Noodzakelijke openbaring
'Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed hetzij kwaad.' (2 Cor. 5 : 10)
Door het woordje 'want' aan het begin van onze tekst wordt het Gode welbehaaglijk leven gezet in de spanning van de wederkomst van Christus en het laatste oordeel.
Het kan zijn dat het eeuwige huis lang op zich laat wachten, het kan ook nog kort duren. De opdracht van de christelijke gemeente is in die tijd Gode welbehaaglijk leven. Wat de inhoud daarvan is, daarover is de tweede Corinthenbrief niet onduidelijk. Je mag een ander troosten met de troost die je zelf van de Heere ontving. Je behoeft niet uit te zijn op eigen roem, je mag je woord houden, je mag een schuldige vergeven, je mag geven voor de dienst des Heeren, er behoeft in een christelijke gemeente geen nijdigheid en toorn te zijn. En in dat alles speelt ons lichaam een grote rol. Want het een doe je met je hand en het ander met je mond. En dat komt in het gericht. Dat leven naar de wil van God heeft in de Bijbel zijn opdracht en tegelijk ook zijn kracht om het te kunnen vanuit het Kind in de kribbe, ook vanuit het kruis van Golgotha, maar duidelijk ook vanuit de wederkomst. Juist daar vanuit, juist vanuit het oordeel, zijn wij zeer begerig (u ook?) om te leven zoals de Heere het vraagt. Dat Christus weerkomt om te oordelen geeft geen lui of slordig leven maar juist het tegendeel.
Wij moeten allen... Tot de zekerheid van het geloof dat niet ziet en nochtans gelooft, behoort ook het weten van het gericht. Dat is een doorlopend weten in de Bijbel. Het is zelfs in de Bijbel een grote troost dat God Rechter is. Al wil ons natuurlijk hart er niet aan en probeert het dat te vergeten. Dat oordeel is daarom ogk een onderdeel van de prediking. Paulus predikt Christus als Degene Die aangesteld is om de aarde rechtvaardig te oordelen.
De prediking is dan ook het eerste oordeel waarmee een mens in aanraking komt. Het oordeel bij ons sterven en bij de wederkomst is geen ander oordeel dan zondags in de prediking. Waar daar de hemelpoort voor ons opengaat of dicht, gebeurt dat ook straks. Daarom: Hoe preken wij? Hoe horen wij? Straks staan wij voor de Rechterstoel van Christus. Met Christus erop. Voor Hem als Rechter. Wij staan vóór Hem. Oog in oóg met Hem. Heel persoonlijk. En wegkruipen zal er dan niet meer bij zijn.
Hij is Middelaar en ook Rechter. Hij is Rechter en ook Middelaar. Hij Die nodigt: Komt allen tot Mij, is ook Rechter. Dat is geen tegenstelling. Dat gaat samen op. Want aan Gods geduld komt eenmaal een eind. De Bijbel spreekt ontroerend van de toorn van het Lam. De prediking van het gericht is prediking van Christus en prediking van Christus is prediking van het gericht. Hij ging in het gericht in en droeg in onze plaats de toorn van de Vader. Wat erg dan als u Hem niet nodig hebt. Waar moet u dan straks heen in het gericht? ! Er is een gericht. Maar het levert voor Paulus niet de minste angst op. Daar mogen wij hier in ons Schriftgedeelte wel op letten en onze lering uit trekken. Onze Catechismus vraagt dan ook: Wat tróóst u de wederkomst van Christus om te oordelen? Het is even Dezelfde Die Zich al eerder voor mij in Gods gericht stelde. Er komt geen vreemde weer en wij komen voor geen vreemde te staan, zegt Paulus. Niets kan immers hem of haar die in Christus is, scheiden van Gods liefde, ook het laatste gericht niet. Wie weet van de vergeving van de zonden waarvoor Hij in het gericht inging, behoeft voor dat laatste gericht geen angst te hebben, ook niet voor het oordeel bij het sterven. Behoeft ook niet te denken: Zou het misschien met mij nog verkeerd kunnen aflopen?
Of hebt u soms wel die angst? Hoe zou dat komen? Ja, als u op u zelf ziet, dan wel. Maar als u, op Hem mag zien...Als u ziet op eigen prestaties, die zijn immers altijd vol zonde. Daar komt u mee om. Maar als u weer op Hem mag zien, dan geldt de troost van deze tekst. Toch staan er bij het gericht wel angstige mensen in de Bijbel. Zij roepen: Bergen valt op ons. Maar dat gebed wordt niet verhoord. Want het is een te laat bidden en aan het verkeerde adres. Dat doen zij die eenmaal ontdekken dat alles wat hen hier gezegd is en waaraan zij voorbij liepen toch werkelijkheid is. En dat de tijd van genade om tot Christus te roepen dan voorbij is! Daarom wat u nu in uw lichaam en met uw lichaam?
Wij allen... ledereen. En ieder heel persoonlijk. Wij... Paulus en de gehele gemeente van Corinthe. En het is alsof Paulus ze allen aan zijn oog voorbij laat gaan. Met alles wat hij hij met hen heeft meegemaakt.
Wij moeten geopenbaard worden... Er staat niet gesteld worden of iets dergelijks. Geopenbaard worden is verschijnen, in het licht treden, er komen te staan zoals je bent. Dat moet. Dat kan niet anders. Moeten is vaak in de Bijbel het woord rond het werk van Christus. Dat is Hem door de Vader opgedragen en daarom kan het niet anders en wil Hij het ook niet anders. Zo is het ook met het gericht. Dat is het laatste wat de Heere Jezus Christus doen zal. Ieder komt er te staan zoals hij is. Alles is dan zichtbaar. Alle vermomming gaat er af. Daar sta je dan in je schuld of in je vergeven schuld. Dan zul je willen wegvluchten of je zult er staan in volle vrede.
In dat oordeel ga je wegdragen. Dat woord wegdragen betekent hier zoveel als: je verdiende loon krijgen, je leven wordt voorgoed wat het was, er is geen veranderen aan mogelijk meer. Het door de pottenbakker gemaakte voorwerp gaat de oven in en het blijft zoals het is.
En dan zijn er maar twee wegen: goed of kwaad. Goed en kwaad dan geoordeeld naar wat de Zoon goed vindt. Niet naar wat wij goed of kwaad vinden. Maar is er dan wel iemand die goed doet? Er is toch niemand die goed doet, naar het Woord van God Zelf. En zegt Paulus niet, dat hij het goede wat hij wil doen, niet doet.
Dat is waar. En toch is ook waar wat hier staat. Speel Bijbelwoorden nooit tegen elkaar uit, maar buig voor wat er staat.
Als Christus ons in genade aanneemt, zet Hij op onze werken ook Zijn stempel. Hij is immers geschonken tot rechtvaardiging (vergeving van zonden) en tot heiliging (tot een nieuw leven haar Zijn wil). Wie bij de Heere Jezus behoort door geloof in het grote wonder waar vers 21 van spreekt (en let dan vooral op dat tot zonde gemaakt zijn van Christus, er niet tot zondaar), zijn onvolkomen werk wordt goed gerekend. Zo is er wel nooit enige roem voor ons. En blijft er over de eeuwige verwondering dat Hij het heeft gedaan.
Daarom blijft er met Paulus over de schrik des Heeren die tot geloof mag brengen en de liefde van Christus Die er toe dringt.
Wij bidden u er toe alsof God door ons bad van Christuswege. En dan is het ook waar wat Paulus zegt: Wij hebben altijd goede moed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's