e eeuw hun evenwicht verloren en liggen angstig of gelaten in een hoek van de ruimte, zonder houvast, zonder hoop, zonder enig besef van koers en doel.
Nu gaat het weliswaar niet aan, te doen alsof in deze tijd van saecularisatie sprake zou zijn van een absoluut nieuwe crisissituatie. Saecularisatie is in haar wortel zo oud als de zonde! Maar zal iemand met recht en reden kunnen weerspreken, dat het ontbindingsproces van ontkerstening en ontkenning zich meer dan ooit verhevigt! De tijd van het 'corpus christianum', waarin de tucht van Gods heilzame Wet de verbindende en bezielende samenhang van de maatschappij vormde, lijkt voorgoed verleden tijd. 'Restloos opgebrand zijn niet alleen de kostbare resten van het vroegchristelijke en middeleeuwse corpus christianum, maar zelfs ook de vonkjes en overblijfselen van de oorspronkelijke Godskennis' (W. Aalders, Burger van twee werelden, Den Haag z.j., blz. 171). Gods Recht in gebod en belofte is naar (of tot over) de rand van de samenleving gedrongen. De kerk heeft haar greep op het volksleven en de samenlevingsverbanden verloren. Haar kritische en corrigerende invloedssfeer is verdwenen. Christenen worden hoe langer hoe meer verdreven tot in de laatste linies. De veilige bedijking van de 'christelijke natie' is doorgestoken.
De zegen die in deze nederlaag verscholen ligt is ongetwijfeld een hernieuwde actualiteit van het apostolische getuigenis in het Nieuwe Testament. Dat verhaalt ons immers van het ontstaan en bestaan van een christelijke gemeente in een onchristelijke omgeving; van een gemeente die zich temidden van een heidens-goddeloze cultuur bepaald niet kon beroemen op statuur en zeggenschap.
En toch, er is een fundamenteel verschil. Het huidige westerse heidendom is niet maar goddeloos en wetteloos, maar - afgezien van een sterk door het Oosten beïnvloede opkomst van occulte en mystieke religiositeit - godloos en religieloos.
Achtergelaten
De 20e eeuw heeft het christendom achter zich gelaten; afgewezen als een achterhaalde groeistoornis; afgedankt in onverschilligheid of afgezworen in wraakgierigheid. 'Men kan hierbij niet eens meer van heidendom spreken, want de heidense volken leefden nog van werkelijke resten van gerechtigheid en heiligheid. Het na-christelijke Europa is dieper gezonken dan de heidenen eertijds. Het leeft uit het beginsel van de ontkenning. Zijn kracht en vreugde ligt in afbraak en protest' (W. Aalders, idem.).
Wij gaan nu voorbij aan de cultuurhistorische kiemen van deze wildgroei, maar signaleren slechts de symptomen.
De moderne mens, (het is, en dit terzijde, eigenaardig dat 'modern' hierbij niet alleen een tijdsaanduiding is, maar zeer bepaald ook een ruimtelijk element in zich heeft, want m.n. de westerse mens is er mee bedoeld!) kent geen boven en geen beneden, geen hoogte en geen diepte, geen hemel en geen hel. Wij zijn terechtgekomen in de eeuw 'van horizontaliteit, waarin nog maar één wereld, één werkelijkheid erkend wordt en alle spreken over een Verticale, een hogere, een religieuze wereld als onmogelijk en ongeoorloofd wordt afgewezen' (W. Aalders, a.w. blz. 80). De moderne mens leeft bij lengte en breedte der aarde alleen, dus in de meest letterlijke zin oppervlakkig. Het hiernumaals heeft de laatste sporen van de gedachte aan het hiernamaals uitgewist. En de ongekende leegte van nihilisme en pessimisme wordt opgevuld met de branie en bravour van de mondige mens die in zijn verwatenheid genoeg heeft aan het hier en nu, genoeg heeft aan...zichzelf. Als een god neemt hij de geschiedenis in eigen handen, zelfs de grenzen van het leven. Alle besef van norm en vorm, van gezag en ontzag moest plaats inruimen voor de 'pseudo-soevereiniteit van de mens' (de term is van K. Barth). Bandeloos gaat deze ego-mens zijn gang, in een vooruitgang naar de ondergang. Bruter en bitser dan ooit is zijn goddeloosheid. Misdaad en anarchie, abortus en druggebruik, godslastering en genotzucht getuigen ervan. Lijkt onze moderne wereld niet op een groep mijnwerkers die is ingesloten door een mijnramp? Nog voor enkele weken is er zuurstof, voedsel, water. En dan is het afgelopen. En wat doen de ten dode gedoemden zolang? Ze doden hun tijd met eten, drinken en vrolijk zijn, niet getreurd! Onvoorstelbaar, maar waar!
Betere veereld
Toch zijn er anderzijds zeer velen wier leven toch volstrekt gesaeculariseerd is, maar die niettemin geen enkel teken vertonen van dit 'optimisme' der wanhoop, en die zich integendeel met veel élan inzetten voor een betere wereld.
Maar, zo vraagt men zich af, wie kan dat opbrengen en hoe kan enig mens het in deze bedreigde en bedompte wereld uithouden laat staan zo energiek zijn werk verrichten? Als alle luiken naar Boven gesloten zijn, waar ligt dan het perspectief? In de toekomst. Het woord 'toekomst' is niet van de lucht. Maar daarbij gaat het dan niet om een toekomst die op ons toe-komt; het gaat veeleer om een nieuwe, alternatieve wereld die de geschiedenismakende mens zelf ontwerpt en gedaan wordt, maar waarin 'het onsterfelijkheidsgeloof als laatste vijand zal overwonnen zijn' (Strausz).
De Wetenschap - en dan een wetenschap van een uiterst geborneerd rationalistisch snit! - heeft de plaats ingenomen van het leven uit het wonder. De experts hebben het mysterie vermoord. De manager kent slechts de stroomlijn, niet het geheim. Meten en wegen, tellen en rekenen zijn voor de huidige mens de toegangswegen tot de werkelijkheid en de welvaart geworden. 'Zij zijn de instrumenten geworden waarmee wij de natuur ontsluiten en de welstand van ons stoffelijke bestaan opbouwen' (W. Aalders, a.w., blz. 162).
Hoe kwetsbaar deze welvaart is en tot welk een ontwijding en ontwrichting deze methode heeft geleid, behoeft in deze tijd van atoomdreiging, luchtvervuiling, werkeloosheid, verslaving, lichamelijke en psychische volksziekten geen toelichting! En dit is dan het dubbelzinnige van onze eeuw. Welk een innerlijke breuken vertoont het ogenschijnlijke optimisme! Hoe talloos velen zijn er die als wrakhout tegen de glooiing van het leven liggen! Hoe af grondelijk heeft de leegte van walging en wanhoop zich over met name de jongere generatie heengesloten!
Hoe wordt er vaak stemmeloos geschreeuwd naar geborgenheid en houvast, en moedeloos gehunkerd naar een dak boven het hoofd en een bodem onder de voeten! Welke eeuw was er zo verwaten, èn zo verlaten?
Wereldvreemd?
Welke positie zal nu de christelijke gemeente in deze complexe, wielende wirwar innemen? Laat zij zich doemen tot stilzwijgen, met stomheid geslagen? Sluit zij zich op in een schuw en wereldvreemd isolement?
Maar hoe zou dat kunnen? Kunnen wij ons zelf dan werkelijk terugtrekken uit de samenhang van land en volk, en ons onttrekken aan de roeping om te staan waar wij zijn gezet: in de straat en in de staat, aan de werkbank en op de collegebank, op kantoor en op school, in het ziekenhuis en het gezinsleven? Geldt het in deze stervende wereld niet langer om Zijn getuigen te zijn? Maakt de nood van de tijd dan de hoop des eeuwigen levens monddood? Maar heeft getuige-zijn zich dan ooit in een ander oord voltrokken dan in de wereld die in het boze ligt en die links en rechts van weerstand en opstand gist? Hangt getuigen niet samen met martelaar-zijn? De vraag stellen is haar beantwoorden.
Of zullen wij ons laten dringen - of wellicht verlokken - op de weg van de weerloze aanpassing? Prof. van Niftrik schreef daar in 1968 over: 'Toen in de achttiende eeuw de Verlichting heerste - of liever: toen de geest van de Renaissance in de Europese mensheid doordrong, had zich de aandacht óók reeds van de hemel naar de aarde gekeerd. Maar in die eeuwen volgde de christelijke kerk de geest des tijds niet zó bereidwillig als thans het geval is. Terwijl de Erweckungsbeweging van de achttiende eeuw niet ophield het afgronddiepe verschil tussen de heersende rationalistisch - deïstische overtuiging en het christelijk-bijbelse geloof aan te wijzen, stellen kerk en theologie in onze tijd, soms met pijnlijke verbazing, maar meestal met bevrediging vast, dat er congruentie en parallellie tussen modern levensbesef en christelijk geloof bestaat' . Christenenen willen met een beroep op de zgn. aarde-gerichtheid van het Oude Testament en via een zeer gekleurde interpretatie van de Nieuw-Testamentische Koninkrijkgedachte, in onze tijd vooral meedoen. 'Zij willen de apartheid niet. Zij zijn, denken en leven als alle andere mensen. Geen antithese, en geen apartheid! Christenen verlangen in onze tijd even weinig naar de hemel als wereldse mensen. De hemel is uit aller gezichtsveld verdwenen' (G. C. van Niftrik, De hemel. Over de ruimtelijkheid van God, Nijkerk 1968, blz. 23v.).
Inderdaad. Er is een theologie en kerkelijk bedrijf op gang gekomen waarin het 'Gij geheel anders', is verkwanseld, want ingeruild voor het 'Gij evenzo'. De geest van de tijd heeft het vreemde, tegendraadse en kritische van de Geest-van-het-Evangelie weggeslepen. Wat H. J. Iwand zegt: 'Geest is het mes dat in het vlees snijdt, Geest komt als vijand, als tegenstander, als de waarachtige, echte crisis van alle vlees. Geest komt als Opstanding in de doodswereld, als vergeving in de wereld die zich vonnissen maar niet redden kan' (Nachgelassene Werke, Münphen 1966, S. 117) is in zijn tegendeel verkeerd. Men vereenzelvigt al te vlot de Heilige Geest van God met de onheilige geest, ideeën en idealen van de mens. En hoe licht wordt het Evangelie vervalst tot een actieprogram ter bestrijding en bevrijding...
Het is bekend hoe deze ontwikkeling op een zegevierend onthaal kan rekenen. Wat te denken van een ontboezeming van de atheïstische wijsgeer Merleau Ponty: 'Er is een gelukkige evolutie op gang gekomen binnen het christendom. Een bovenzinnelijk-religieus christendom gaat ongemerkt over in een werelds christendom waarbij God en het goddelijke zich allengs meer als mens openbaren. Dit proces houdt in, dat binnen afzienbare tijd de mens de enige God is!' (Aangehaald in W. Aalders, Theologie det verontrusting, Den Haag Z.j., blz. 57).
Fataal
Dr. W. Aalders zegt niet te veel als hij deze aardverschuiving brandmerkt als fataal. 'Het fatale hier is niet alleen dat zulk een theologie de geest der ontkenning in de kaart speelt en christelijk sanctioneert. Nog erger is, dat de gemeente erdoor in verwarring wordt gebracht en van haar geloof afgetrokken. Het Evangelie is hier immers verbasterd tot dopers revolutionair messianisme. Het geloof gedeformeerd tot een nieuwe vorm van krampachtige werkheiligheid, te weten politieke en sociale geëngageerdheid. De belofte van het Koninkrijk vermengd met gedachten, die hun oorsprong niet vinden in de Bijbel, maar in humanistische en atheïstische ideologieën, als bijvoorbeeld: emancipatie, vrijheid, gelijkheid, vooruitgang, menselijkheid. Het Heil verwereldlijkt door het te vereenzelvigen met opstand...' (Burger van Twee werelden, blz. 172).
Deze verschuiving van (niet maar: in!) de theologie betekent geen accents verlegging, maar aantasting van haar vitale gebinte. Ze heeft een bederf tot gevolg dat reikt tot in de nerven van de heilige leer. De diepzinnige Noordmans, die zijn tijd vooruit was, oordeelde al: Zo wordt de kerk een kazerne, het Woord een commando en de predikant een gemobiliseerde soldaat. En hoe schamper en scherp kon reeds Kohlbrugge, die 'heraut der eeuwigheid', in zijn eeuw deze geest van activistische werkgerechtigheid aan de kaak stellen: 'Waar mensen zich niet buigen onder het Woord en zelf willen regeren, daar drukt hun eigen orde hen dood; daar is enkel en alleen gewetensverkrachting, twist, krakeel, tweedracht, en terwijl men boven aan het bouwen is, zinkt het aan de onderkant weg. Het is voor en na het opbouwen van een toren van Babel'. En de Heere God is. dan tenslotte nog goed genoeg, 'om op ons met veel moeite opgetrokken gebouw een gouden torenspitsje te zetten!' Houden wij - ja, ook wij! - het ons voor gezegd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's