De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

In gesprek met prof. dr. ir. H. v. Riessen

Prof. v. Riessen is in de gereformeerde gezindte geen onbekende. Niet alleen dat hij op vele terreinen aktief bezig is, maar daarnaast genieten zijn publicaties nogal bekendheid. Ik denk vooral aan zijn boek De maatschappij der toekomst. In Inhoud, het informatie-magazine van Youth for Christ in Nederland trof ik een interview aan met van Riessen. Onder meer komt het gesprek op de relatie van christen tot techniek, wetenschap en organisatie.

'U schrijft veel over 'de drie machten': techniek, wetenschap en organisatie, op kritische wijze. Vindt u dat christenen afstand moeten bewaren tot die dingen of kun je er als christen in meedoen? In principe gaat 't om scheppingsmogelijkheden, die de mens kan ontplooien en in dienst stellen van de ontplooiing van de schepping. Maar omdat onze eeuw wetenschappelijk is ingesteld, gaan we, feitelijk maar niet onvermijdelijk, op een wetenschappelijk, afstandelijke manier met de schepping om, en krijg je een techniek die onpersoonlijk is, met automatisering om computers als logische gevolgen - waardoor de mens geleefd gaat worden. In de moderne organisatie dreigt de mens gereduceerd te worden tot een functie, een kaart in het kaartsysteem.

Maar de moderne mens in z'n godloze, geseculariseerde wereld heeft, religieus ingesteld als hij is, toch zekerheden buiten zichzelf nodig. Dat worden wetenschap en techniek, de moderne afgoden, die dan echt tot machten gedacht worden. Vele hebben er hun vertrouwen voor de toekomst in gesteld, uitgenomen vele jongeren, protesterend en demonstrerend tot geweld toe, uitgenomen ook de christenen, die zien wat er gebeurt. Als die machten dus zelfstandig lijken te zijn, als automaten lijken te werken, omdat men dat gelooft, dan noem ik dat werkzame schijn. Christenen mogen deze werkzame schijn niet aanvaarden. Zij moeten de verantwoordelijke heerschappij van de mensen over de machten herstellen om God in Zijn schepping te antwoorden tot Zijn eer. Maar hoe moet dat gebeuren? Wat door toepassing van wetenschap mogelijk is dat wordt thans ook gerealiseerd. Eigenlijk zijn hier de feiten tot wet geworden. Dat gebeurde met abortus, dat gebeurt ook met de nevenpraktijken rond de reageerbuisbaby, invriezen van embryo's, misschien straks door cloningtechnieken (ongeslachtelijke 'teelt') allerlei soorten mensen kweken. De macht van de mens, bedoeld om de schepping te ontplooien, zal door de zonde, met name door de negatie van God, tot steeds verschrikkelijker resultaten leiden. Er is een schiftingsproces aan de gang waar de meeste christenen nog geen idee van hebben. Zij moeten van vele dingen afstand nemen, zij moeten weer leren de smaad van Christus te verdragen. Ik vind het tragisch, dat christenen en kerken zich voortdurend aanpassen aan de feitelijkheid en aan de geest'van de tijd, waartoe ze nog steeds weer de Heilige Schrift laten buikspreken. Techniek als zodanig wil ik niet afkeuren - nogmaals, we hebben allerlei geweldige mogelijkheden in de schepping gekregen. Ik heb in m'n colleges in Delft ook nooit studenten de techniek uit willen praten. Je moet ze de techniek in praten. Daar moeten ze christen zijn. We moeten als christenen niet in twee werelden leven - als we dat doen, dan gaan wij voor we het weten in déze wereld, geleid door de wereldse motieven, ónze gang.'

In dit gesprek benadrukt van Riessen sterk de noodzaak dat er weer wegen gevonden moeten worden om oudere en vooral ook jonge mensen weer op het spoor van het Woord te bren­ gen. Dat is het werk van de Geest die harten opent voor het Woord. Maar wij dragen niettemin juist in studie en wetenschapsbeoefening grote verantwoordelijkheid.

***

Pand en band

Deze twee woorden kenmerken een artikelenreeks v& nprof. dr. W. v. 't Spijker in 'De Wekker' over het bewaren van het pand van het Evangelie en het bewaren van de band van de vrede. Het een kan er niet zijn zonder het ander. Ik kan het pand niet bewaren zonder de band te bewaren, want we staan in de continuïteit met het verleden en in een gemeenschap samen met allen die geloven. Over dat laatste schrijft de auteur:

'Het mag voor zichzelf spreken, dat de verbondenheid met het verleden in het heden vruchtbaar moet zijn. Ik kan het pand niet bewaren dan in gemeenschap met al de heiligen. Hoogstens zouden wij zonder hen een stukje van de waarheid kunnen vasthouden. Maar een stukje van de waarheid kan een volgroeide leugen worden, dan n.l. wanneer men die deelwaarheid tot een absoluut gegeven verklaart. Men moet wel de volle waarheid kwijt raken, als men al de heiligen loslaat. De katholiciteit van de kerk is een onmisbare voorwaarde voor de volheid van de waarheid.' Dit berust op een inzetting van God, die niet gewild heeft dat één alleen het geheel zou kennen of zou bezitten. Het kan een mens ootmoedig houden, wanneer hij bemerkt dat hij de ander nodig heeft. Hier staan we voor een van de meest negatieve aspecten van een kerkelijk conflict. Een schisma kan de waarheidsvraag niet onberoerd laten, of liever gezegd: een schisma kan van zichzelf in de waarheidsvraag geen bijdrage leveren. Terecht zei iemand daarom: het schisma liegt. God heeft de waarheid aan al de zijnen samen gegeven. De geschiedenis laat zien hoe heilloos het is, om tegen deze goddelijke ordinantie te zondigen. In het gebeuren in de oorlog, dat aanleiding werd tot het ontstaan van de vrijgemaakte kerken, herkennen we iets van het schisma dat liegt. De gevolgen liegen er dan ook niet om. Een vereenzijdiging diende zich aan die ontbindend werkt. De gedachten gaan onwillekeurig verder: wat in de vrijgemaakte kerken in de jaren zestig en zeventig voor de één reformatie was, zag en ervoer de ander als schismatiek. En dan kan de katholiciteit van de waarheid in geding komen. De waarheid hebben wij niet in pacht. Wij hebben haar als een pand samen met alle heiligen. Dit zouden zij binnen en buiten onze kerken dienen te bedenken die in onkunde of uit onwetendheid een standpunt omtrent de waarheid innemen, waarin geen plaats is voor de leifde. Men kent de geschiedenis van onze kerken niet, of men houdt die kennis in kerkelijke ongerechtigheid ten onder, wanneer men zonder meer zegt: laat het maar tot een breuk komen. Of: laten zij de consequenties maar trekken en heengaan. Of: ze moeten het zelf maar weten.'

Ik meen dat de gehele geref. gezindte zich deze woorden kan aantrekken. Het schisma, de scheuring, liegt. Vereenzijdigingen verabsolutering liggen dan op de loer. Verbonden met wat de geslachten voor ons beleden hebben, hebben we elkaar nodig om eikaars eenzijdigheden te corrigeren. In onze tijd dreigt het gevaar dat we elkaar gemakkelijk loslaten en niet meer worstelen om samen Gods waarheid te mogen verstaan. Sectarisme kan dan niet uitblijven.

Etty Hillesum

In opbouw van 4 juni schrijft ds. W. G. Rietkerk een belangrijk artikel over het dagboek van Etty Hillesum, de joodse vrouw die in 1943 in Auschwitz de dood vond, en wier dagboekaantekeningen onder de titel 'Het verstoorde leven' vorig jaar zijn uitgegeven en nu volop in de publicatie staan. Rietkerk is van oordeel dat de levensbeschouwelijke motieven die in dit boek naar voren komen typisch passen bij het levensgevoel van deze jaren, zodat het niet zo vreemd is dat deze dagboekaantekeningen bij velen zoveel herkenning oproepen. Over die motieven zegt Rietkerk:

'Het eerste wat bij de lezing van het dagboek opvalt is de buitengewone vrijheid die de schrijfster voorleeft op het gebied van de sexualiteit. Hier vind ik ook de bespreking van het dagboek het moeilijkst. Want wat voor recht heb ik om bij een vroeggestorven medemens in de slaapkamer te kijken? Voelen wij ons hier niet een gluurder die dingen ziet, die niet voor zijn oog bestemd zijn? Toch is het - nu dit dagboek eenmaal is gepubliceerd - overmijdelijk om hier een enkel woord aan te besteden. Want wij nemen iets waar in dit dagboek wat in de oorlogstijd zeer uniek was, nl. een totaal vije houding op sexueel gebied, zonder dat dit aan het gebed en het geloof afbreuk leek te doen. De schrijfster leeft met verschillende mannen intiem samen, maar voelt dit zelf aan als zuiver en schoon - natuurlijk ook best wel eens 'verstoord' - maar zonder dat dit haar geweten schijnt te raken en zonder dat er ooit gesproken wordt over 'normen'. Dit zou één van de redenen kunnen zijn waarom dit boek pas nu grote opgang maakt. Vlak na de oorlog was dit zeer buitengewoon en zou dit velen geschokt hebben, maar nu in de tachtiger jaren sluit dit aan bij de mentaliteitsverandering die onze sameleving sinds die tijd heeft meegmaakt. Wij staan na de sexuele revolutie die bij ons plaatsvond in de zestiger jaren en pas nu is de bodem rijp voor een boek als dit, dat hoewel geschreven in de oorlog toch al ver haar tijd vooruit is. De sfeer van de verhouding tussen Etty en de heer Spier is pas in de tijd van rond 1980 goed te begrijpen - open, gevoelig, hoogst-persoonlijk - om eerlijk te zijn een beetje in de stijl van Bagvam. Ik weet wel dat christenen zich haast het recht hebben verbruid om hier iets over te zeggen. Moeten wij persé weer een lineaal gaan aanleggen van wat mag en niet mag? Hebben wij dat niet vaak gedaan in de stijl van een farizese casuïstiek? Toch blijft de omgangsstijl van Etty Hillesum bij mij vragen oproepen. Die mystieke benadering van de medemens verwaarloost gemakkelijk de strukturen die er zijn ook voor de omgang tussen mens en medemens en man en vrouw. Dit leidt wel tot emotionele diepgang, maar niet tot vruchtbaar verantwoord samenleven.

Geloof en sexualiteit hebben heel vaak op gespannen voet geleefd met elkaar. Hier in dit dagboek lijkt er sprake te zijn van een totale harmonie. Die harmonie is bij nader toezien gebaseerd op hoe ik het voel. Die basis is mij te smal en te bedriegelijk om er mijn relaties op te baseren.'

Ook de wijze waarop de Godsvraag aan de orde komt slaat aan bij de moderne door Bonhoeffer al geuite gedachtengang van de lijdende God, bij wie de christenen staan in zijn lijden.

'Ook bij Etty Hillesum komen wij uitspraken tegen die aansluiten bij het 2e vers van dit gedicht van Bonhoeffer: 'En als God mij niet verder helpt, dan zal ik God wel helpen' (Het verstoorde leven, blz 127). Zij spreekt heel vertrouwelijk tot God, als de God die in haar woont 'dat allerdiepste in mij, dat ik gemakshalve maar God noem', blz 36. In Zijn hand weet zij zich onder alles geborgen. 'Ik aanvaard alles uit jouw handen, mijn God, zoals het komt' (blz. 151). Woorden als deze van Bonhoeffer en van Etty Hillesum, geboren temidden van verschrikkelijk lijden, zijn nooit oneerbiedig bedoeld geweest. Zij geven weer hoe diep de Heere hen in hun lijden nabij was. Inderdaad zó ver kan God ons troosten: dat Hij ons in het diepste lijden laat voelen, dat Hij er zelf nog dieper onder lijdt. Dan mogen dat soort gedachten als wij zoëven lazen worden uitgesproken. Alleen zodra wij veertig jaren later levend bemerken dat er een theologie gebouwd wordt op zulke uitspraken als van Bonhoeffer en Hillesum, als zou God niet een persoon zijn boven ons - maar een dieptedimensie in ons, dan worden wij wel gedwongen om op te staan en onze voet dwars te zetten. Ik denk hier aan John Robinson die in zijn boekje Honest to God zei alleen nog maar te kunnen geloven in een God in ons, als dieptedimensie in het menselijk ervaren, die gedachte heeft J. Moltmann nog veel dieper tot uitdrukking gebracht in zijn boek 'De gekruisigde God', waar hij zegt: "God is een medemenselijk gebeuren maar als God alleen een medemensenlijk gebeuren is, is er dan geen "persoonlijke God? " Moltmann antwoordt op die vraag die hij zichzelf stelt: "Inderdaad bestaat er dan geen persoonlijke God, als een in de hemel geprojecteerde persoon" (blz. 233 Ambo).

Moltmann wil niet zeggen dat hij atheïst geworden is - integendeel: hij probeert God opnieuw ter sprake te brengen, maar nu niet als een souverein God, die in de hemel troont, maar als een gebeuren hier op aarde, in zijn diepste diepte geconcentreerd op Golgotha. Ondanks al zijn goede bedoelingen blijf ik hier grote bezwaren houden tegen Moltmann. Niet tegen Bonhoeffer, wel tegen alle theologie die een ervaring, als van Bonhoeffer gaat uitbouwen tot een niet meer op de Schrift maar op de menselijke ervaring, stoelende gedachtenwereld. De Schrift zelf verkondigt ons zowel het éne als het andere, nl. dat God met ons lijdt, als ook dat Hij alle ding regeert.

“De Here is Koning
vast staat nu de wereld
zij wankelt niet”

Ps. 93

Die geloofszekerheid is niet gebaseerd op menselijke ervaring maar op Gods getuigenis dat zeer betrouwbaar is - ps. 93 : 5. In dit opzicht ga ik liever bij een andere eigentijdse Joodse schrijver te rade, die wel met grote eerbied weet te spreken over de souvereiniteit van God, die niet als de Ander ooit mag worden gereduceerd tot toch uiteindelijk "Ie même", dezelfde, een deel van mij! Hier volgt een citaat uit zijn werk: Zoals gezegd, er is Iemand nodig, die niet meer aan het zijn vastplakt en die op eigen risico een antwoord op het raadsel geeft: en eenzame, unieke en geheime subjectiviteit, waarvan Kierkegaard iets heeft gezien." E. Levinas in "het menselijk gelaat", blz. 205 en 207. Met deze verwijzing naar Levinas wil ik maar zeggen: er is niet onvermijdelijk maar één theologie mogelijk - vanuit de Tweede Wereldoorlog. Hier is een denker, die ook diep geleden heeft als Jood, maar die begrepen heeft dat een theologie die zich richt op God in ons en daarbij blijft staan uiteindelijk uitkomt bij een antropologie. Het dagboek van Etty Hillesum is geschreven vanuit een diepe, vaak mystieke liefde voor God zoals Hij zich ook in ons niet onbetuigd laat - om twee woorden van Paulus uit Hand. 14 : 17 en 17 : 27 samen te nemen. Wat opvalt bij Paulus is dat deze dit soort geloven niet als een eindstation beschouwt, maar dat hij er juist bij aanknoopt als een beginpunt. (Hand. 17 : 27 e.v.). In ieder geval: het is wel begrijpelijk dat het dagboek van Etty Hillesum ook op dit punt pas in de jaren na Moltmann en Robinson beter overkomt dan direkt na de oorlog. Alleen dat maakt mij, tegelijkertijd ook veel voorzichtiger om de gevoelens die zij uitdrukt in haar dagboek over te nemen. Ik zou haar gevoelens over "God en mij" niet als eindpunt willen nemen, op de manier waarop Paulus dat doet in Handelingen 17.'

Boeken als van Etty Hillesum vervullen ons enerzijds met respect omdat ze geschreven zijn vanuit een diepe doorleefde existentiële nood. Tegelijk - en dat acht ik de verdienste van Rietkerk's artikel - zullen we kritisch moeten luisteren en ook dergelijke documenten moeten toetsen aan het getuigenis van profeten en apostelen. Tevens zijn ze een signaal omdat ze verwoorden wat leeft bij vele tijdgenoten. Als zodanig is het belangrijk er kennis van te nemen, om de moderne mens in zijn gevoelsleven, zijn worsteling met het lijden en met de vraag naar de zin van het leven, ja ten diepste met de Godsvraag te verstaan. Want hoe zullen we pastoraal en evangelisatorisch antwoord kunnen geven als we niet eerst geluisterd hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's