De vreze des Heeren
Vreekamp schrijft als een gegrepene. En zoals allen die zich gegrepen weten, kan ook hij derhalve niet langer de pretentie voeren de woorden Gods in eigen greep te vatten.
Inzet
'Niemand heeft de woorden Gods in zijn macht dan alleen Hij Die ze zelf gesproken heeft', schreef Luther in 1518 aan zijn vriend Spalatinus. Dat getuigt van een diepe verwonderde schroom voor God en Zijn openbaring en als keerzijde daarvan een bescheiden besef van eigen geringheid. In deze toon heeft collega Vreekamp zijn dissertatie over 'De vreze des Heeren' gedurende een tiental jaren geschreven en op 29 april jl. verdedigd. Bij herhaling willen wij hem hiermee van harte gelukwensen en onze dank en ons respect uitspreken. Over de vreze Gods spreken mag slechts geschieden in die vreze. En juist dat is naar ons besef het geheim van deze studie. De eerste woorden leggen daar reeds getuigenis van af, en dan niet als een losse leuze maar als de sleutel die heel de compositie van a tot z beheersen wil: 'Wie God vreest, zinkt weg voor Zijn Woord' (Kohlbrugge).
Vreekamp schrijft als een gegrepene. En zoals allen die zich gegrepen weten, kan ook hij derhalve niet langer de pretentie voeren de woorden Gods in eigen greep te vatten. Wie God vreest, kan nimmer het eerste en het laatste woord hebben; die beseft dat al onze woorden leen-woorden zijn, ontsprongen aan Hem die het eerste en laatste Woord heeft en... is! Het is deze ootmoed en eerbied die de snaren van dit geschrift spannen. En hierin is zowel de kracht als de kwetsbaarheid ervan gelegen. Kracht, omdat de krachten van de woorden Gods zich losmaken. Kwetsbaarheid, omdat deze kracht zich slechts voltrekt in menselijke zwakheid. Van heel deze menselijke, theologische poverheid is Vreekamps toch zo geladen zeggingskracht doorademd. Het is juist het onderwerp van zijn studie - de vreze des Heeren - dat hem voortdurend beweegt om de adem in te houden voor het geheim waarvan hij spreekt, om slechts stamelend te fluisteren van Hem Die Zich nimmer door denken en dichten overmeesteren laat. De vreze Gods draagt de huiver voor het geheim aan zich. Te eenvoudig en tevens te sterrenachtelijk groot is dit geheimenis dan dat iemand het ooit volledig uit kan zeggen, bekent de schrijver, onmiddellijk nadat hij aankondigt een begripsbepaling (!) van zijn thema te geven.
Wie hier dus strak omlijnde, scholastisch gedefinieerde theologie vermoedt aangaande de vreze des Heeren, wordt teleurgesteld. Al betreft het een 'systematisch-theologische' studie, geen ogenblik wordt de indruk gewekt dat de vreze des Heeren zich door wat voor systeem dan ook zou laten omspannen. Maar hiervoor behoeft de schrijver zich geenszins te schamen. Om drie van de grootste reformatoren te noemen: hebben Luther, Calvijn en Kohlbrugge ooit de Waarheid Gods in de brandkast van het systeem weten te bergen, en hebben ze zulk een inbeslagname ooit gewild? Wie dat denkt, miskent hun vreze des Heeren die hen bond binnen heilzame grenzen. Het is deze traditie die Vreekamp voortzet, en daarin beoefent hij voluit reformatorische theologie: het goddelijke Woord is de grond en de grens van al onze godgeleerde woorden. Telkens worden wij herinnerd aan Luthers kruistheologie, die deze in de Heidelberger Disputatie (1518) poneerde: 'Niet die is waard een theoloog te heten, die Gods onzichtbare wezen tracht te schouwen... Maar alleen wie schouwt op wat werkelijk van God zichtbaar is: Zijn rugzijde, dus lijden en kruis... Het heeft geen enkele zin te proberen God te kennen in Zijn heerlijkheid en majesteit zonder Hem te kennen in Zijn menselijkheid en in de schande van het kruis... Wie Christus niet kent, kent ook God niet. Die Zich verbergt in het lijden'. Luther kreeg een diep besef van de radicale breuk tussen het menselijke kennen en de wijsheid van God. Al ons kennen moet door het nulpunt heen. God vult niet aan, maar vult de leegte! Heel klemmend en puntig formuleerde Luther: 'Gods liefde vindt niet wat zij liefheeft maar schept het'.
Architectuur
Het voorbijgaande neemt niet weg dat Vreekamps studie een waarlijk architectonische opbouw laat zien. Die is zelfs strak te noemen. Strak, en vooral sterk en schoon! Het eigenlijke midden van het boek ontvouwt zich als een drieluik: vervulling, onthulling en verhulling van de vreze des Heeren. Dit hart ligt ingeklemd tussen een vnl. exechetische en historische inleiding en een dogmatische 'uitleiding' . De triptiek-structuur is ontleend aan de drieërlei komst van Christus: Zijn komst in het vlees (vervulling), Zijn komst op de wolken (onthulling), en daartussenin Zijn komst in de Geest (verhulling), respectievelijk samenhangend met geloof, hoop en liefde. Dat betekent voor de vreze des Heeren dat zij in de gestalte van het geloof het leven zoekt buiten zichzelf in de gekomen en vervullende Redder, dat zij in de gestalte van de hoop de komende en onthullende Christus verwacht als Rechter en dat zij in de gestalte van de liefde de verhulde (verborgen) Christus eerbiedigt als de Verheerlijkte. Tenslotte wordt aan alle drie de gestalten een teken verbonden: in de gestalte van het geloof staat de vreze des Heeren in het teken van het water (wie God vreest is in de waterdoop met Christus gestorven en opgewekt) in de gestalte van de hoop staat de vreze des Heeren in het teken van het vuur (wij leven toe op de vuurdoop van het jongste gericht), en in de gestalte van de liefde staat de vreze des Heeren in het teken van brood en wijn (zij worden gelaafd en gedrenkt door Christus' Geestelijke tegenwoordigheid aan Zijn tafel).
Schematisch voorgesteld ziet het drieluik er dus zo uit:
Vervulling: de gekomen Christus en de vreze, geloof en vreze het teken van het water Onthulling: de komende Christus en de vreze, hoop en vreze het teken van het vuur Verhulling: de verborgen Christus en de vreze, liefde en vreze het teken van brood en wijn Ieder van de drie panelen is dus eveneens in drieën gedeeld. Hetzelfde geldt voor het dogmatische sluitstuk; de dogmatische winst uit het voorgaande getrokken, wordt omschreven als het begin, het einde en het hart der wijsheid. De eerbied voor het onderwerp blijkt tot in de vormgeving van de inhoud.
Inhoud
Uiteraard kunnen we niet meer doen dan een samenvatting bieden, in het besef dat zo'n 'kort begrip' niet aan reductie ontkomt en daarmee aan het geheel tekort doet. Om de schade te beperken geven wij de schrijver zoveel mogelijk het woord.
Inleiding
Drie overwegingen verantwoorden de keuze van dit onderwerp: de vreze des Heeren is een vergeten notie in de theologie; het is van een troostrijke actualiteit om in deze eeuw van naamloze en nameloze angst en vrees iets te vertolken van de geheel eigensoortige en vreugdevolle vreze die Naamgebonden is; en tenslotte is Vreekamp van mening dat bezinning op de vreze des Heeren vrucht kan hebben voor de ontmoeting van kerk en synagoge. 'Wees niet hooggevoelende, maar vrees', voegt Paulus in Rom. 11 : 20 zijn lezers toe. Vreekamps studie 'wil ten diepste niet anders zijn dan een poging tot theologische verantwoording van deze vrees, die de kerk ten opzichte van Israël kennen zal'.
Omschreven wordt deze vreze des Heeren met het woord van Miskotte: de huiverende, machtige eerbied, die de centrale komst en kennis van het Woord begeleidt, en die de kiem der daden koestert. Maar elke omschrijving faalt, omdat dat zo rechtstreeks tot de grondwoorden van de Openbaring (i.e. het O.T.) behoort dat het niet of nauwelijks te vertalen is, laat staan te definiëren. Natuurlijk, ook het Nederlandse 'vreze' is een vertaling van het oorspronkelijke Hebreeuws. Maar om de unieke en eigen aard zoveel mogelijk te bewaren, wil Vreekamp niet spreken van vrees, maar van vreze (in dit verband merken wij op dat één van zijn stellingen pleit voor het behoud van het taaleigen van Statenvertaling!).
Vervolgens maakt de schrijver een vlugge, maar toch niet vluchtige gang door de geschiedenis. Als hoofdmomenten noteren wij: Augustinus' gedachte dat de kinderlijke vreze gegrond is in de liefde, en dat de slaafse vrees (door de Wet bewerkt) een goede voorbereiding kan zijn tot de vreze-in-liefde. Van grote invloed is dit gevoelen gebleken in de M.E.-se boeteleer: de slaafse vrees wordt onontbeerlijk voorstadium van de kinderlijke vreze.
Luther bestrijdt in zijn R.K. tegenstander Eek (aan wie hij eens schreef: Houd eindelijk eens op sofist te zijn, wordt eens een theoloog!), dat de vrees voor straf noodzakelijk vooraf zou moeten gaan aan en zou leiden tot de ware vreze Gods. Hij doorzag dat als pelagiaans! Wat Luther leerde in de ontmoetingen met god, was dit: niet onze angsten vormen de overgang naar de kinderlijke vreze Gods, maar alleen Gods genade voltrekt die overtocht! En dan zo, dat wij levenslang God boven alles blijven vrezen, liefhebben en vertrouwen. Wij vluchten niet van God weg in onze boeteprestaties maar van God tót God. Calvijn weet van een zaad der religie dat kennis van en vrees voor God bewerkt. Maar deze rijpen toch niet zo dat zij brengen tot de rechte vreze Gods. Enerzijds treffen we bij hem uitspraken aan als deze: dat niemand ooit God met eerbied vrezen zal tenzij hij vertrouwt dat God hem genadig is; anderzijds: dat voordat het hart van de zondaar neigt tot inkeer het moeten worden aangezet door de gedachte aan Gods oordeel.
W. A. Brakel volgt Augustinus: de vreze Gods vloeit voort uit de liefde Gods.
Bij Bunyan vormt de slaafse vrees een eenmalig en onmisbaar voorstadium tot de vreze Gods.
Voor Kohlbrugge is de vreze Gods grondhouding, met dien verstande dat wij in deze Godsvreze Christus eren als Koning en Rechter. 'En zo leefden dan de gemeenten niet alleen voor het tegenwoordige, maar ook voor de toekomst. Het ging hen ter harte dat wanneer de Heere Jezus met de wolken des hemels zou komen om te oordelen, zij Hem toebereid mochten zijn als een reine maagd (...), voor Jezus, de dierbare bruidegom der ziel. Die Zijn eigen leven voor mij overgegeven heeft.
En in deze vreze des Heeren is het dat, al vreest men ook een ogenblik, men toch in de grond der zaak voor niemand en niets vreest, want men weet dat deze Koning Jezus alles in Zijn hand heeft, en dat Hij woord en trouw zal houden.' Hier is dus sprake van een eschatologische gerichtheid van de vreze des Heeren. Zij is uitdrukking van het leven dat nog met Christus verborgen is in God (Kol. 3).
Barth schrijft aanvankelijk - in zijn Romerbrief - dat de vreze Gods aan de liefde tot God voorafgaat, in een later stadium wijzigt hij Luthers volgorde: de vrees moet dan na de liefde volgen, een volgorde die Vreekamp overigens niet meemaakt. Voor hem is de Godsvreze de grond van de liefde, onomkeerbaar.
(N.a.v. het proefschrift van dr. H. Vreekamp, getiteld 'De vreze des Heeren - een woord in de systematische theologie'. Te bestellen bij de schrijver à f 35, - ).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's