De Schriften geopend
En Filippus liep toe en hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zeide: Verstaat gij ook hetgeen gij leest? () En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift verkondigde hem Jezus. Hand. 8 : 30, 35
De bekende geschiedenis van Filippus en de kamerling, die jong en oud aanspreekt, is toch eigenlijk een gebeuren dat vol met vragen zit. Vragen aangaande het goddelijke handelen, vragen aangaande de wijze van bekering. Wat dit laatste betreft, we willen in deze en de volgende drie meditaties erbij stil staan op hoe verschillende wijze God mensen roept en tot bekering brengt. Wat het eerste betreft, de vragen aangaande het Godsbestuur, wie eerlijk is zal bij zichzelf zich weleens afvragen: waarom moest Filippus weg uit Samaria? Had hij daar nog niet tot zegen van velen kunnen werken? O zeker, als er in het begin van Handelingen 8 sprake van is dat er blijdschap komt in Samaria, dan zullen er ongetwijfeld ook nog velen geweest zijn die nog niet tot bekering gekomen waren of van de boodschap vernomen hadden. Maar dan zien we dat ook het boek Handelingen niet alleen maar het boek van de grote getallen is, van de drie en vijftigduizend die elders genoemd worden, of van de stad Samaria maar dan zien we hier de onpeilbare gedachten van Gods eeuwige raadsbesluiten. Die vol van ontferming en genade neerzien op die éne zondaar.
Dat is de geschiedenis van die kamerling uit Ethiopië, dat kan en mag de geschiedenis van u zijn. Want dat is het opvallende in dit geheel: de Heere, Die omziet naar die éne, hem het Woord Gods zo onverwacht op zijn weg plaatst. Zo was het ook hem vergaan. Hoe hij er toe gekomen was naar Jeruzalem te gaan, weten we niet. Was het een zakenreis (hij bezat immers aan het hof een hoge positie) een vacantiereisje of een bedevaart? Hoe het ook zij - hoe kan een reis die door ons met een bepaald doel was uitgestippeld, niet anders uitkomen? Als het Woord Gods gaat spreken, op onze weg geplaatst wordt.
De kamerling plaatst ons wat dat betreft voor een juist Bijbels beeld. Hij was immers een machtig man aan het hof van de Candacé van Ethiopië. Daar was hij de schatbewaarder. Maar tegelijk was hij vanwege zijn omgang met de vorstin een eunuch, d.w.z. een ontmande. Hij was dus niet ten volle meer menswaardig. En ziedaar het beeld van de zondaar: hoog op de maatschappelijke ladder geklommen en toch: wat is er van het mensbeeld over: Gebroken door de zonde. Door onze diepe val hebben wij onszelf een gruwel in Gods ogen gemaakt. Maar met zulken wil God het nog te doen hebben. Want we treffen hier de kamerling al lezend op de terugreis aan. De schatbewaarder. Maar eigenlijk, van welke schat? Want hier voor zich had hij dé Schat, het goddelijke Woord. Maar nee, hij was arm met deze schat. Want hij verstond ze niet. In Jeruzalem was hij ongetwijfeld met velen in aanraking gekomen, was in de voorhof der heidenen geweest, had met Farizeeën getwist en had wellicht vernomen van een zekere Jezus, want van die Naam gonsde de ganse stad. Maar nu gaat hij nog arm en leeg huiswaarts. Met de schat op zijn schoot. De lange weg moet hij terug. Door het donkere land van Egypte moet hij nog heen. Terug aan zijn werk: 'en ik heb Hem niet gevonden'. Jezus Christus, de vrede voor zijn ziel. De ware Schat. En een vermoeide afgetobde ziel reist voort, op weg naar... ja uiteindelijk op weg naar de eeuwigheid. En straks stelt Filippus hem die bekende vraag: verstaat gij ook hetgeen gij leest, maar uiteindelijk niet de kamerling maar u en mij wordt deze vraag gesteld. Aan reizigers op weg naar hun eigen schatten en op reis naar de eeuwigheid. Reizigers die evenals de kamerling de 'Schat' van het Woord ook bezitten. Verstaan we het ook? Van nature is ons hart verduisterd. We gaan op in onszelf, in de zonde. De schuldvraag wijzen we af. Maar de vraag aan de kamerling is een vraag om voor Gods Aangezicht te beantwoorden. In de grondtekst van de Bijbel is deze vraag eigenlijk een eigenaardige vraag. Om over door te denken. De woorden 'verstaan' en 'lezen' verschillen slechts drie letters. Het klinkt als een woordspeling. Ongeveer zo: 'kent ge ook wat ge herkent'. Wat u daar herkent in bekende woorden en teksten, in bekende klanken van zonde en genade, kent u dat ook? Verstaat u het ook? Kent u Hem van Wie in de Schrift gesproken wordt als een Borg voor de eeuwigheid? En wat als u het belijden moet daar vaak nog zo weinig van te verstaan en nog zoveel te missen aan troost uit Gods Woord? Nee, de kamerling riep het maar niet uit, om zijn gemoed gerust te stellen: profeet je hebt gelijk, onze ogen zijn daar blind voor. Om daarna zijn reis te vervolgen. Maar hij riep het uit - en roept u het dan zelf ook maar voor de Heere uit - profeet, je hebt gelijk, maar hoe zou ik het ook, als niet iemand mij daarvan spreekt. Zijn hart schreeuwde om de uitleg. Dat is geen koesteren van de onmacht, maar een belijden ervan. Dat is uitkomen bij de Heere met heel onze armoede.
Kom maar met uw eigen onverstand bij de Heere uit, want dan zullen we de uitleg, de prediking ook meer en meer gaan verstaan. Dan zullen we horen dat het, zoals het met ons is, verloren is buiten die Christus. Maar dan verstaan we ook dat deze Christus voor verloren zielen nog gepredikt wordt. 'En Filippus deed zijn mond open, en beginnende van diezelfde Schrift verkondigde hem Jezus.'
Misschien hadden wij het anders willen doen. De kamerling wijzen op zijn heiden zijn. Of hem wat onderricht geven en hem het volgende jaar nog eens laten terugkomen. Nee, het staat er allemaal zo heel eenvoudig: hij verkondigde hem Jezus. Dat was - en is - de ware uitleg. De kern van de prediking. Natuurlijk zal er veel omheen verteld zijn, maar de spits van die prediking voor die éne man was Jezus Christus. Zo werd de kamerling in al zijn armoede gewezen op Hem. Laat ons hart maar veel mogen uitgaan naar die uideg. Ja, laten we de prediking, die toch uitleg van het Woord is, ook horen als uideg. Als verkondiging van die Christus. Want dan worden we zo klein en arm van onszelf. Waar deze Jezus gepredikt wordt als de Zone Gods, Die afdaalde in de wereld van schuld. Dan gaan we Hem verstaan zoals de kamerling van Hem las uit de profetie van Jesaja. Als de Middelaar aan het kruis. Hoe Hij stond voor de rechterstoel Gods. Hoe Hij gebroken en geslagen werd, als een lam, stemmeloos. Al de zonden op Hem, niet één ernaast. Hij zweeg en Hij droeg. Uit die eeuwige ontferming deed Hij dat, bewogen met zondaren. Zo komt Hij tot ons. Door de uitleg heen. Ach, wat horen wij de prediking vaak niet eens als zulke uitleg. Wat letten we vaak veel meer op dit of op dat. Wat storen we ons aan een te scherpe prediking of een waar niet alle stukken in verkondigd worden. Maar deze vraag: 'verstaat gij ook, hetgeen gij leest', dat is de hartevraag waarmee de Heere tot ons komt. En dat is altijd weer een wonder dat Hij Zichzelf daarin wil aanprijzen. Opdat we amen zullen zeggen op dat Woord!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's