Afbraak... en toch: Wonen!
'Want wij weten dat zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.' (2 Cor. 5 : 1)
Paulus is bezig geweest zijn apostelschap te verdedigen. Dat niet tot eigen eer maar tot eer van God en Zijn Evangelie. Ondanks alle aanvallen is hij ook zelf getroost. De lichte verdrukking die zeer haast voorbijgaat, werkte ook hem een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid. Hij mocht aanmerken de dingen die niet gezien worden, want die zijn eeuwig. Alles wat gezien wordt, gaat voorbij.
Voordat hij nu verder gaat met het spreken over het ambt, gaat hij met de ontvangen troost eerst de gemeente troosten. Want ontvangen troost is er niet alleen om voor ons zelf te houden. Die is er om door te geven (Zie II Cor. 1). Want wij weten... Ondanks alle verval is er toch vastheid.
Wij weten... Wat weten wij niet veel in onze tijd. De veelheid van informatie is niet meer bij te houden. Maar het weten hier is een geloofsweten. Dat weet nog veel meer dan alle aardse weten. Dat weet namelijk ook de dingen die niet gezien worden. Waar komt dit geloofsweten vandaan?
Paulus zegt toch maar: Wij (u en ik) weten... In het verband van de tekst gaat het om de prediking. Lees hoofdstuk 4 en 5 maar eens in zijn geheel door. De prediking van het Woord ontsteekt licht in de duisternis van ons bestaan. Wij bidden u van Christus' wege: laat u met God verzoenen. Zo bereidt God (vers 5). Ondanks alle tegenstand van ons weerstrevend hart werkt Hij door. Zijn Woord en Geest zijn zo machtig dat Hij alle tegenstand opruimt. Wat erg dan om toch tegenstrevend te blijven.
Dat geloofsweten weet ook dat ons aardse bestaan een tent is. Wij kunnen nl. het beste vertalen: ons aardse huis (bestaan), namelijk deze tabernakel (tent). Geen vreemd beeld voor Paulus die tentenmaker was. En wie wel eens in stromende regen in een tent gezeten heeft, weet ook wat een tent is. Een tent is iets wat niet definitief is, wat het niet uithoudt als het er op aankomt. Deze aarde met alles er op en er aan, geeft ons geen definitief houvast. Arm daarom hij of zij die de tentpinnen zo vast in deze aarde geslagen heeft dat zij er niet meer uit kunnen.
Ons aardse bestaan wordt afgebroken. Wij sterven en laten alles achter. Ziekten en allerlei tegenslag zijn er de voorboden van. 'Ik kan niet meer wat ik vroeger kon', hoor je soms zeggen. Wat een afbraak van een mensenleven in zieken-en verpleegtehuizen. Dat weten wij... Niet: dat zien wij. Want wat wij zien is maar de helft of nog minder. Het geloof ziet ook hierin niet aan wat voor ogen is. Het weet wat de achtergrond is: de zonde. En het weet waar het heen gaat: Wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus (vers 10). Het einde van dit bestaan is God ontmoeten. En dan... Hoe kunnen wij zonder verschrikken voor Hem verschijnen?
Wij weten... De afbraak is er, wij gaan sterven en toch: Wij hebben! En wat hebben wij dat wij niet hebben ontvangen? Ontvangen alleen door Christus. Door Zijn afbraak. Hij kreeg wat wij verdiend hebben; de afbraak tot in de fundamenten toe. Men kent en vindt Zijn standplaats zelfs niet meer. Hij hield niets over. Hij werd ontkleed (het andere beeld uit dit hoofdstuk). De fundamenten van Zijn leven werden ter verbranding overgegeven. Hij leed de helse smarten, de toorn van God. Dat weet het geloof ook, dat weet het geloof allereerst. Daar leeft het uit. Dat is immers ook de inhoud van de prediking steeds weer. Daarom heb ik. Omdat Hij niets had, omdat Hij kreeg wat ik verdiende. Daarom al zie ik de aftakeling van mijn leven, al weet ik dat ik ga sterven, al weet ik dat ik alles hier achterlaat, nochtans weet ik: ik heb...
Wat heb ik? Hij Die niets had, zegt: Ik ga heen om u plaats te bereiden en u tot Mij te nemen. In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen. Paulus noemt het een gebouw bij God, een huis...
Hij weet het niet uit te zeggen wat het is, daarom gebruikt hij er zoveel woorden voor. Het is precies het tegengestelde tot de tent. Wat een vastheid! Wat een troost. Zoekt u die ook al? Wat een troost in het sterven. Wat een troost in alle voorboden in dit leven. Een gebouw... Je ziet het nieten toch heb je het. Dat geldt al hier: dat is a.h.w. de eerste verdieping van dit gebouw. Wie in Mij gelooft, zegt Christus, heeft het eeuwige leven. Daarna komt het sterven: altijd met de Heere te zijn. Dat is straks de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Een gebouw: in steeds nauwere gemeenschap met Christus komen om Hem te danken voor wat Hij deed. Een gebouw: Wat geen oog gezien heeft en wat in geen mensenhart is opgekomen heeft God bereid voor degenen die Hem liefhebben. En het blijft eeuwig. Er gaat nooit iets aan mankeren.
Uit dit houvast leeft het geloof. Maar zonder geloof...? Om geen geloof te hebben, daar behoeft u niets voor te doen. Dat gaat vanzelf. Maar straks staat u dan helemaal alleen in het gericht. Vandaar de indringende oproep in dit hoofdstuk: God bidt. Hij ligt voor ons op de knieën en zegt: Laat u met Mij verzoenen. Want straks moeten wij allen geopenbaard worden voor de Rechterstoel van Christus. Naar dit hemelse huis is het verlangen. Het is er al en het is er nog niet. De kinderen van God verlangen naar Huis. Het beste komt nog. Al houdt dit totaal en nergens verachting van dit aardse leven in. Want juist het weten van de wederkomst en het laatste oordeel dringt Paulus er toe om Gode welbehagelijk te leven. Hij is er zelfs begerig toe. Hier komt ook het verschil openbaar tussen hen die de Heere vrezen en hen die het niet doen. De goddelozen verlangen ook wel eens naar iets beters. Wie is er immers vanuit zichzelf tevreden? Maar als je hen vraagt of ze dan liever dit leven willen verlaten of hier blijven, kiezen zij het laatste. In dat verlangen is ook wel veel strijd. Er is niet alleen een zuchtend verlangen. Er is ook een zuchten, bezwaard zijnde. Dat is de strijd ten vlees tegen Geest, van het oude tegen het nieuwe. En toch... wij hebben. Het onderpand, de eerste gave, het voorschot hebben wij al in handen, zegt Paulus: God Die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft (vers 5). Die Geest woont in de gemeente. Die werkt door middel van het Woord. Die breekt het onze af en brengt tot Christus. Zo zeker als dat is, zo zeker is ook het huis in de hemel. Is het ook al uw zekerheid?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's