Uit de pers
Preken is vertolken. Daarbij dient de tolk twee talen te beheersen.
Prediking en verbond
Preken is vertolken. Daarbij dient de tolk twee talen te beheersen. Hij moet om te beginnen thuis te zijn in de wereld van de bijbel, want hij is geroepen dat Woord door te geven. En hij moet op de hoogte zijn van wat er leeft in de eigen tijd. Want hij moet de boodschap van het Evangelie vertolken aan de mens van vandaag. Aldus de inzet van een lezing van dr. B. Maarsingh, de bekende oud-testamenticus, een lezing, die opgenomen is in het Hervormd Weekblad van 1 juli. Maarsingh laat zien hoe men de verhouding Woord - situatie kan scheef trekken ten gunste van de eigentijdse situatie. Zijn kritiek richt zich met name op de vlotte wijze waarop men spreekt over God als partner.
'Gaandeweg sterker breidt zich een bepaalde stroming in de Nederlandse Hervormde Kerk uit die uitgaande van bepaalde Schriftgegevens het verlossende woord probeert te spreken ten aanzien van misstanden in de wereld, in ons land en in de samenlevingsverbanden. We merken dit uit allerlei publikaties op theologisch en kerkelijk terrein, uit de officiële bladen van de Kerk, uit wat er geschreven wordt in de geschriften die uitgaan van onderafdelingen op het gebied van de Evangelieverkondiging. Hier volgt de lijn die zichtbaar wordt. Bij het spreken over God noemt men Hem bij voorkeur onze Verbondspartner (goed Nederlands zou zijn: Bondgenoot). Op zichzelf is deze aanduiding verantwoord, mits men voor ogen houdt in welke zin men de term bedoelt. Men kent in het Oude Nabije Oosten namelijk twee soorten verbonden. De ene noemt men een vazalverdrag. Daarin is het de opperheer die de dienst uitmaakt. Hij richt het verbond op, hij stelt de regels vast, hij belooft zijn vazal te zullen helpen en beschermen op voorwaarde dat deze zich in trouw en gehoorzaamheid houdt aan de geboden die in het verdrag zijn vastgelegd. De andere verbondsvorm noemt men een pariteitsverdrag, een gelijkwaadigheidsverbond. De bondgenoten staan op gelijke hoogte. Ze noemen elkaar "broeder". De regels over en weer zijn gelijkluidend. In het beroemde verdrag tussen de koning van het Hettitische Rijk en de farao van Egypte wordt bijvoorbeeld overeengekomen dat een Hettiet die naar Egypte vlucht, moet worden uitgeleverd. Eveneens levert de Hettitische vorst een gevluchte Egyptenaar uit. Zo is het met alles. Over en weer gelden dezelfde verplichtingen. Nu is God blijkens de gegevens in de bijbel een Bondgenoot in de zin van het vazalverdrag. Hij richt het verbond op, Hij stelt de regels ervoor vast in bijvoorbeeld de Tien Geboden, Hij belooft aan zijn bondgenoot Israël bescherming en zegen, mits het volk trouw is aan de geboden. Wanneer men echter de teksten in de bijbel anders opvat en uitgaat van een gelijkwaardigheidsverdrag, dan komen we tot een heel andere houding. God en mens staan op één lijn. Het wordt een verbinding tussen een God die wij wel nodig hebben, en ons mensen die toch tegenover Hem mondige wezens zijn. Een stap verder gaande op deze lijn komt men tot de gedachte van een lijdende God. Hij, onze Bondgenoot, lijdt onder het leed in deze wereld, zowel onder het grote van de volken als onder het kleine van de enkelingen. Nu kunnen we inderdaad zeggen dat God bewogen is door het lijden in deze wereld, zelfs door het verdiende lijden, ja, we kunnen ronduit zeggen door alle leed dat voortkomt uit de menselijke schuld. Buitengewoon tere woorden lezen we daarover in Hosea 11. Israël is zo diep gezonken dat God zijn volk zou moeten behandelen zoals hij met de steden van de Jordaanvlakte heeft gedaan. Maar dan lezen we ineens, volkomen overwachts, dat Hij het niet kan. Achter deze woorden ligt een ontzaglijke spanning. Het Woord wil vlees worden. Maar wanneer men over het lijden van God spreekt als iets vanzelfsprekend zijn we bij de Levende God vandaan. Geen wonder dat we, op deze lijn nog een stap verder gaande, stuiten op de gedachte dat God eigenlijk niet meer de Almachtige genoemd kan worden. Hij kan blijkbaar niet op tegen de nood van deze wereld.'
Het blijkt hoe belangrijk bijbels denken over het Verbond is. De huidige trend legt zo sterk nadruk op de tweezijdigheid dat het genadekarakter van het heil op de achtergrond dreigt te geraken en alles gezet wordt op de kaart van de zelfverwerkelijking. In Kerk en Theologie heeft dr. de Ru dit zelfde gesignaleerd ten aanzien van allerlei moderne bezwaren tegen de kinderdoop, bezwaren die overigens al klonken in de tijd van de Hervormers. Ook hier wreekt zich een visie op het verbond waarbij de partnergedachte overheerst. In het vervolg van zijn referaat werkt Maarsingh de lijn van de bijbelse prediking uit aan de hand van wat de Schrift, en met name het Oude Testament ons leert over de verkiezing van Israël. Het gaat om de verkondiging van het wonder van de genade. Dat kan nooit een vanzelfsprekendheid worden.
'De verkiezing betekent naar ons toe berouw en bekering. Ale eeuwen door blijkt er het gevaar te zijn dat men Gods genadige verkiezing als iets vanzelfsprekends beschouwt en rustig doorgaat op het oude pad, omdat alles toch al in orde is. De profeet Amos reageert daar scherp op. Hij onderstreept de waarheid van Gods bijzondere zorg jegens Israël, maar hij komt tot de slotsom dat Hij daarom juist extra zal letten op de ongerechtigheden van het volk. Eeuwen later waarschuwt de laatste profeet die er geweest is, Johannes de Doper, zijn tijdgenoten ervoor al te vlot te spreken van 'we stammen af van Abraham'. Immers, als het moet, kan God wel helemaal opnieuw beginnen en uit keien in het veld voor Abraham kinderen verwekken. (In het Aramees is het een woordspeling dat met behulp van het Betuwse woord van kind als volgt kan worden weergegeven: uit deze keien voor Abraham keiers verwekken.) Welnu, we moeten ervoor oppassen dat we van de verkiezing geen verkorenheid maken. Dank zij de overgave van Jezus Christus is de Gemeente door God uitverkoren en we hebben daar deel aan door het geloof. Dit geloof raakt zozeer de wortels van ons bestaan dat het een volslagen ommekeer teweegbrengt. Van het wegwerpkind in Ezechiël 16, waarmee het helaas helemaal fout gaat, wordt verwacht dat het terugkeert tot haar Redder en in geloofsgehoorzaamheid leeft. In de brieven die bewaard zijn gebleven in Openb. 2 en 3, is in 2 : 4 de oproep te lezen: 'Gedenk van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeert u'. Duidelijk genoeg noemt de apostel hoe het hierbij gaat om de liefde tot God en om onze houding tegenover de naaste. En daarbij gaat het in hét bijzonder over de vraag of we in ons zaken doen christen zijn en of we dat zijn in ons huwelijk. En hierbij komen ook die dingen aan de orde die te maken hebben met de grote gebeurtenissen onder de volken. Zouden we er niet beter aan doen door als Christen voortdurend in verbinding te blijven met onze broeders en zusters elders en samen ons volk vóór te leven wat het wil zeggen samen tot éne Kerk te behoren? Is het ten aanzien van ons eigen volk niet de roeping van de Gemeente om zich niet te laten meesleuren in de haat en de verbittering, doch ons veeleer te laten leiden door overleg, samen zoeken welk pad het beste is en iets laten zien van de liefde van Christus? Het beiteltje splijt en breekt alles. Maar Christus brengt bijeen. En dan zijn er de gekwetste levens, de gedeerden, de eenzamen, de vergetenen, degenen die zonder toekomst zijn. Er wordt iets van de christelijk Kerk verwacht. Het zout der aarde, het licht der wereld, de stad op de berg.
Verkoren, Goddank ja! Maar dit grijpt wel heel diep in.
***
Ambt en gemeente
De Deputaten Gemeenteopbouw van de Geref. Kerken hebben aan de synode een brochure aangeboden onder de titel 'Gemeentestructuur in Perspectief'. Uitgangspunt voor de nieuwe structuur is de gemeente zelf. Alle leden van de gemeente dragen daarin een verantwoordelijkheid, als mondige gemeenteleden. De vraag die zich daarbij dan direct voordoet is: hoe is de relatie tot de ambten en de ambtsdragers? Structuurvragen staan niet los van de exegese en de dogmatiek. Daarin komt altijd een bepaalde theologie aan de orde. De ambtelijke structuur die de Reformatie van getef. signatuur ontwierp tegen de r. k. Pauskerk hing direct samen met de visie op Woord en geloof. Hoe ligt dat nu in dit rapport? Prof. dr. K. Runia schrijft daarover in het Centraal Weekblad van 30 juni:
Als we nu terugkeren naar de gedachte van de gemeente als draagster van de bedoelingen van het kerk-zijn, dan wordt dit, zoals we gezien hebben, uitgewerkt langs twee lijnen:
1. de geografische lijn: sectieberaden
2. de functionele lijn: beraadsgroepen ( en eventueel werkgroepen). Hoe functioneert de kerkeraad in dit geheel? Hij heeft de taak van coördinatie en vaststelling van het uiteindelijk beleid . Alle sectieberaden en beraadsgroepen zijn ook "vertegenwoordigd" in de kerkeraad (24). Dus niet meer zoals vroeger alleen maar de mensen die zich met pastoraat en diakonaat bezighouden, maar alle beraadsgroepen. De kerkeraad is hier niet meer het orgaan dat boven het geheel staat. Hij beperkt zich tot de hoofdlijnen van het werk dat in commissies of werkgroepen gebeurt. Dit betekent in veel gevallen dat er gewerkt wordt met werkverslagen en werkplanningen. Met behulp hiervan maakt de kerkeraad dan een meer algemeen werkplan, waarna de gemeente de gelegenheid krijgt zich over één en ander uit te spreken. De kerkeraad krijgt bij deze opzet een meer coördinerende taak.
Een ander plaatje!
Het zal duidelijk zijn dat we hier een heel ander plaatje van de kerkeraad krijgen dan we tot dusver gewend waren. Onze huidige kerkorde gaat er vanuit dat de ambtsdragers door Christus aan de gemeente gegeven zijn om aan die gemeente geestelijke leiding te geven. Natuurlijk weet ook de huidige kerkorde ervan dat de ambtsdragers door de gemeente verkozen worden. Dat komen we in het Nieuwe Tastament al telkens legen. Maar als ze eenmaal verkozen zijn, dan werken ze in de gemeente niet allereerst als vertegenwoordigers van de gemeente, maar als vertegenwoordigers van Jezus Christus, de Heer van de kerk. Zo lezen we dan ook in de Kerkorde, in art. 2, dat aan de ambten in opdracht van Chrstus het dienstwerk in de gemeente is toevertrouwd. In de nieuwe opzet komen de ambten geheel van beneden op. De leden van de kerkeraad ''vertegenwoordigen'' de sectieberaden en de beraadsgroepen (24). De vertegenwoordigers van die sectieberaden en beraadsgroepen ''ontmoeten elkaar" om samen het werk in de gemeente te coördineren en het uiteindelijke beleid vast te stellen. We kunnen ook zeggen: het ambt is volstrekt functioneel geworden. De ambtsdragers vertegenwoordigen een bepaalde sectie of een bepaald beraad en geven namens die sectie of dat beraad hun inbreng. Het doet me, om eerlijk te zijn, erg denken aan de hogeschoolraad, zo als we die de laatste jaren in Kampen kennen. Daar zijn verschillende geledingen (docenten, studenten en niet-wetenschappelijk personeel) in vertegenwoordigd. Elke vertegenwoordiging heeft namens haar geleding zitting en zo ook haar eigen inbreng. Samen proberen ze dan een gemeenschappelijk beleid op te zetten.'
In deze typische functionele, haast gedemocratiseerde structuur herkennen we allerlei eigentijdse elementen uit het maatschappelijk leven. Maar is deze vermaatschappelijking van de ambtelijke organen nu ook volgens de Schrift? Runia schrijft over de ambtsopvatting in het rapport:
'Wie de brochure aandachtig leest, kan niet aan de gedachte ontkomen dat we hier met een heel andere ambtsopvatting te maken hebben. De oude opvatting was in feite gebaseerd op fundamentele bijbelse notities. Vooral op de grondgedachte dat de ouderlingen (en ook de predikant) primair een herderlijke functie hadden. Zo zegt Paulus het ook in zijn afscheidswoorden aan de ouderlingen van Efeze in Hand. 20. Hij bindt ze op het hart om op zichzelf toe te zien "en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft om de gemeente Gods te weiden, die Hij zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft''. Evenzo zegt Petrus tegen zijn mede-ouderlingen: "Hoedt de kudde Gods, die bij u is..., als voorbeelden van de kudde" (Petr. 5 : 2, 3). In art. 24 van de Kerkorde vinden we dit ook duidelijk terug. ' 'De taak van de ouderlingen is, tezamen met de dienaar des Woords over de gemeente de herder lijke zorg uit te oefenen, over haar en over de mede-ambtsdragers het opzicht te hebben en het vermaan en de tucht te oefenen, de leden der gemeenten trouw te bezoeken en tevens te trachten anderen voor Christus te winnen". Hier komt weer duidelijk de lijn "van bovenaf" door. Dit is herderlijk werk namens Jezus die Petrus in het aangehaalde verband de Opperherder noemt. In de nieuwe opzet vind ik van dit alles eigenlijk niets terug. Nee, het wordt ook niet ontkend. Er wordt helemaal niet meer over gesproken. Het is opvallend dat eigenlijk nergens op de bijbelse achtergronden en gronden van het ambt wordt ingegaan. Alles wat we lezen is: Het ambt heeft in de gemeente een ''dienende gezagsfunctie'': begeleiding geven, stimuleren, aanvullen en coördineren Het beleid dient er op gericht te zijn dat ambtsdragers dienstgeleiders zijn, die niet zelf de dienst uitmaken" (17). Nu kan men natuurlijk zeggen: ja, maar meer willen de mensen vandaag ook niet. Dat blijkt immers wel uit het feit dat je bijna geen mensen voor het ambt kunt krijgen. Hoewel ik dit probleem niet wil ontkennen, vraag ik me toch af of we op deze manier met de ambtsproblematiek klaar komen. Persoonlijk ben ik van mening dat de oplossing nooit kan liggen in het stilzwijgend overschakelen van een ambtelijke naar een bestuurlijke functie. Waar in het Nieuwe Testament het ambt (meer of minder duidelijk) naar voren komt, heeft het altijd een "herdelijk" pastoraal gezicht. Daar ligt het wezen van het ambt. En als wij dat vandaag om allerlei redenen kwijt raken, dan verliezen we niet maar een bepaald aspect van het ambt, maar dan verliezen we het ambt zelf!'
Dat het ambt er is van Christuswege, om de gemeente toe te rusten met het Woord is een onopgeefbare gedachte willen we in bijbels spoor blijven. Met name van Ruler heeft het 'tegenover' van de ambten sterk beklemtoond, niet om de gemeente monddood te maken, maar wel om het tegenover van het Woord te laten uitkomen. In het deputaten rapport dreigt een enorme verschraling: de herdelijke functie wordt vervangen door een bestuursapparaat. Ik vrees dat dat de verzakelijking in de hand zal werken. Natuurlijk sluit ik het herderlijke, het bestuurlijke en het bijbels-zakelijke niet uit. Runia laat zien hoe de uiterste consequentie van het rapport is dat het gehele bijzondere ambt verdwijnt omdat het bestuurlijke apparaat de ambten zal vervangen mits alles maar goed verloopt. Theologen hebben dan alleen als deskundige nog hun inbreng. Terecht wijst Runia erop dat de bijbelse lijn van Efeze 4 : 11-12 hier ten enen male ontbreekt. Maar wie dat doet zet dan wel het breekijzer in de gereformeerde visie op ambt en gemeente.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's