De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Joos van Laren (1586-1653) (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Joos van Laren (1586-1653) (2)

9 minuten leestijd

Al was Joos van Laren een predikant die zijn hoorders met veel aandrang de de praktijk der godzaligheid onder ogen bracht, dat wil niet zeggen dat de zuivere leer hem onverschillig was.

De zuivere leer

Al was Joos van Laren, zoals wij al hoorden, als man van de Nadere Reformatie een predikant die zijn hoorders met veel aandrang de praxis pietatis, de praktijk der godzaligheid onder ogen bracht, dat wil niet zeggen dat de zuivere leer hem onverschillig was. Van Laren was gereformeerd, en hij was dat uit overtuiging. Hij gaf er ook blijk van. Hij waarschuwde zijn gemeenteleden herhaaldelijk voor de dwalingen van het pausdom, en sprak dan over 'die van het pausdom' of over de 'papisten', en verder ook voor de dwalingen van de socinianen, en (soms in bedekte termen) die van de remonstranten. In een van zijn preken kwamen wij ook de naam van Overigens tegen en diens leer van de alverzoening, die uiteraard door Van Laren ook werd afgewezen. En tenslotte, ook Turken en Joden worden door hem genoemd.

Wat Van Laren in zijn preken tegen het pausdom heeft ingebracht is teveel om op te noemen, wij volstaan met een korte aanduiding. Ergens zegt hij: de papisten ratelen veel over goede werken; zij lijken er goede vrienden van te zijn, maar vergis u niet, want er zijn in feite geen groter vijanden van de goede werken dan juist de papisten, zij onthouden de gemeente immers de enige en onbedriegelijke regel en toetssteen van de goede werken: het Woord Gods. En dan maakt Van Laren een opmerking die hem wel zeer typeert, hij zegt: En zij verbieden het volk de Heilige Schrift te lezen in hun 'moederlicke tale'. Hier hoort men de man van de Statenvertaling spreken! De reviseur, wien er zoveel aan gelegen was dat het volk Gods Woord in zuiver nederlands zou kunnen lezen. In dezelfde preek wraakt Van Laren het ook, dat de papisten het gezag van de kerk stellen boven het gezag van Gods Woord. Zij zijn daardoor dwaas en blind, zegt hij. Elders spreekt hij een categorisch oordeel uit over heel de roomse kerk. De paapse kerk, zegt hij, is een afvallige hoer. Onbeschaamd is zij in haar ongehoorzaamheid aan Christus. Als Christus zegt, dat het avondmaal gevierd moet worden met brood en wijn, dan matigt de paapse kerk zich aan de wijn aan het volk te onthouden. Elders, waar hij het eveneens over het avondmaal heeft, zegt hij: de papisten zijn niet tevreden met de eenvoudige instelling van Christus, zij hebben aan het avondmaal zoveel afgedaan en er ook zoveel aan toegevoegd, dat het meer op een comediespel gelijkt dan op Christus' heilige instelling. Al het uiterlijk vertoon der papisten in hun religie was Van Laren een doorn in het oog. Het is alleen maar aangenaam voor het vlees, zegt hij, nut zit er niet in. Als een wonder en rijke gave Gods ziet Van Laren het, dat de kerk uit het diensthuis van Rome is uitgeleid. Steeds komt hij er op terug, hoezeer de vaderen gevangen zaten in de duisternis, en hoe God toen het licht van het evangelie heeft doen opgaan.

Toen na het sluiten van de vrede te Munster, er een tijd van vrede aanbrak, konden velen in de Nederlanden hun nieuwsgierigheid niet bedwingen; zij trokken naar België om daar allerlei roomse optochten en ceremoniën te bezien. Het was een doorn in de ogen van Van Laren. Evenals in de ogen van Willem Teellinck, die al eerder, namelijk tijdens het Twaalfjarig Bestand in 1611, toen hetzelfde verschijnsel zich voordeed, daar de staf over had gebroken in zijn 'Ontdeckinge des vermomden Balaams'. Van Laren wijdde er op 30 augustus 1648 in de Grote Kerk te Vlissingen een preek aan. Eindelijk, zegt hij in deze preek, kregen wij de vrede. En zie daar, nauwelijks is het vrede of de mensen begeven zich met menigten naar de afgodische feesten der roomsen, om de optochten, processies, beelden enz. te zien. Hier zit de duivel achter. En dan vermaant Van Laren het volk om toch niet zo dwaas te zijn. Hij vermaant de jongelui toch niet te trouwen met een rooms meisje of een roomse jongen, ook niet mee te gaan naar de roomse kerken.

Het waren de leringen en de praktijken van de roomse kerk beide waartegen Van Laren als goed gereformeerd predikant zijn ernstige bezwaren uitte.

Wij noemden ook de socinianen. Aan hun leringen heeft hij niet veel aandacht geschonken in zijn preken, maar wel noemt hij ze af en toe. Wij vermoeden dat zij in Zeeland in die tijd geen bedreiging voor de kerk hebben betekend. Met de arminianen ofwel remonstranten was het enigszins anders. Zeeland was tijdens de remonstrantse twisten gereformeerd gebleven. Maar de strijd was uiteraard óok langs deze provincie niet geheel heengegaan. De verkiezingsleer der remonstranten heeft Van Laren vanaf de kansel bestreden. Met name hun leer van een verkiezing om een voorgezien geloof, en verder ook hun leer, dat de mens zich uit eigen kracht tot God bekeren kan. In een preek over Johannes 6, 44 'Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten uiterste dage' bestrijdt Van Laren de remonstranten (zonder hen bij name te noemen), onder andere met deze woorden: Onze tegenpartijders zeggen: Maar waarom roept de Heere God dan de mensen door zijn Woord als zij toch niet horen kunnen? En als God weet dat zij niet horen kunnen, waarom verzwaart Hij dan toch de verdoemenis van deze arme mensen door ze te roepen? Het antwoord van Van Laren is: zij willen ook niet komen. Er is niet alleen onmacht in het spel, maar ook onwil. En verder: men mag niet met God twisten, hij heeft zijn eigen redenen; voor ons geldt alleen, dat wij alles moeten verzaken en tot Christus komen.

Ook de Turken komen in Van Larens preken voor. Soms zegt hij: Wij leven niet onder de Turken en Tartaren. Met andere woorden: Laten wij beseffen hoeveel de Heere ons geschonken heeft. Wij zijn hoog bevoorrecht. Hij stelt de gemeente dat voor als een argument om toch als christenen te leven.

Wat de Joden betreft, die komen één keer in zijn preken voor. De tekst gaat over Mattheus 12, 43-45, waar de Heere Jezus spreekt over de onreine geest die uitgegaan is en dan met zeven andere geesten, bozer dan hijzelf is, terugkeert zodat het laatste van die mens erger wordt dan het eerste.

Dit nu past Van Laren op de Joden toe. Hij zegt: De Joden zijn zeer ellendige mensen. Zij zijn verworpen. Laten wij God voor hen bidden; als zij zich bekeren dan zal God ze weer aannemen. In hun synagogen doen zij niets dan schelden, vloeken en lasteren de Zoon van God. Hun laatste is erger geworden dan hun eerste. Zij zijn door ergere geesten bezeten. Laten wij medelijden met hen hebben.

Reeds dit alles bewijst hoe van Laren, al was hij een man van wat hijzelf noemt de 'oeffeninge der godsaligheydt', geijverd heeft voor de gereformeerde leer. De ijver voor het een stond bij hem niet in tegenstelling tot de ijver voor het ander.

Lust tot studie

Onafscheidelijk daarmee verbonden is bij Van Laren de ijver en lust tot studie. In een preek gehouden op 29 mei 1632 over de tekst 1 Thessalonicensen 5, 19 'Blust de Geest niet uit' zegt hij: De Geest uitblussen, dat kunnen ook de dienaren des Woords doen, namelijk wanneer hun preken slap en flauwtjes zijn. Wanneer zij, zegt Van Laren, hun studiën niet getrouw waarnemen, en verder ook als zij niet godvruchtig leven. Wat verderop: Laten de dienaren des Woords hun gaven opwekken, hun studiën waarnemen, om met kracht te kunnen preken. En dan richt Van Laren zich tot de gemeente met de woorden: Laten de leden der gemeente hun leraren niet al lastig vallen, met hier een ruzie te moeten bijleggen, daar een zieke te moeten bezoeken, en ginds weer wat anders te moeten doen. Dat alles is weliswaar, zegt Van Laren, het werk van de dienaren van het Woord Gods, maar de leden der gemeente zelf moeten er ook in bezig zijn, zij mogen niet alles afschuiven op de nek van de dienaren des Woords.

Ongeveer hetzelfde komen wij tegen in een preek die door Van Laren gehouden is toen hij zijn zoon David op 27 juni 1649 bevestigde als predikant te Oost-Souburg. Het was Davids tweede gemeente, hij had gedurende een jaar gestaan te Zuiddorpe. Hij was nog jong, toen hij te Oost-Souburg kwam nog maar 22 jaar. De gemeente heeft hem niet lang mogen hebben. Hij stond nog geen 3 maanden in zijn nieuwe gemeente toen hij al overleed. Hij werd in Vlissingen begraven; het zal voor zijn vader een hele slag zijn geweest.

De bevestigingspreek gmg over 2 Korinthe 2, 16, waar wij lezen dat het Woord Gods een reuke des doods ten dode is en een reuke des levens ten leven. De bediening van het Woord Gods, zo hield de oude Van Laren zijn zoon voor, is het grootste en moeilijkste werk dat er ter wereld is. En dan haalt hij een woord aan van de middeleeuwer Bernard van Clairveau: De schouders der engelen kunnen dit werk, deze last nauwelijks dragen. De dienaren moeten wachters zijn over de gehele gemeente. Gunst en lof van mensen mogen zij niet zoeken. Zij mogen niet zich bezighouden met enig handwerk te doen of handel te drijven, zij moeten zich geheel aan hun taak kunnen wijden. En zij moeten ook, zegt Van Laren, studeren! Hij voegt er evenwel aan toe: Niet om zich daarop te verlaten. Onze bekwaamheid is uit God. Met andere woorden: Er zit ook een gevaar in studie en geleerdheid, namelijk, dat men erop gaat vertrouwen, en dat men vergeet dat alles van de Heere God moet komen.

Niettemin: studie is en blijft vereist. De Geest mag niet worden uitgeblust. In de dienaar zelf niet, en ook niet in de gemeente, en het een is met het ander op het allernauwste verbonden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Joos van Laren (1586-1653) (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's