Is de bekering sterker dan wat ook?
Een impressie van het Israël-seminar-1982
Het idee van erfzonde kent het Jodendom niet, althans niet in de zin zoals het Christendom dit kent.
Op een van de bijeenkomsten tijdens onze uiterst boeiende en leerzame studiereis door Israël, bevonden wij ons onder het gehoor van prof. R. J. Zwi Werblowski, een van oorsprong Nederlandse Jood, die vergelijkende godsdienstwetenschappen doceert aan de Hebreeuwse universiteit te Jeruzalem en nu het begrip 'tesjoeva' in de Joodse traditie voor ons inleidde. Dit begrip laat zich ongeveer vertalen met onze woorden: bekering, wederkeer, berouw en boete. Gemakshalve gebruiken we hierna het meest gebruikelijke equivalent: bekering.
Om nu enig inzicht te verkrijgen in de wijze, waarop binnen de Joodse traditie dit begrip werd en nog wordt ingekleurd volgen hierna de belangrijkste punten uit prof. Werblowski's betoog.
De bekering: een zaak van doen...
In het Jodendom is de bekering geen absoluut nieuw begin, maar veeleer een terugvinden van de oude weg, waarvan men afgeweken is, een terugkeer naar het Verbond Gods, de Thora (de Wet Gods). De bekering vooronderstelt dus een afwijking van dat Verbond en die Wet! De weg waarlangs de mens nu tot bekering komt, werd met name door het middeleeuwse Jodendom sterk individueel ingevuld; dit in tegenstelling tot de meer collectieve benadering, zoals die vanuit de Bijbel op ons af komt, zo betoogde prof. W. (waarbij hij opmerkte met het woord Bijbel uitsluitend het O.T. te bedoelen). Want, zo vervolgde hij, de Bijbel spreekt altijd in de meervoudsvorm, als ze tot bekering oproept en daar, waar het enkelvoud gebruikt wordt, wordt Israël bedoeld. Het gaat dus in de Bijbel met name om de bekering van het volk Israël, die zich realiseert in de bekering van individuen uit dat volk.
Hoe ziet het Jodendom die individuele bekering dan? Wel, zegt prof. W., zeker tot de middeleeuwen zijn wij Joden daarin pelagiaans en zelfs niet semipelagiaans! Er is geen sprake van determinisme, (de leer, dat de menselijke wil niet vrij is) maar van menselijke vrijheid. Wel is er sprake van een trapsgewijs verlies van die vrijheid, naarmate de mens de mens dieper in de zonde wegzinkt; het wordt dan steeds moeilijker om nog tot bekering te komen. Het idee van erfzonde kent het Jodendom niet, althans niet in de zin zoals het Christendom dit kent. (Er wordt in het Jodendom wel gesproken over de erfelijke neiging tot zonde). Alle nadruk ligt dus op de menselijke verantwoordelijkheid, waarbij de Jood wel erkent, dat hij zich niet bekeren kan zonder de hulp van God.
De bekering: een zaak tussen partners...
God en mens zijn in het Jodendom partners, waarbij de één niet zonder de ander kan. Prof. W. zag in dit kader de bekering als een wederzijds gebeuren: God roept de mens op tot bekering en de mens roept God tot Zich terug. We vinden in de Bijbel, aldus W., zinsneden als: 'Keer tot Mij terug en Ik zal tot u terugkeren'. Hierbij wordt dus kennelijk het initiatief in beide gevallen aan de ander toegeschreven, een interpretatie waarmee het Jodendom zoekt te ontkomen aan de opheffing van de eigen verantwoordelijkheid van de mens. Een verantwoordelijkheid, die niet alleen in het heden in het geding is.
De bekering: een zaak van de toekomst én het verleden
De bekering betekent voor ons een dagelijkse gebedszaak, een naar God luisteren waarbij de mens zich 180 graden draait. Hierdoor verandert niet alleen de toekomst, maar ook het verleden!
Om dit te begrijpen, zo vervolgde prof. W. zijn interessante betoog, moeten we het menselijke 'zijn' in deze wereld opvatten als een historisch 'zijn', dat zowel de collectieve als de individuele historie bevat die open staat voor verandering. Het gaat dan m.b.t. het verleden niet meer zozeer om feitelijke gebeurtenissen, zoals b.v. zonden, maar om de rol, die deze gebeurtenissen spelen zowel in het heden als in de toekomst. De feiten blijven, maar door de bekering verandert hun betekenis: de zondige feiten krijgen nu een andere functie: door de ervaring van de liefde en de genade Gods in de bekering, vindt er a.h.w. een 'Umfunktionierung' plaats. Hiermee verandert een negatief gebeuren in een positief. Immers, de zonden waren de oorzaak van de bekering en daarmee van de ervaring van de liefde Gods. Vandaar ook, dat de Talmoed (heilig boek van de Joden buiten de Bijbel) kan zeggen: 'Daar waar degene staat die 'tesjoeva' heeft gedaan, daar komt de rechtvaardige nooit!' Tegelijkertijd laat de Talmoed ook een ernstige waarschuwing horen aan het adres van hen, die menen vrijuit te kunnen zondigen, met de gedachte dat de weg tot de bekering altijd wel open staat: Dan zal de bekering niet helpen en is er weinig of geen kans, dat de mens ooit nog met God in het reine komt. Doordat hij denkt God op deze wijze te kunnen manipuleren, zal hij zich steeds dieper in de zonde werken...
Opmerkelijk was in dit verband, dat prof. W. de geschiedenis van de verloren zoon (in het N.T!) een uitstekende illustratie vond van deze Joodse noties over de bekering: de bekeerde zondaar staat hier immers hoger dan de rechtvaardige? ! 'Nooit heb ik deze geschiedenis anders kunnen lezen', zo voegde hij er nog aan toe.
De bekering: een zaak van de Wet...
In de visie van prof. W. gaat het in de bekering ten diepste niet om een tot in de details uitvoeren van wettelijke voorschriften, in de zin van: nu moet dit...en dan dat. Neen, veeleer gaat het om de inhoudelijke naleving van de Wet, waarbij die details vanzelf zichtbaar worden. Het gaat bij de kaas, zo merkte hij met een glimlach op, ook niet om de korst maar om de heerlijke inhoud... Wie zich dat bewust is, zal dan ook niet al té krampachtig vasthouden aan een 'wettisch' uitwerken van de bekering, zoals dat b.v. in de middeleeuwen door de Jood Maimonides gebeurde.
(Toch was deze wettische opvatting van de bekering onder het Jodendom meer algemeen, dan prof. W. hier suggereert. Er werd zelfs gesproken binnen het Jodendom over 'het juk der wet', J. K.)
Slotbeschouwing
Tegen het einde van zijn betoog merkte prof. W. op, dat de bekering sterker is dan wat ook. Ze werd en wordt binnen het Jodendom zelfs als absoluut beschouwd. Om dit te illustreren voert men dan wel het voorbeeld aan van een heidense veldheer, die duizenden Joden liet afslachten, maar zich daarna bekeerde en: ... later werd uit zijn geslacht een man geboren, die een hooggeleerde rabbijn zou worden...
Uit het geheel van dit verslag zal het duidelijk zijn, dat de gedachtengang van de Reformatorische traditie bepaald afwijkend is van het bovenstaande. De nadruk op de sola's van de Reformatie (sola gratia, sola scriptura, sola fide) hebben met een pelagiaans standpunt geen gemeenschappelijke wortel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's