De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Het spreken van de kerk

In het blad Christen Democratische Verkenningen (mei 1982) geeft prof. dr. H. N. Ridderbos een bespreking van het rapport van de deputaten voor advies inzake het gezag van kerkelijke uitspraken over samenlevingsvraagstukken aan de Synode van de Geref. Kerken. Ridderbos spreekt van een oud strijdpunt. Hij wijst erop hoe van oudsher de Geref. Kerken in onderscheid van de visie van vele Hervormden de taak van het kerkelijk ambt en de kerkelijke vergaderingen begrensd gezien hebben en meer gericht waren op de mondigheid van de gemeenteleden middels eigen chr. organisaties. In later tijd is men ook in de Geref. Kerken de taak van kerkelijke vergaderingen ruimer gaan zien. In 1971 sprak de Synode uit dat de kerk open moest staan voor deelname aan het maatschappelijk gesprek en kritisch moet spreken vanuit Gods eisen en beloften. In onze tijd veroorzaakt juist deze vraag wel discussie:

Toch kan niet gezegd worden, dat hiermee de zaak van het "spreken van de kerk'' op een allen bevredigende wijze was geregeld. Enerzijds weerklinken steeds luider de stemmen die zeggen dat de kerk zich veel directer en' 'radicaler'' met de politiek en de maatschappij moet bemoeien. Er zijn - en niet alleen in de Gereformeerde Kerken - velen, die de kerk (in haar institutionele organen) in dit opzicht laksheid, geïntroverteerdheid etc. verwijten, haar de rug toekeren en in 'basis'-groepen de huns inziens door de kerk verwaarloosde actieve deelneming in het maatschappelijk gebeuren op zich nemen. Anderen blijven nog in de kerk en zien in haar een potentiële machtige bondgenoot voor hun polidek en maatschappelijk streven, maar willen dan ook dat het kerkelijk instituut in die zin wordt 'omgeturnd'. Een belangrijke mede-oorzaak in dit alles is, dat de oude 'werkverdeling' tussen kerk en christelijke organisaties reeds lang niet meer voldoet, omdat velen in de laatste geen weerklank vinden voor hun dikwijls radicale maatschappijkritiek. Daarom zal voor hun besef het "authentiek"-christelijke woord in staat en maatschappij - indien daarvan nog sprake kan zijn in deze wereld en indien de kerk nog een toekomst zal hebben - van de kerk moeten komen. Maar dan ook niet weer in de algemeenheden die iedereen reeds kent, maar in het duidelijk en onbewimpeld partij kiezen in hetgeen er op de politieke en maatschappelijke dagorde staat.

Het eigenaardige verschijnsel doet zich daarbij voor, dat terwijl inconfessioneel opzicht in de kerk een steeds grotere tolerantie en een pluralistisch denken in geloofszaken wordt bepleit, van dezelfde zijde de kerkelijke vergaderingen in politiekmaatschappelijk opzicht onder steeds sterker druk worden gezet zich niet vrijblijvend en vrij-Iatend op te stellen, zich niet door achterblijvende minoriteiten te laten ophouden, maar, zonder eerst de hoofden te tellen, op de wijze van de profetie de tegenstand te overstemmen en terecht te wijzen.'

Een en ander leidt tot felle tegenstellingen en de vraag komt boven: Welke waarde moet men toekennen aan het spreken van een synode als dit geschiedt met een krappe meerderheid. Omgekeerd is er de vraag of de kerk dan achter de ontwikkeling moet aanlopen.

Ten aanzien van het geref. rapport wijst Ridderbos erop dat het kerkelijk ambt nooit het handelen van de gemeenteleden mag vervangen. Ambtsdragers hebben juist door de verkondiging die opkomt uit en gedragen wordt door de Schriften invloed op het samenlevingsgebeuren. De betrokkenheid vanuit de prediking is van meer waarde dan het te pas en te onpas allerlei politieke uitspraken doen.

Evangelie en politiek

Behartigenswaardige dingen worden gezegd over de relatie tussen evangelie en politiek.

Dat de overheid het recht moet bestellen en een schild moet zijn voor armen en verdrukten is zowel uit het oogpunt van de politiek als dat van het evangelie voor geen tweeërlei uitleg vatbaar. Maar ook al zou daaraan redelijkerwijze worden voldaan en zou de overheid haar taak vervullen, het recht 'betrachten en niet verkrachten' (enz., zie Jes. 5), dan nog is het er ver vandaan als zou de evidentie, de 'logica', de radicaliteit van het evangelie zich kunnen laten vertalen in de wetten van de overheid of in een daarop gerichte 'christelijke' politiek. Dat ligt niet alleen aan de 'smalle marges' van een pluriforme demcoratie, maar veel meer aan de onvoorstelbare weerbarstigheid van de werkelijkheid, waarin de overheid moet opereren. Denk aan het oorlogs-en bewapeningsvraagstuk. Wie van de kerk eist daarover vanuit de logica en de radicaliteit van het evangelie tot de overheid te spreken, treedt buiten de politiek en ook buiten hetgeen men op grond van het Woord van God van de overheid mag verlangen. En toch kan (en mag) het mensdom binnen en buiten de kerk zich bij die 'gegeven' situatie niet neerleggen. Dat gebeurt dan ook niet. Vandaar het ongeduld van de demonstrerende massa op straat, vandaar de roep om radicale 'evangelische' politiek; vandaar ook de spanning en confrontatie in dé kerk zelf over de vraag wat in deze zaken nu, al dan niet, als de evidentie van het evangelie en het Gebot der Stunde kan gelden; vandaar ook het gevaar van de explosie in de kerk (zoals prof. Kuitert het zonder overdrijving heeft genoemd), wanneer met meerderheid van stemmen kerkelijke vergaderingen hierin beslissingen zouden nemen.'

Kerkelijke vergaderingen kunnen, net zo min als de gemeente, deze spanning ontlopen. Wij leven tussen het 'reeds' en het 'nog niet'. Dat geeft aan het christelijk bestaan een stuk dubbelzinnigheid die men niet zomaar kan oplossen. Ridderbos waarschuwt voor vooruitgrijpen:

'En dat geldt in dubbele mate als de kerk wil meespreken in wat 'de politiek' moet doen in allerlei onvoorstelbare problemen van de nationale en internationale samenleving. Sommigen schijnen wel te menen, dat juist aan de overheid alle radicale eisen gesteld kunnen worden, alsof die de knop van de deur naar de heilsstaat in handen had, terwijl zij op haar best de waarden van het leven kan beschermen, als de laatste barrière tegenover de overal opdringende chaos.

Of dan de kerk - ambtelijk of niet ambtelijk, want dat maakt ten diepste het verschil niet uit - niet iets méér mee te brengen heeft in de maatschappelijke en politieke vragen dan algemene 'wereldse' wijsheid van beraad, berekening en rationaliteit bij het terugdringen van het kwaad? Laat ons beginnen met te constateren dat ook de 'de wereld' nog iets meer meebrengt dan dit pragmatisme. Niet minder onvrede met de status quo, ongeduld, getemperd en ongetemperd, ja 'messiaans' verlangen, op wat voor radicaal verschillende wijzen dat ook tot uiting komt. Want - zegt het Nieuwe Testament - : het ganse schepsel ziet met reikhalzend verlangen uit naar die 'openbaring'. Maar - inderdaad - er is wel verschil in die inbreng, verschil in motivatie, verschil in uitzicht, verschil in beschouwing van mens en wereld. Als de kerk uit haar geloof leeft en handelt, ook in de politiek, doet zij dit niet op grond van haar optimisme ten aanzien van de mens of van een utopische beschouwing van de maatschappij. Zij is daartegen al te nadrukkelijk gewaarschuwd. Zij kan het alléén doen op grond van haar geloof, dat God de wereld niet heeft losgelaten en, in Jezus Christus, niet zal loslaten en dat er daarom ook voor deze wereld meer te verwachten is dan men op grond van de 'weerbarstigheid' eigenlijk nog zou kunnen verwachten. Ook in het atoomtijdperk, ook als de machten de mens over het hoofd schijnen te groeien en oncontroleerbaar schijnen. Daarom zal een christen de politieke en maatschappelijke vragen nooit buiten zijn geloof kunnen houden, maar er veeleer uit dat geloof op ingaan, ook al weet hij, dat hij daar geen 'christelijke' wonderen kan verrichten of verwachten; dat zijn geloof daar niet enkel of in de eerste plaats in het ongeduld, maar ook in het geduld, niet alleen in het lanceren van grote toekomst-projecties, maar vooral ook in het doen van kleine en voorzichtige stappen moet bestaan, in het brandend houden van de (kleine) vlam van de hoop. Maar dan toch altijd met de innerlijke weigering zich neer te leggen bij wat thans haalbaar is en met de vindingrijkheid van de hoop om in de ondoorzichtigheid van het menselijk bestaan toch telkens weer uitzichten te openen en nieuwe wegen te vinden.'

Juist daartoe dienen de kerkelijke vergaderingen hun leden toe te rusten. Het is en blijft een uitermate gecompliceerd vraagstuk. Maar de teneur van Ridderbos' artikel onderschrijf ik. De kerk heeft een woord voor over heden en machten, omdat haar de prediking van het Woord is toevertrouwd. Maar daarmee kan zij geen program bieden tot oplossing van alle politieke en maatschappelijke vragen. Behoedzaamheid en bescheidenheid passen ons. Zo alleen zullen we met vrijmoedigheid het Woord kunnen spreken onder de tucht van de Geest die de kerk in alle waarheid wil leiden. Dan wordt ze niet partij onder de partijen, maar getuigt ze ten overstaan van alle partijen en machten van het Koningschap van Hem aan wie gegeven is alle macht in hemel en op aarde.

***

Het Gereformeerd Weekblad

Vele malen is in deze kolommen het Geref. Weekblad (uitgave Kok, Kampen) aan het woord gekomen, door overname van gedeelten van artikelen. Met name de bijdragen van H. N. Ridderbos zijn regelmatig geciteerd. Op 25 juni is het laatste nummer verschenen. Financiële en commerciële redenen dwingen de uitgever de uitgave te staken. Het leek me passend om uit dit laatste nummer een gedeelte over te nemen. Het is een bijdrage van dr. A. A. Spijkerboer die vertelt wat het GW voor hem vanaf de zestiger jaren betekend heeft. Hij spreekt over de storm die in de zestiger jaren opstak.

'Er werd geroepen dat er een Reformatie aan de gang was die net zo ingrijpend was als die van de zestiende eeuw, en ik spitste mijn oren. Want van de Reformatie wist ik dat zij het enige, waar een mens echt van kan leven, namelijk de rechtvaardiging van de goddeloze, met grote kracht had gepreekt. Maar in wat ik in de jaren zestig hoorde en zag gebeuren kon ik geen overeenstemming met de Reformatie van de zestiende eeuw ontdekken. De strijd van de Belijdende Kerk in Duitsland in de jaren dertig, met Barth, Niemöller, Bonhoeffer, Iwand, Heinemann en niet te vergeten de Barmer Thesen, was een zuivere analogie van de zestiende-eeuwse Reformatie, maar dit: leeglopende kloosters, priesters die in het huwelijk traden, gemeenschappelijke vieringen van de eucharistie op barricades in Parijs, rebellie in de Rooms-Katholieke Kerk, rebellie ook in de Gereformeerde Kerken - was echt iets anders.

Ik keek ook rond in mijn eigen kerk. Ach, de Nederlandse Hervormde Kerk had in 1952, bij de aanvaarding van haar nieuwe kerkorde, zo monter verklaard dat ze temidden van ons volk Jezus Christus, in gemeenschap met de belijdenis van de vaderen, als Heer zou belijden. Maar wanneer ik de hervormden bezig zag, dacht ik:  'Ze zouden de Heidelbergse Catechismus het liefst ergens tussen de bosjes weggooien.'
In die jaren viel mijn oog op het Gereformeerd Weekblad en ik sloeg het op met de vraag: zouden degenen die de vaderlandse kerk terwille van de belijdenis verlaten hebben, dan nog weten van de Reformatie? Is hier dan nog iets te horen van het enige, waarvan een mens leven kan?

Ik ben daarin als lezer van het Gereformeerd Weekblad niet teleurgesteld. Wat Luther tot op de huidige dag te zeggen heeft was in dit blad te horen. Er zijn natuurlijk een heleboel Luthers in omloop. Er is een confessionele Luther, maar dat is de echte niet. Er is een Luther, die helemaal in de ervaring van de menselijke ziel getrokken wordt, en dat is ook de echte niet. Dan is er nog een Luther, die aan zijn haren naar ieder kerkelijk opstootje gesleept wordt, en dat is een grap. De echte Luther heeft zijn zestiende-eeuwse misvattingen en dwalingen (het rabiate anti-semitisme van zijn oude dag!) achter zich gelaten en is op de synode van Barmen in 1934 weer opgedoken om het anti-Semitische heidendom uit de kerk te weren. De echte Luther verscheen ook weleens in de kolommen van het Gereformeerd Weekblad.

Misschien sleept mijn fantasie mij mee, maar ik stel me voor dat met name de mensen van de Afscheiding verstild rondom hun catechismus en hun psalmboek hebben geleefd. Er ligt een enorme kracht in dit verstilde leven: er komen zoveel gave, wijze en eenvoudige mensen uit voort. Het kan toch ook niet toevallig zijn, dat in de bezettingstijd juist zoveel gereformeerde mensen in het verzet zijn gegaan: joden hebben geholpen, distributiekantoren hebben gekraakt en als het moest met wapens op de nazi's zijn afgegaan. Dat dit verstilde leven niet dood is en onderhouden wordt was ook in het Gereformeerd Weekblad te merken. Niet dat ik alles mooi vond: het onderscheid tussen een algemene en bijzondere openbaring heeft me altijd een absurditeit geleken. Als je de openbaring tenminste ziet als een daad van God in de geschiedenis, en ik denk dat je die zo moet zien. Hoe kan er dan sprake zijn van een soort geestelijk fluïdum dat zijn sporen achterlaat in iedere menselijke ziel? Want veel meer dan dat kan ik me bij de algemene openbaring niet voorstellen. De openbaring, de uittocht uit Egypte en de kruisiging en de opstanding van Jezus Christus, is toch altijd bijzonder, en die moet je toch aangezegd worden?'

Ook ik stel er prijs op uit te spreken dat ik menigmaal geboeid ben door knappe en indringende bijdragen in dit blad. Het peil van de artikelen was doorgaans hoog. Wellicht wat te moeilijk voor het doorsnee gemeentelid, niet gewend aan het theologisch jargon. Voor mij vormden de eerste kennismaking met dit blad de meditaties van prof. dr. J. H. Bavinck en zoals al gezegd de artikelen van Berkouwer en Ridderbos. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat het blad me de laatste jaren toch soms wat teleurstelde. Ik had ook het gevoel dat het niet meer de breedte van de Geref. Kerken vertegenwoordigde. Het zou een boeiende zaak zijn aan de hand van artikelen en thema's die gedurende deze jaren behandeld zijn eens na te gaan in hoeverre de ontwikkeling van de Geref. Kerken zich in de inhoud van dit blad weerspiegelde. Enfin, het afscheid is daar. Wij kijken met belangstelling uit naar het nieuwe blad dat Kok in het vooruitzicht gesteld heeft en dat in september gaat verschijnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's