De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Christelijke toekomstverwachting (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Christelijke toekomstverwachting (4)

11 minuten leestijd

Als principieel a-millenniarist zet W. J. Grier de argumenten op een rij die pleiten tegen een toekomstig duizendjarig rijk in deze bedeling.

Veelzeggend woordgebruik

Als principieel a-millenniarist zet W. J. Grier de argumenten op een rij die pleiten tegen een toekomstig duizendjarig rijk in deze bedeling. Hij wijst op enkele veelzeggende tijdsbepalingen in het Nieuwe Testament. Zo wordt de uitdrukking 'het laaste der dagen' gebruikt om daarmee aan te duiden de gehele periode tussen Christus' eerste komst en Zijn verschijning in heerlijkheid. (zie Hebr. 1 : 2; Hand. 2 : 17; Jacobus 5 : 3; 1 Petrus 1 : 20 enz.) Heel duidelijk is ook Hebr. 9 : 26: 'maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door de offerande van Zichzelf'. De periode waarin we nu leven is de laatste periode volgens Gods raadsplan. Wanneer het nu 'het laatste der dagen' is en wanneer de tijd van Christus' openbaarwording door de evangelieprediking, 'de voleinding der eeuwen' wordt genoemd, dan is het niet mogelijk nog weer een nieuw, duizend jaar omvattend, tijdperk in te schuiven vóór de jongste dag. Dit komt nog des te sterker uit wanneer we het nieuw-testamentisch spreken van de twee 'aeonen' er bij betrekken. Zo lezen we in Efeze 1:21 'niet alleen in deze wereld (aeon, tijdperk), maar ook in de toekomende'. Christus Zelf stelt ook tegenover elkaar de huidige aeon, waarin getrouwd wordt, en de toekomende aeon, dat is de opstanding uit de doden. 'Maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden' (Lukas 20 : 35). Er zijn maar twee aeonen - het huidig tijdsgewricht én de grote toekomst des Heeren. De scheidslijn is gegeven met de opstanding van de doden. De huidige aeon wordt nader gekwalificeerd als een boze tijd. Zo lezen we in Galaten 1:4: 'opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige, boze wereld (aeon), naar de wil van onze God en Vader'. Zou dan in deze boze aeon nog te verwachten zijn dat de hele wereld tot - althans uiterlijke erkenning van het evangelie zal komen? Of wordt daarmee de boog van de verwachting binnen, de geschiedenis te strak gespannen - en dat ten koste van het vurig verlangen naar Christus' glorierijke advent op de wolken? Pre-millenniaristen willen aan de termen parousia (komst, aanwezigheid) en apokalypsis (openbaring, onthulling) heel verschillende betekenissen toekennen. Parousia zou, evenals de uitdrukking 'de dag van Christus', van toepassing zijn op een verborgen onzichtbare, éérste wederkomst van Christus, die aan het einde van het duizendjarig rijk zou plaatsvinden! Apokalypsis (en 'de dag des Heeren', de dag van de kurios) zou dan zien op Zijn openbare verschijning na de grote verdrukking om de goddelozen te oordelen. Het kost echter weinig moeite om aan te tonen dat al deze termen onderling verwisselbaar zijn en op één en hetzelfde gebeuren, dat aan het einde van deze wereldtijd plaatsvindt, wijzen.

Veelzeggende werkelijkheid

In geestelijke zin zijn christenen reeds hemelburgers. Ze zijn hemelburgers op aarde. Dat is de werkelijkheid die geldt in Christus. Zo is het te lezen in Efeze 2 : 6: 'En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in de hemel in Christus Jezus' (vergelijk Efeze 1 : 3; Pil. 3 : 20; Col. 3 : 1-3). Uit de in Christus gegeven werkelijkheid vloeit het appèl voort: 'Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn'. Dit sluit een al te aards ingekleurde toekomstverwachting uit. Hoe kan een christenmens, wiens hart, als het goed is, bovenal uitgaat naar de ongestoorde gemeenschap met God, zich nog paaien met de verwachting van een paradijs op aarde. Wie werkelijk hemelburger op aarde is, verlangt geen hemel op deze oude aarde! Vanuit deze overwegingen stelt W. J. Grier de aardse inkleuring van de chiliastische verwachting - zoals bijvoorbeeld te vinden bij de vroeg-kerkelijke schrijver Papias - aan de kaak. Wanneer geleerd wordt dat in het millennium de zon helderder dan ooit zal schijnen en de graan-en vruchtenoogst de stoutste verwachtingen zal overtreffen, dan acht Grier dat maar een 'vleselijke' voorstelling van zaken, niet strokend met het geestelijk verlangen van de gelovige om 'altijd met de Heere te zijn'.

Veelzeggend onderwijs

Hoe heeft Christus Zelf gesproken over Zijn komst in heerlijkheid? In Mattheüs 13 zijn de gelijkenis van het onkruid en de tarwe en die van het visnet van bijzondere betekenis om deze vraag te beantwoorden. We lezen dat onkruid en tarwe samen moeten opgroeien tot de oogsttijd. Dan zal er een definitieve en volstrekte scheiding plaatsvinden tussen onkruid en tarwe, in de voleinding der wereld zal de Zoon des mensen zijn engelen uitzenden en deze zullen allen die de ongerechtigheid doen in de vurige oven werpen. Dan zullen de rechtvaardigen blinken gelijk de zon in het Koninkrijk van hun Vader. Maar wat is er nu te lezen in de kanttekeningen bij de 'Scofield Bible', een Engelse bijbeluitgave vanuit chiliastische kringen? Daar wordt de volgende dogmatisch bevooroordeelde 'uitleg' gegeven: Het bijeen verzamelen van het onkruid in bossen impliceert niet een onmiddellijk volgend oordeel'. Maar de Heere Jezus legt Zelf dat direkte verband wel degelijk! In vers 40 noemt Hij het vergaderen van het onkruid en de verbranding ervan met vuur, in één adem. De 'Scarfield Bible' moet hier echter koste wat het kost ruimte scheppen voor een uitstel van het eindgericht. Volgens de millenniaristen is met de oogst nog niet de jongste dag bedoeld, maar het begin van het duizendjarig rijk, waarin nog zeer vele onbekeerden zullen zijn die zich aan Christus' heerschappij geveinsdelijk onderwerpen. De bundels onkruid kunnen dus nog niet in het vuur geworpen zijn, maar moeten blijkbaar duizend jaar apart gelegd worden voordat ze worden verbrand. Dit is een verklaring die op zichzelf al zeer gekunsteld en onwaarschijnlijk voorkomt, maar bovendien met andere gelijkenissen en uitspraken van de Heiland in konflikt raakt. Te denken is bijvoorbeeld aan de gelijkenis van de tien ponden (Lukas 19 : 11-27). Bij de terugkomst van de Heer vindt onmiddellijk de bestraffing plaats van de luie slaaf. Ter verklaring voegt de Heere aan de gelijkenis toe: 'Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild dat ik over hen koning zou zijn, brengt ze hier en slaat ze hier voor mij dood'. Zo blijft er geen enkele vijand over die nog een tijdlang uiterlijk en noodgedwongen gehoorzaamheid zou bewijzen, om vervolgens in een laatste uitbarsting van vijandschap te revolteren en pas daarna definitief te worden geoordeeld. Telkens weer komt dit chiliastische toekomst-schema in strijd met het eenvoudige en niet mis te verstane onderwijs van Jezus. Vergelijken we hiermee maar eens de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden (Mattheüs 25 : 1-13). Wanneer de bruidegom is gekomen en de bruiloftszaal ingaan, gaat de deur op slot. De dwaze maagden komen te laat en bonzen tevergeefs op de deur. Zij blijven buitenstaanders. Opnieuw blijkt dat de komst van de Heere meteen ook de voleinding der eeuwen betekent. Er is daarna ook niet meer een 'tweede kans' op bekering. Grier noemt het een van de kwalijkste kanten in de leer van vele pre-millenniaristen dat erin hun toekomst-schema ruimte is voor een 'tweede kans'. Zij die tot aan de eerste (ontzichtbare) wederkomst van Christus onbekeerd zijn gebleven, kunnen tijdens de grote verdrukking alsnog behouden worden. Dit neemt veel klem en kracht weg van de vermaning om heden bereid te zijn voor de ontmoeting met Hem die komt om te oordelen de levenden en de doden.

In het tekstwoord Mattheüs 24 : 40: 'Als dan zullen er twee op de akker zijn, de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden', wordt wel een aanwijzing gezien van de ontrukking van de uitverkorenen voordat de grote verdrukking een aanvang neemt. We zouden het ons dan zó moeten voorstellen dat de éne akkerman tot hemelse heerlijkheid wordt bevorderd, terwijl de andere landbouwer zijn werk - zij het ongetwijfeld verwonderd en verontrust - voortzet. Degene die 'verlaten', 'achtergelaten' wordt, zou dus nog een tijdlang (zeven jaar) op aarde blijven en eerst daarna zou hij of zij geoordeeld worden op de jongste dag. Tegenover deze spitsvondige beschouwingen is te wijzen op het tekstverband. De Heere Jezus trekt de vergelijking met de dagen van Noach en met de zondvloed. Die zondvloed is bepaald niet in een hoek geschied, maar was een openlijke en wereldwijde katastrofe. Noach en de zijnen werden aangenomen, de ongelovige en onboetvaardige wereld werd gestraft. Zó zal het nu ook zijn bij de komst van de Heere. Dat zal niet een verborgen komst zijn, die door de ongelovige slechts op indirekte wijze (namelijk door het verdwijnen van de gelovigen) zou worden opgemerkt. 'Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alszo zal ook de toekomst van de Zoon des mensen wezen' (Mattheüs 24 : 27; zie ook vers 30 en 31).

In Mattheüs 25 wordt geschilderd hoe alle naties voor Christus' troon worden verzameld en vervolgens gescheiden in twee groepen: de schapen aan Zijn rechterhand en de bokken aan Zijn linkerhand. De schapen ontvangen eeuwig leven, de bokken eeuwige straf. De onbevooroordeelde bijbellezer ziet in dat tekstgedeelte (vs. 31-46) een aanwijzing hoe het zal toegaan in het laatste oordeel. Maar vele pre-millenniaristen bieden een sterk af­ wijkende verklaring. In de boven reeds genoemde 'Scofield Bible' wordt beklemtoond dat het hier het oordeel over naties als bestaande, levende volkeren betreft. De maatstaf die in dit oordeel wordt gehanteerd zou dan zijn: de wijze waarop de verschillende naties het Joodse overblijfsel hebben behandeld, toen deze tot Christus bekeerde 'rest' het evangelie aan de volkeren predikte gedurende de grote verdrukking.

Maar wie heel de pericoop op zich in laat werken, kan moeilijk vasthouden aan de gedachte dat hier niet individuen, maar uitsluitend naties als naties geoordeeld zouden worden. Hoe moeten we het dan opvatten dat een natie als zodanig gaat in de eeuwige pijn of in het eeuwige leven? (vs. 46). En wat moeten we ons voorstellen bij een natie die zieken of gevangenen opzoekt in hun kamer of cel? In feite is er een opmerkelijke overeenkomst te konstateren tussen dit gedeelte uit Mattheüs 25 en de beschrijving van het laatste oordeel in Openbaring 20 : 11-15. In beide tekstgedeelten wordt gewezen op het universele karakter van het gericht én op de betekenis van de werken als maatstaf van het gericht. Het gaat dan om die werken die getuigenis afleggen van het ware geloof, zoals goede vruchten bewijzen dat de boom zélf goed is (vergelijk Mattheüs 16 : 27 en Johannes 5 : 28, 29).

Samenvatting en kommentaar

Grier doet er goed aan in zijn beoordeling van het chiliasme eerste brede aandacht te geven aan het getuigenis van Jezus zelf en van de apostelen, voordat hij zich wendt tot hét lievelingshoofdstuk van alle chiliasten, pre-en postmillenniaristen, namelijk Openbaring 20. Een zeer omstreden en niet eenvoudig te duiden tekstgedeelte als Openbaring zo moet immers in het licht van andere schriftgedeelten verklaard worden. Met de stukken toont Grier aan dat vele aanhangers van het chilias­me hier een omgekeerde weg bewandelen. Zij hebben de neiging alles wat de bijbel over de toekomst zegt, te interpreteren vanuit hun visie op Openbaring 20. Dat moet dan wel leiden tot een gewrongen 'verklaring' van allerlei tekstgedeelten, zoals we daarvan enkele voorbeelden hebben gezien. Hiertegenover steekt de nuchtere tekstverklaring van Grier gunstig af. Toch loopt ook hij een bepaald gevaar, namelijk om in reaktie op een nogal materieel getinte toekomstverwachting tot spiritualisering te vervallen. De gelovige is inderdaad hemelburger, maar op grond van Gods eigen toezeggingen heeft hij of zij verwachting voor deze aarde. De Heere zal het werk van Zijn handen in de schepping niet prijsgeven. Zo mag naar Zijn belofte een nieuwe hemel en een nieuwe aarde worden verwacht. Dat betekent dat het in de toekomstverwachting van de Christelijke Kerk niet alleen gaat om de beperkte horizon van het leven na dit leven en de volkomen gemeenschap met God. Maar ook om de weidse horizon van een geheel nieuw samenstel der dingen, een kosmische vernieuwing, een bevrijding van de, schepping uit de barensnood en uit de vanwege de zonde opgelegde slavernij. We zijn niet gediend met een spirituele, éénzijdig versmallende heilsverwachting, die geen recht vermag te doen aan de volheid en de omvattendheid van het heil in Jezus Christus. Voorlopig noteren we dat we toch meer van het chiliasme kunnen leren dan Grier ons wil doen geloven. Maar we realiseren ons tegelijkertijd dat de hoop voor de aarde vervuld wordt door de breuklijn, ja door het nulpunt van de grote wereldbrand heen. De elementen zullen brandende versmelten en dan zal door Gods herschepping alles nieuw zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Christelijke toekomstverwachting (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's