Kerk op wacht (2)
De kerk heeft wel een strijd op aarde, maar het is géén strijdrumoer dat op de barricades plaats vindt.
Ontkoming?
Is er nu een weg om zonder dienst te weigeren aan deze opmars van verwereldlijkt christendom te ontkomen?
Ongetwijfeld! Maar dan niet als een derde weg waarop wij ten aanval gaan en ónze tegenmars ten uitvoer brengen. Dat is alles te luidruchtig en optochtelijk. Men bant geen duivels met Beëlzebul. De kerk heeft wel een strijd op aarde, maar het is géén strijdrumoer dat op de barricades plaats vindt. Haar wapens zijn niet vleselijk. Én hoe benard de tijd ook wordt, geloof is niet te vermengen met protest, en lijdzaamheid niet te verwarren met gewelddadigheid. De gemeente heeft een bidvertrek en leeft van horigheid aan het Woord van Hem Die als Koning heersen moet totdat Hij - en Hij alleen - alle vijanden onderworpen heeft. Haar weerbaarheid ligt in de diepte van de deemoed. Een deemoed die met Kohlbrugge gelooft en belijdt: 'Wij hebben niet te doen met een dode Jezus, Wiens zaak wij zouden moeten bewaren. Wij hebben te doen met een levende Christus, Die ons moet staande houden, anders zijn we verloren. Hij komt Zelf. Van buiten met Zijn Woord. Van binnen met Zijn Geest'. Hier komt nog een overweging bij. Het ontbreekt ons niet alleen aan macht, maar - wat de doorslag geeft - wij hebben niet het recht om zo hoog van de toren te blazen. Want al maken wij geen gemene zaak met allerhande modieuze theologieën, niemand houde zich voor dat de orthodoxie part noch deel heeft aan het verval van de kerk en de ontzonkenheid van ons volksleven aan het Woord van God, alsof het alles de schuld is van de moderne theologen! Ook wij zijn debet aan de gerichten Gods die over Europa gaan en ook 'onze' gemeenten mogen zich wel aantrekken de woorden die prof. Gunning ooit sprak: 'Weet, Gemeente, dat gij de bodem zijt, waarin deze bomen wortelen en waaruit zij hun voedsel ontlenen. Gij zijt de schoot waaruit deze mannen zijn voortgekomen. Deze leiders, wier beginsellosheid u vertoornt, wier dwaalbegrippen u verontrusten, tegen wier boeken en leringen gij u verzet, zij zijn kinderen en jongelingen in uw midden geweest. Gij huisgezinnen en scholen, waarom hebt gij deze kinderen en jongelingen niet een onuitwisbaarder indruk van geloof en vroomheid gegeven? Gij gemeente, bewaarster van de genadegaven van de Heilige Geest, waarom hebt gij zo weinig heiligende invloed op hen uitgeoefend? Gij kerk, pilaar en vastigheid der waarheid, hoe komt het dat deze theologen en voorgangers zo weinig kracht en bezieling uit uw prediking hebben geput? ' (Aangehaald in W. Aalders, a.w., blz. 146). Komt het niet omdat ook onze woorden zo flets en flauw, ook ons getuigenis in leer en leven, op kansel en katheder, zo karakterloos, kleurloos en pijnloos zijn geworden? Wel zuiver, maar niet uitzuiverend en zinderend. Wel zwaarwichtig, maar niet richtend. Wel geijkt, maar niet bevrijdend, want ontladen van de heilige hoogspanning die op het Evangelie is gezet van Hogerhand. Nogmaals Gunning: 'En zo wandelt de gemeente voort: een weinig liefde voor God, doch geen dweperij! Een weinig ontzag voor Zijn heiligheid, doch geen angstvallige vrees! Een weinig vrijheid voor de rede, doch geen ongebreidelde vrijzinnigheid! Een weinig getuigenis tegen al te grote goddeloosheid, doch niet zó dat men gevaar loopt! Een weinig gedachte aan de eeuwigheid, doch geen sombere naargeestigheid! En zo al voort, voort, zachtkens keuvelende en zoet spelevarende. Zie daar de voortgang harer verbastering'. (Idem, blz. 147).
Vrijuit?
Wie gaat hier vrijuit? Er is waarlijk weinig reden, ook voor de reformatorische christenen, om triomfantelijk op de huidige crisis neer te zien en parmantig ons oordeel klaar te hebben, alsof wij het allemaal allang hadden zien aankomen, en alsof het getij wel vroegtijdig gekeerd was als men maar zorgvuldiger naar óns geluisterd had! Dan peilen wij de diepgang die wij allen maken, nog niet ten halve.
Slechts in een hartgrondige boetvaardigheid en een diepe bescheiden ootmoed kan de kerk staande blijven temidden van alle tumult om haar heen en binnen haar eigen wanden. Staande op een hecht fundament. Andermans bodem! En voor zover de kerk (hoe ook genaamd: binnen-verbands of buiten-verbands, binnen de Bond of buiten de Bond) daar niet staat, zal zij zich daarop terug laten roepen door het Woord des Heeren dat waar en werkzaam is. In een werkelijke saamhorigheid, niet in de zónde, maar in de schuld; niet in toegeeflijkheid, maar in een leven op de vergeving.
Zo staat de kerk op wacht. Zij staat niet op zichzelf in een hooghartig isolement. Zij staat niet op de bres in zelfverzekerd triomfalisme. Zij staat op haar wachtpost. Vier componenten laten zich hierin onderscheiden.
Op wacht
Wie op een wachtpost is gezet blijft ten eerste op de plaats waar hij geroepen is. Hij laat zich niet tot uitvallen verleiden en verovert geen vijandelijke stellingen. Dat alles laat hij aan een ander over! Hiermee is om te beginnen de positie en roeping van de kerk gekarakteriseerd. Het bolwerk van de saecularisatie valt door geen aanvalstactiek te belegeren en te overrompelen. En Gods Rijk valt door ons niet te formeren, laat staan te forceren.
Moeten wij dan niets doen van dien aard? Wat wij doen moeten is: ophouden het zelf te doen en wachten dat God het doet als en zoals het Hem behaagt. 'Wat men niet tillen kan,' zei Luther eens, 'moet men laten liggen. Kunnen wij niet verder, dan moeten wij onze Heere Jezus Christus door Zijn komst raad en hulp laten verschaffen. Hij kan toch niet ver meer zijn. Want de wereld is aan haar einde gekomen.' Onze voeten blijven op de vierkante meter grond van geloof en hoop, en vanuit onze wachtpost reiken onze zielsogen óver de horizon van deze aarde en geschiedenis naar de Dag van Christus' verschijning. En die verschijning bereidt Hij voor. Hij moet als Koning heersen. Daar zit het moeten van de Vader achter. Daar zit de draagkracht en de drijfkracht van het welbehagen achter. 'Ik heb een groot voordeel', getuigt Luther in een van zijn Tischreden, 'Mijn Heere heet Scheflimini.' (Zit aan mijn Rechterhand). En, zo zegt Luther erbij: 'Hij zit dus niet in Rome of in Constantinopel, maar in de hemel en daar zal Hij wel blijven zitten.' En Hij zit daar niet met de kans dat Hij overwinnen zal, maar: totdat Hem alle vijanden onderworpen zijn (Ps. 110). Zo vast als een rotsmassief! Onderschatten wij Hem toch niet. Wij staan slechts op wacht. Hij behoudt het veld en laat Zijn Rijk wel komen. Niet gewelddadig, - al gaat het door gerichten heen, - maar verborgen zoals het zuurdesem werkt. Zo voor het oog zo pover als een mosterdzaadje. Door het weerloze Woord des kruises. Kruisgewijs zoals Hij de kruiskoning Zelf, door dood en ondergang heenging. Nochtans, Zijn Woord is een kracht Gods tot zaligheid voor ieder die gelooft. Kracht die alleen in onze zwakheid wordt volbracht. Wij staan op wacht, in de schaduw van het Kruis waaraan Hij riep: 'Het is volbracht.' Wie voegt hier iets aan toe?
Opdracht
Wie op wacht gezet is heeft ten tweede een uitgesproken opdracht. Hij waakt bij alles wat veilig en heilig is.
Is zo de kerk niet geroepen te bewaken en te bewaren het heilige pand dat haar is toebetrouwd? Dit klemt temeer als wij bedenken dat het God Zelf is Die ons dit pand aanreikte, en dat het hierbij om niets minder gaat dan omde schat van het Evangelie. Dat mag alleen ontvangen en gekoesterd worden in een eerbiedig hart, en verkondigd en doorgegeven in ongerepte staat. Hij overhandigt Zijn Woord immers niet, in die zin dat wij er naar believen mee konden handelen, alsof wij er eigendommelijk en eigenmachtig over beschikken konden! Hoe zou Hij Zichzelf, of althans Zijn openbaring uit handen geven? Zijn Openbaringslicht laat zich net zomin overmeesteren als het licht van de zon! Wie heeft het zonnelicht op zak?
En toch geeft Hij ons Zijn Woord en wil Hij bij ons wonen door Zijn Geest. Hij wil werkelijk bij ons herbergen. Daarbij is en blijft Hij om te beginnen Zelf ten volle Subject. Hij woont. Hij werkt! Maar wie zal ontkennen dat Hij tegelijk ook ons voluit subject maakt? Wij ontvangen en omvangen Hem Die ons ontmoeten wil! Het toevertrouwde Woord wekt de ver-antwoord-elijkheid om ons aan het gehoorde te houden, erbij te beklijven en het met de teerste zorgvuldigheid te bewaren. Wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Het is deze genadige wederkerigheid der liefde, die ons in en bij Zijn Woord doet blijven! Het Woord mag verdraaid noch verfraaid worden. En hoe meer wij de onbetaalbare waarde ervan beseffen, met des te meer eerbied zullen wij het bewaken zoals het geschreven staat en verbreiden zoals het tot ons komt, onversneden, onverkort.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's