Joos van Laren (1586-1653) (1)
Van Laren was een man die de studie niet heeft verwaarloosd.
Reformatie - Nadere Reformatie
Wij beginnen met een preek, gehouden in de Grote Kerk te Vlissingen op zondag 29 februari 1637. Tekst was Mattheus 11, 25 en 26, waar wij lezen de woorden van de Heere Jezus Christus: 'Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze de kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U'.
De predikant, Joos van Laren, nog maar sinds twee dagen 51 jaar, zegt in het begin van deze preek (kort samengevat) het volgende: Het moet ons grote vreugde geven, als wij horen dat het evangelie een gelukkige voortgang heeft en door velen aangenomen wordt. Want dan worden velen uit het geweld en de tyrannie des duivels verlost. Wij hebben gevangen gezeten in de donkere put van het afgodische pausdom. Maar de Heere heeft ons, bezocht met de heldere fakkel van het evangelie. Door hoe weinigen echter wordt deze grote weldaad gewaardeerd. Velen doen niets dan aardse goederen verzamelen. Weinigen danken de Heere voor de grote schatten die door de Reformatie zijn ontdekt. En dat terwijl onze vaderen vele honderden jaren in de duisternis en de schaduw des doods hebben gezeten. Het is dan ook niet te verwonderen dat de Heere nu enige jaren geleden de gelukkige voortgang van het evangelie heeft gestuit, en de antichrist op zeer veel plaatsen weer de overhand heeft laten krijgen. Dat moge ons ertoe bewegen onze ondankbaarheid te laten varen en God te bidden, dat Hij het evangelie opnieuw een gelukkige voortgang geven wil, zoals het eens had in het begin van de Reformatie. Men kan de vraag stellen: Waarom heeft de Heere het licht van zijn Woord niet eerder laten doorbreken? Waarom heeft Hij onze voorouders zovele honderden jaren laten zitten in de afgodische duisternis van het pausdom? Waarom heeft de Heere zich wel over hun nageslacht en niet over hen ontfermd? Ons antwoord is: Hij is een absoluut Heere van hemel en aarde, en wie zijn wij dat wij zijn regering zouden berispen? Het.is hoogmoed en een gruwel Hem de wet te willen voorschrijven. Hij is absoluut vrij. Wij zijn maar nietige aardwormen... Tot zover het eerste gedeelte van deze preek.
Wij leren eruit, hoe Joos van Laren, onmiskenbaar een man van de Nadere Reformatie, gesproken heeft over de Reformatie. Zeer lovend en waarderend. Zonder een woord van kritiek. Bij hem vindt men nog niet wat men later aantreft bij onder andere Lodenstein, die de Reformatie in gebreke heeft gesteld, die meende dat de Reformatie wel een verbetering van de leer maar niet van het leven heeft gebracht.
Maar Joos van Laren stond ook nog maar aan het begin van de beweging die wij de Nadere Reformatie noemen. Zijn vader, die ook de voornaam Joos droeg, was in 1563 in Vlaanderen geboren. Toen leefde nog Calvijn. Toen stond de Reformatie in zijn geboorteland nog maar pas op doorbreken. Joos junior kan van zijn vader de verhalen gehoord hebben, hoeveel het de mensen kostte om met de kerk van Rome te breken. Hij wist van de zware offers die gebracht waren. Geen haar op zijn hoofd dacht er aan om de Reformatie, die nog maar zo kort geleden had plaatsgevonden, voor een halve aan te zien. Dat heeft pas een later geslacht kunnen doen, dat er verder vanaf stond.
Afkomst en levensloop
Wie was eigenlijk deze Joos van Laren? Wij hoorden al dat zijn vader uit Vlaanderen kwam. Deze Joos van Laren sr. was in 1582 tot de Gereformeerde Kerk overgegaan. Al spoedig ging hij zich voorbereiden op het predikambt. September 1583 hield hij zijn eerste preek in de Nicolaikerk te leperen. Daar werd hij predikant. Maar al spoedig moest hij de stad verlaten, omdat zij door Parma werd ingenomen. Na een tijd van zwerven kwam hij in Arnemuiden, daar werd hij op 15 september 1585 bevestigd. Hij bleef hier geruime tijd, nl. tot 8 augustus 1608, want op die datum werd hij bevestigd als predikant te Vlissingen, en daar bleef hij tot zijn dood op 24 oktober 1618. Uit het eerste huwelijk nu van deze predikant, met een zekere Mayken Knockaerts, werd zijn zoon Joos geboren, aan wie deze artikelen zijn gewijd. Die werd te Arnemuiden geboren op 27 februari 1586. De jonge Joos kreeg een gedegen opleiding. Hij kwam eerst op de latijnse school te Middelburg en elders en studeerde daarna vier en een half jaar theologie te Leiden en te Franeker. Te Franeker was de bekende Sibrandus Lubbertus een van zijn leermeesters. Als predikant kwam hij eerst te Ellewoutsdijk en Oudelande, waar hij van februari 1608 tot augustus 1610 bleef. Daarna stond hij ruim zes jaar te IJzendijke en drie jaar te Koudekerke. Van juli 1619 tot aan zijn dood op 6 oktober 1653 stond hij te Vlissingen. In totaal heeft hij dus meer dan 45 jaar de kerk gediend.
Van Laren had een uitgebreide familie. Hij had 11 broers en zusters. Verscheidene van hen werden predikant in het Zeeuwse land of, als het een zuster betrof, huwden met een predikant in Zeeland. Bovendien heeft hij ook zelf zoons gehad die predikant in Zeeland werden.
Onder een 'af-beeltsel' van Joos van Laren vinden wij het volgende rijmpje: Die met zijn Vader, en ses Broeders, als gesteenten, Cierden de Stoelen van acht bloeyende Gemeenten.
Van Laren is driemaal gehuwd geweest. Uit zijn tweede huwelijk had hij 13 kinderen en daar was ook weer een Joos bij.
Van Laren was een man die de studie niet heeft verwaarloosd. Dr. A. A. van Schelven heeft in een biografisch woordenboek (NNBW 4) een hele opsomming gegeven van zijn latijnse en zijn nederlandse werken. Zijn nederlandse werken verschenen onder de titel Alle de wercken in 1670 te Vlissingen (vorig jaar verscheen te Urk een herdruk). Het boek werd verzorgd door Abraham van Laren, een zoon van Joos, die een boekhandel had en in zijn geboortestad Vlissingen een man van aanzien was.
Alle de wercken bevatten: Twee-en vijftigh Predicatien, Spiegel voor het Vereenighde Nederlant, Het beloofde zaedt der vrouwe, en Verklaringhe over den Sesthienden Psalm.
Er is een afbeelding van Joos van Laren bewaard gebleven. Naar mijn gevoelen zijn daarin de trekken van de zuidelijke nederlander nog te herkennen: een wat spits gezicht en puntige baard. Toch is Van Laren een Zeeuw geworden. In heel het Zeeuwse land waren de Van Larens bekend en, naar wij aannemen, ook begeerd. Onder de afbeelding van Van Laren staan onder andere de woorden: 'is ook geweest een van de reviseurs van de nieuwe oversettinge des Bybels'. Inderdaad, die functie heeft Van Laren toegewezen gekregen op de Dordtse synode. Een bewijs dat zijn kennis met name van het Hebreeuws bekend was en hoog gewaardeerd werd. In de tijd dat Van Laren te Koudekerke stond was zijn elf jaar jongere broer Pieter enige tijd bij hem aan huis om zich beter te bekwamen in de talen. Ook dat is een bewijs dat Van Laren goed in de talen was. In zijn preken blijkt er hier en daar ook wat van, namelijk wanneer hij voor de gemeente een bepaald woord uit de tekst toelicht vanuit de grondtekst. Eén voorbeeld daarvan: In een preek over de tekst Jesaja 45, 19, waarin voorkomen de woorden: 'Ik heb tot het zaad van Jacob niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs' zegt van Laren: 'Het woord dat hier overgeset staet tevergeefs, beteekent in den gront-text eygentlijck woestigheyt'. Het is hetzelfde woord, zegt Van Laren vervolgens, dat ook staat in Genesis 1, 2 'En de aarde was woest'. Onze tekst kan men dus lezen als volgt: Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij als een woestigheid, als een wildernis, waarin nog vermaak, noch profijt, noch iets anders te vinden is, wat de mens zou mogen begeren. En dan voegt Van Laren er de mooie opmerking aan toe: De Heere wil niet als een dorre wildernis gezocht zijn. Hij is de algenoegzame en alleen zalige God, en wil degenen die Hem zoeken al zijn zaligheid deelachtig maken.
Steeds heeft Van Laren in al zijn preken deze methode gevolgd, dat hij eerst nauwgezet naging: Wat staat er? De exegese van de tekst gaat steeds voorop. Bij hem vindt men niet wat heden soms als een extra bewijs van bevindelijkheid wordt aangezien, dat men, zonder nauwgezette exegese, onmiddellijk in de toepassing stapt, die dan ook steeds stereotiep is. Steeds komt bij Van Laren de toepassing op uit de exegese. Zij gaat daar ook niet buiten. Zij is niet aan een (bevindelijk) schema gebonden. Men vindt bij hem ook nog niet die uitgebreide classificatie, in: onbekeerden, bekommerden, wedergeborenen, gelovigen, bevestigden enz., die men later aantreft. Er zijn voor Van Laren maar twee soorten mensen: gelovigen en ongelovigen. Hij spreekt steeds van christenen, en soms van ware christenen. De gemeente is bij hem ook nog een eenheid, al weet hij dat er ook onherborenen zijn. In de kenmerken die hij noemt is hij zeer sober, hij noemt er maar enkele en die hebben meest te maken met de heiligmaking. De heiligmaking, of wel de praktijk der godzaligheid, zat hem hoog. Daarin toonde hij zich een ware Vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie. Hij was een geestverwant van Willem Teellinck, die vlak bij hem in Middelburg stond. De mannen zullen ongetwijfeld elkaar menigmaal ontmoet hebben. Zij waren eensgeestes. Zie hier alvast een eerste indruk van Joos van Laren, de man wiens naam tot in verre geslachten aan de stad Vlissingen verbonden is geweest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's