Oude paden op het kerkelijk erf (1)
Vraagt naar de oude paden, waar toch de rechte weg zij!
Oude paden
Vraagt naar de oude paden, waar toch de rechte weg zij!
Enkele oude paden op het kerkelijk erf willen we aanwijzen. Wanneer we dan in de geest onze vaderen op die oude paden zien gaan, is het niet onmogelijk, dat we onze ogen uitwrijven en we opgeroepen worden tot bezinning. We zullen dan tot de conclusie komen, dat we ons op verschillende punten hebben te herzien, omdat onze kerkelijke praktijk vaak niet in overeenstemming is met de voorbeelden, die onze vaderen ons gaven; niet in overeenstemming met de maatstaven van Gods Woord en van de Belijdenisgeschriften onzer kerk. Die oude paden in ogenschouw nemend, zullen we in aanraking komen met de praktijk van onze vaderen ten opzichte van de prediking, het Verbond der genade, de jeugd der gemeente, het afleggen van belijdenis en het Heilig Avondmaal. Deze zaken zijn alle zeer nauw aan elkaar verbonden en lopen als het ware door elkaar heen. Vanzelfsprekend kunnen we thans de verschillende zaken slechts even aanstippen, doch ze zijn waard naarstig onderzocht te worden in het licht van Gods Woord en de belijdenisgeschriften der kerk.
Heilig Avondmaal
Wanneer we de lnstitutie van Calvijn opslaan, dan bemerken we daaruit dat hij, in overeenstemming met de oude kerk, als norm stelde, dat alle belijdende lidmaten deel behoren te nemen aan het Heilig Avondmaal. Hieruit volgt dus tevens, dat volgens Calvijn allen, die belijdenis des geloofs afleggen, vanaf dat ogenblik de gang naar het Heilig Avondmaal regelmatig dienen te maken.
Hier hebben we al direct een zaak, die ons tot ernstige bezinning roept. Want deze oude paden worden in onze gemeenten ten opzichte van het afleggen van de belijdenis des geloofs en het aangaan der gemeente aan het Heilig Avondmaal, schier niet meer bewandeld. Wij, die toch enigszins ons er op laten voorstaan, dat we de oude paden wensen te bewandelen, komen tot de ontdekking dat we deze hebben verlaten en nieuwe paden gekozen hebben. Nieuwe paden, waarop ongetwijfeld de apostelen en de reformatoren ons niet zouden voorgaan. Integendeel. Waarschuwend zouden we de vinger moeten opsteken en uitroepen: terug tot de oude paden. We hopen hierop straks nader in te gaan.
Calvijn
Vooraf willen we Calvijn zelf eerst het woord geven. Hieruit zal blijken, dat hetgeen we hierboven tot uitdrukking brachten, een juiste weergave is van hetgeen Calvijn overeenkomstig Gods Woord leerde en voorstond.
Hoe wenste Calvijn dat het Avondmaal bediend zou worden? In zijn Institutie beschrijft hij dit als volgt:
'Men beginne met openbaar gebed; dan worde de predicatie gehouden; daarna vermelde de dienaar, nadat het brood en de wijn op Tafel gezet is, de instelling van het Heilig Avondmaal; vervolgens verkondige hij de beloften, die ons er in zijn nagelaten; tevens sluite hij hen van de gemeenschap uit, die door het verbod des Heeren van het Avondmaal afgehouden worden; daarna bidde men, dat de Heere, evenals Hij door Zijn milddadigheid van dit heilig voedsel geschonken heeft, ons ook onderrichte en vorme om het met geloof en dankbaarheid des harten te ontvangen en dat Hij, aangezien we van onszelf onwaardig zijn, door Zijn barmhartigheid ons zulk een maaltijd waardig make. Dan zinge men psalmen of leze men iets en nemen de gelovigen in passende orde aan de heilige maaltijd deel, terwijl de dienaren het brood breken en aan het volk uitreiken. Wanneer het Avondmaal beëindigd is, vermane men het volk tot oprecht geloof en tot belijdenis des geloofs, tot liefde en een leven de christen waardig. Tenslotte zegge men dank en zinge Gods lof. Als dit beëindigd is late men de gemeente gaan in vrede'.
We horen hierin hoe door de dienaren aan het volk het brood uitgereikt wordt en ook hoe het volk tot oprecht geloof enz. vermaand wordt. Met het woord 'het volk', heeft Calvijn hier de gehele gemeente op het oog, van wie hij verwacht dat zij aan het Heilig Avondmaal zal deelnemen. Dus niet maar een enkeling uit de gemeente.
Calvijn wijst ook op de bestaande regels in de kerk, die men wel de regels der apostelen noemde. Daarin leest men, dat zij, die niet blijven tot het einde en het Avondmaal niet ontvangen, gestraft moeten worden als lieden, die onrust in de kerk teweeg brengen.
Zo werd b.v. op het eerste Toletaanse concilie bepaald, dat zij, die na de predicatie te hebben aangehoord, nooit bevonden worden deel te nemen aan het Avondmaal, vermaand moeten worden en dat zij, indien zij zich na de vermaning nog onthouden, uit de gemeente moeten worden geweerd.
Calvijn zegt in dit verband, dat wel niemand gedwongen had moeten worden, maar wel allen hadden moeten worden aangespoord en aangezet. Ook had de slapheid der tragen moeten worden berispt. Allen zouden zo gezamenlijk, als hongerigen, samen komen tot zulke heerlijke genietingen.
Gemeente van Christus
Wat we uit dit alles kunnen leren is o.a. dit, dat Calvijn de uitwendige kerk, bestaande uit de belijdende lidmaten met hun gedoopte kinderen, beschouwt als de gemeente van Jezus Christus. Niettegenstaande hij zeer goed weet, dat niet alles Israël is, wat Israël genaamd wordt. Niettegenstaande hij zelf wel gezegd heeft dat onder zijn gehoor misschien maar 10 of 1 op de honderd oprechte gelovige lidmaten zijn en de rest hypocrieten, die geveinsdelijk hun geloof belijden. Maar evenals de apostelen in hun brieven de gemeenten, waarin vaak bederf van zeden en leer aangetroffen werd, waarin vélen waren, die niet echt op het fundament Christus gegrond waren, deze gemeenten in hun geheel aanspreken als geheiligden in Christus, enz., zo gaat Calvijn in hun spoor verder.
Wanneer we dan ook zijn preken lezen, valt het ons op dat hij, zoals het ook behoort, de belijdende lidmaten met hun kinderen toespreekt en beschouwt als de gemeente van Jezus Christus. We horen hem daarin telkens weer spreken over: onze Heere Jezus Christus, onze God, onze Vader. Ditzelfde komt ge o.a. ook tegen in de geschriften van Ursinus en van Olevianus, evenals in onze belijdenisgeschriften.
Op dit standpunt staande kan het ook niet anders en mag het ook niet anders, dan dat de gemeente opgewekt wordt tot deelneming aan het Heilig Avondmaal. Want wie niet deelneemt, verloochent zijn geloofsbelijdenis, die men niet, zoals in onze dagen vaak, verlaagd heeft tot het doen van een belofte, zonder meer. Van iemand die zijn geloof belijdt, mag immers verwacht worden dat er bij hem of haar ook gehoorzaamheid des geloofs zal zijn. Gehoorzaamheid ook aan het bevel van de Heiland: 'doe dat tot Mijn gedachtenis'.
Opwekking
Wanneer Calvijn opwekt tot het aangaan aan het Heilig Avondmaal, wekt hij niet bepaalde personen daartoe op, maar de gehele gemeente. Uitgezonderd degenen, die zich aan bepaalde zonden hebben schuldig gemaakt. Hoort hoe hij de gemeente, terwijl de Dis des Verbonds staat aangericht, toespreekt en opwekt:
'Waar dan onze Heere Jezus Christus Zich zelfs verwaardigt ons Zijn broeders te noemen, opdat wij vrije toegang zouden hebben tot God, zo laat ons dan Hem zoeken en tot Hem komen met vrijmoedigheid, nu wij op zo'n vriendelijke wijze ertoe geroepen worden. Vooral als wij bedenken, dat Hij niet enkel Zich van Zijn Woord bedient om ons tot zich te trekken, maar dat Hij daarbij nog het zichtbaar sacrament voegt, opdat wij naar onze kleinheid zouden geleid worden. Want inderdaad al zijn wij zwak en traag, des te minder nog kunnen wij ons verontschuldigen over onze traagheid, als wij niet tot onze Heere Jezus Christus komen.
Hier is de tafel, die Hij ons heeft toegericht.
En met welk doel? Niet om ons lichaam, onze buik te verzadigen! Hoewel Hij ook hierin Zijn Vaderlijke zorg voor ons toont en onze Heere Jezus Christus Zich metterdaad het leven der wereld bewijst. Wanneer wij dus dagelijks rust en verkwikking vinden, is dit niet minder dan dat Jezus Christus ons Zijn goedheid bewijst.
Bij deze tafel echter, die hier is toegericht, is nog in het bijzonder te bedenken, dat deze dient om ons te laten zien, dat wij broeders zijn van onze Heere Jezus Christus. D.w.z., dat Hij ons verenigd heeft met Zichzelf, zoals Hij dit zegt in het zevende hoofdstuk van het Evangelie naar Johannes. Hij heeft ons ook verenigd met God Zijn Vader. En Hij verklaart ons, dat Hij onze spijs en onze drank is en dat wij deel zijn van Zijn eigen substantie om al ons geestelijk leven in Hem te hebben. En dit is meer dan dat Hij ons honderd maal Zijn broeders noemt. Zo laat ons dan de gemeenschap erkennen, die wij hebben met onze Heere Jezus Christus, nl. dat Hij met ons één leven wil delen en dat wat Hij heeft, ook het onze is. Hij wil niet meer bij wijze van spreken in ons wonen, maar werkelijk. Niet slechts op aardse wijze, maar op geestelijke. En wat er ook zij, door de kracht van Zijn Heilige Geest werkt Hij zo in ons, dat wij met Hem één zijn, meer dan leden van een lichaam onder elkander. Evenals een wortel van een boom zijn kracht en zijn sappen door alle takken heendrijft, zo trekken wij onze kracht en ons leven van onze Heere Jezus Christus.
Vandaar ook, dat Paulus zegt, dat ons Paaslam gekruisigd is en geofferd en dat ons nu niets anders overblijft, dan feest te vieren en gemeenschap te hebben aan Zijn offer en dat wij nu ook, zoals vroeger onder de Wet, als het offer was gebracht, men at, onze geestelijke spijs en voeding moeten zoeken in dat offer, dat voor onze verlossing is aangebracht. Wel eten wij Christus niet vleselijk. Hij komt ons niet tussen de tanden, zoals de Pausgezinden hebben verzonnen, maar wij ontvangen het brood tot een zekere en onbedriegelijke waarborg, dat onze Heere Jezus Christus ons met Zijn geestelijk lichaam voedt. En wij ontvangen een dronk wijn om ons er op te wijzen, dat wij geestelijk onderhouden worden door het bloed van onze Heere Jezus Christus.
Doch wij moeten er wel op letten, wat Paulus erbij voegt, nl. dat zoals onder de schaduwen der Wet het niet geoorloofd was gedeesemd brood te eten, waarvan het deeg gezuurd was, thans - nu wij niet meer onder de schaduwen leven - wij te verwerpen hebben de zuurdesem van het kwade, van onze boosheid en al onze verdorvenheden en dat wij brood hebben, dat geheel ongezuurd is. Op welke wijze? In oprechtheid en waarheid!
Wanneer wij dus tot deze heilige tafel naderen, waar de Zoon van God ons laat zien, dat Hij onze spijze is en dat Hij Zich voor ons wil geven om ons geheel en volkomen bij het leven te onderhouden en wil, dat wij nu deel hebben aan het offer, dat Hij eenmaal gebracht heeft voor onze zaligheid, zo moeten wij wel toezien dat wij hier niet komen met onze onheiligheden om daarin verzonken te blijven. Maar wij hebben dit alles te laten varen en niet anders te zoeken dan geheel gereinigd te worden, opdat onze Heere Jezus Christus ons als leden van Zijn lichaam erkent en dat wij daardoor ook Zijn leven deelachtig worden.
Zo moeten wij dus ook nu de zegen zoeken van dit Heilig Avondmaal, dat ons is toegericht. Het leidt ons heen naar de dood en het lijden van Christus en verder tot Zijn opstanding, om daar te vinden hoop op het eeuwige leven en de zekerheid der zaligheid. Want door de overwinning, die Hij heeft behaald door Zijn opstanding, is ons gerechtigheid verworven en de poort van het paradijs geopend, zodat wij nu vrijmoedig tot God kunnen naderen en voor Hem ons kunnen stellen in de zekerheid, dat Hij ons als Zijn kinderen zal ontvangen'. Tot zover Calvijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's