Oude paden op het kerkelijk erf (3)
Ons geloof is niets, tenzij we ons zeker overtuigd houden, dat Christus de onze is en dat de Vader ons in Hem genadig is.
Niet krachteloos
Noch de Heilige Schriften, noch de apostelen, noch de reformatoren en allen die in hun voetsporen wandelen, hebben de schriftuurlijke oproep tot bekering en geloof krachteloos gemaakt door daaraan toe te voegen dat een mens uit zichzelf niet kan geloven. Als dit laatste, wat op zichzelf volkomen waar is, aan de schriftuurlijke opwekking wordt toegevoegd, dan handelt men onschriftuurlijk. Dat deed b.v. Paulus niet ten opzichte van de stokbewaarder, daarvan vinden we ook geen enkel voorbeeld in de Heilige Schrift. God behandelt de mens niet als een steen of blok, doch welgemeend komt Hij met het aanbod der genade. Tot niemand zegt Hij: zoek Mij tevergeefs. Zijn Wet laat Hij gepaard gaan met het Evangelie. Hoort hoe Johannes de Doper zijn boetpredikatie gepaard laat gaan met het volle Evangelieaanbod: 'Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt'.
De Heilige Geest
De Heilige Geest, Die de Geest van het gebed en van het geloof is, wordt geschonken door de bediening van het Evangelie. 'Dit alleen wil ik van u leren: hebt gij de Heilige Geest ontvangen uit de werken der Wet of uit de prediking des geloofs' ? Door de prediking van Wet en Evangelie wil Gods Geest ontdekkend, overtuigend en overbuigend werken, zodat een schuldverslagen zondaar de belofte van de genadige vergeving der zonden gaat omhelzen.
En nu is het waar, dat niemand in Christus kan geloven, dan aan wie het geschonken is. En het wordt alleen aan de uitverkorenen geschonken. Ook is het niet genoeg, dat alleen het verstand door Gods Geest verlicht wordt, maar ook het hart zal door Gods Geest bearbeid moeten worden. Dit behoort tot de verborgen werkingen des Geestes. Christus zegt dat niemand tot Hem kan komen, dan die door de Vader getrokken wordt. Maar niettemin beveelt Christus in Hem te geloven, zoals ook Paulus de stokbewaarder daartoe opwekte. Vandaar ook dat Calvijn zegt: 'Laat dus de prediking haar loop hebben, opdat zij de mens tot geloof voere en door een voortdurende voortgang in volharding daarbij houdt'.
Welke een open en heldere verkondiger van de genadige uitverkiezing is Paulus geweest. Maar was hij daarom kil in het vermanen en aansporen? Integendeel. Gloedvol heeft hij Christus voor ogen geschilderd, van de vroege morgen tot de late avond de mensen bewogen tot het geloof en het gepredikt: 'Dit is een getrouw woord en aller aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken'. Hij en alle apostelen predikten het Evangelie, de blijde Boodschap van Gods genade.
Predik het Evangelie. Verzwijg de uitverkiezing niet. Maar toch luidt Christus' opdracht niet: predik de uitverkiezing, maar: predik het Evangelie. Wanneer alleen het eerste geschiedt komen we op een gevaarlijke zee terecht en gaat men zich uit eigen beweging in gevaar begeven. Het gevaar van het verstrikt geraken in satans omarming. Want de satan zoekt wonderlijke schuilhoeken. Ook de leer van de uitverkiezing maakt hij tot een schuilhoek, teneinde de zuiverste waarheid te verduisteren. Eén begeerte leeft er bij hem: Christus in Zijn algenoegzaamheid en in Zijn gewilligheid voor het oog van de zondaar te verdonkeren en daardoor te trachten aan het Woord en de aanbieding der genade de kracht tot zaligheid te ontnemen.
Belofte
In de gemeente van Christus mag de prediking der verzoening uitgaan. Ook de gedoopte jeugd der gemeente mag en moet daarbij betrokken worden. Op de beloften, die de Heere hen bij de Doop geschonken heeft, mag met aandrang gewezen worden, opdat ze hun Doop leren verstaan. De Doop die getuigt van hun verlorenheid in Adam, van hun dood zijn in zonde en misdaden, maar die ook getuigt dat Gods Vaderhart voor hen in Christus openstaat.
Zo wordt de gedoopte jeugd der kerk geplaatst niet allereerst voor het stuk der uitverkiezing, maar voor de roeping Gods. Met Jozua roept de dienstknecht des Heeren het hun toe: 'Kiest dan heden Wie gij dienen zult'. Ze worden opgeroepen om in het geloof de onberouwelijke keuze te doen. En bij het doen van die keuze zal, bij zuivere bediening van Wet en Evangelie, de gestalte des harten niet anders kunnen zijn, dan die van een boetvaardig zondaar, doch die de toevlucht neemt tot Christus. Hoe wonderbaar kan Gods getuigenis, gepaard met Gods Geest, ook in jonge harten werken, het stenen hart wegnemen, een vlesen hart schenken, een horend oor en een ziend oog geven. In één woord: tot het geloof in Christus brengen. Zo worden de beloften des Evangelies, in de Heilige Doop aangeboden, door het geloof, hoe klein het in beginsel nog moge zijn, aangenomen en niet in ongelovigheid verworpen. Zo gaat het uitgestrooide zaad des Evangelies vrucht dragen en voegt God van geslacht tot geslacht ook uit de jeugd der gemeente, vooral uit de jeugd der gemeente, levende stenen tot haar opbouw toe. Waarbij niet vergeten mag worden, dat God de jeugd onderwijst naar hun bevatting en leeftijd.
Geslachten
Genade is geen erfgoed. Toch behaagt het God in de lijn der geslachten te werken. En dan ook niet hoofdzakelijk en uitsluitend door wat men noemt een 'krachtdadige bekering', zoals b.v. bij Saulus en Manasse. Heel dikwijls gaat het onder het Verbond der genade langs een meer geleidelijke weg, waarbij men niet zozeer van een bekering-'geschiedenis' zal kunnen spreken. Toch is ook zulk een meer geleidelijke bekering een vrucht van de opstandingskracht van Christus. Dan kent men in beginsel de enige troost in leven en in sterven. Dan stemt men in met de belijdenis der kerk ten opzichte van de wedergeboorte: 'De wijze van deze werking kunnen de gelovigen in dit leven niet volkomenlijk begrijpen; ondertussen stellen zij zich daarin gerust, dat zij weten en gevoelen dat zij door deze genade Gods met het hart geloven en hun Zaligmaker liefhebben'.
Is het niet opmerkelijk dat we van vele bijbelheiligen zo weinig weten betreffende hun bekering. We denken b.v. aan Abel, Mozes, Aaron, Elia, Elisa, Samuel, David, Timotheüs en de discipelen. Gold het in hun leven niet dat het zaad des Evangelies in hun harten wies, doch niemand wist hoe? Is niet het grote gevaar aanwezig dat men alléén een bepaald soort van bekering als de echte beschouwt? En een meer Evangelische bekering voor bedenkelijk wordt aangezien. Terwijl toch deze laatste bekeringen in de Heilige Schrift en in de geschiedenis der kerk verreweg het meeste voorkomen.
Wonde plek
Hier komen we te staan bij een ernstige wondeplek in het kerkelijk leven, die het welzijn van het lichaam der kerk ten zeerste bedreigt. Enerzijds het vaak teveel of geheel ontbreken van de schriftuurlijke aanbieding der genade, van de opwekking tot bekering en geloof en tot het doen van de onberouwelijke keuze. Anderzijds de bekering in een te eenzijdig licht plaatsen, zodat alleen een zeker soort van bekering als de echte wordt beschouwd. Dit belemmert de doorwerking des Heiligen Geestes.
Is het gevaar niet aanwezig dat een opgroeiende jeugd der kerk, door een bepaalde prediking zo gevormd wordt, dat ze menen dat het énige wat van hen verwacht mag worden bidden en wachten is, maar niet geloven, omdat geloof een gave Gods is, die geschonken moet worden. Alsof écht bidden en écht wachten niet een gave Gods zou zijn. En daartoe wekt men wél op. Zo wordt het niet aannemen van de in de Heilige Doop aangeboden weldaden, nog tot een bewijs van rechtzinnigheid. Zo 'durft' de jeugd niet meer te geloven. En als toch het geloof in de ziel door gaat breken, op Evangelische wijze gewerkt, dan durft men er haast niet voor uit te komen. Omdat men het niet voor echt durft te erkennen en door anderen in twijfel getrokken zou worden, omdat het geen bekering is die aan een bepaalde maatstaf voldoet. Een maatstaf, die niet de Heilige Schrift, doch mensen hebben vastgesteld. M.a.w.: op een Paulus-bekering wordt wel en terecht, het stempel der goedkeuring gezet, doch op een geleidelijk door de Geest gewerkt geloof als bij Timotheüs en zovele anderen, wordt het stempel der goedkeuring onthouden.
Dit alles lag bij de oude kerk, bij de reformatoren zo anders. Zulk een geloof werd aangewakkerd, met als gevolg dat er ook meer vrijmoedigheid was om belijdenis des geloofs af te leggen en daarbij het vertrouwen des harten uit te spreken, dat zij steunden op de zaligheid door Christus verworven.
De hoogte van het geestelijk leven
Bij dit alles komt, dat in onze dagen de jeugd der kerk dikwijls zo weinig aanschouwt bij de ouderen de bevestiging van de waarheid: 'hoe zalig is het volk dat naar Gods klanken hoort, zij wandelen Heere in het licht van het goddelijk Aanschijn voort'. Moet het hen niet vaak toeschijnen dat het geestelijk leven hoofdzakelijk bestaat uit armoede, klacht en somberheid en dat, waar het anders gesteld is, dit een bewijs van onechtheid is. Niet alsof die armoede, klacht en somberheid nooit in het leven van de gelovige gevonden zouden worden. Dit te ontkennen, zou in strijd met de werkelijkheid zijn. Maar hierin gaat het leven van een christen niet op. Zijn leven zal toch door genade mogen staan in het teken van de Blijde Boodschap, van het Evangelie, die zo heerlijk vertolkt wordt in het formulier van het Heilig Avondmaal, nl. dat Christus voor ons geworden is tot een volkomen verzoening van al onze zonden. Uit dat geloof mag de rechtvaardige leven, dat brengt de zekerheid en de blijdschap in zijn leven. Daardoor mag hij weten dat hij een pelgrim is, die de stad verwacht die fundamenten heeft en mag hij instemmen met hetgeen de oude kerk onder de dienst der schaduwen reeds mocht zingen: 'Zo zullen wij, de schapen Uwer weide, in eeuwigheid Uw lof. Uw eer verbreiden'.
Er ligt dikwijls zo weinig glans, blijdschap en zekerheid des geloofs meer over het geestelijke leven verspreid. Zou bepaalde prediking hieraan geheel onschuldig zijn? Worden de pelgrims nog wel voldoende door middel der prediking op hun levenspad begeleid door onderwijzing, vermaning en opbouw in het geloof? Worden ze niet vergeten? Dienen herders en leraars zich niet allereerst en hoofdzakelijk tot de gemeente van Jezus Christus te wenden, zonder degenen, die daar niet toe behoren te vergeten? Men krijgt vaak de indruk, dat men niet meer gelooft in een samenkomst van de gemeente van Jezus Christus. Het is niet zelden een prediking tot onbekeerde mensen, die nog niet tot het geloof gekomen zijn, waaronder zich dan een enkele bevindt van wie men geloven mag, dat deze wel tot de levende kerk behoort. Daardoor komt er die droeve tweeslachtigheid. Enerzijds ziet men de gemeente van Jezus Christus niet, die in de weideplaats van Gods Woord gekomen is om als schapen en lammeren gehoed en geweid te worden, doch de herder zo weinig onder zich bemerken, omdat hij bijna alleen zich beperkt tot de schare die nog niet tot het geloof gekomen is. Hij ziet zo weinig de gemeente van Christus, ondanks het feit dat hij de zegen, die alleen voor de gemeente des Heeren is, op de schare legt en die schare de liederen Sions laat zingen, zoals b.v. "k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheden'. Is het eigenlijk, wanneer we het goed bezien, niet zo dat de psalmen de liederen der gelovigen zijn, gezongen in al de wederwaardigheden van hun leven, die uitingen zijn van hun geloof en hun geloofs worstelingen. De oplegging van de zegen en het laten zingen van de psalmen getuigt er van dat de gemeente des Heeren zich rondom het Woord geschaard heeft, maar in de prediking, de goeden niet te na gesproken, is het alsof die gemeente niet meer aanwezig is en in de geesteloze tijd die we beleven, geen bijzondere zielszorg en opbouw nodig heeft. Is het niet vaak zo, dat teksten die zoals ook uit het verband blijkt, tot de gemeente Gods, tot de gelovigen, gericht zijn, behandeld worden alsof ze tot onbekeerden gesproken zijn. Daardoor wordt de inhoud, tengevolge van onschriftuurlijke exegese, niet bij de werkelijk geadresseerden thuis bezorgd. Wanneer men de samenkomsten niet meer ziet als samenkomsten van de gemeente van Jezus Christus, dan kan het niet anders of de exegese van Gods Woord bij de bediening daarvan gaat gevaar lopen.
Blijdschap
We merkten het reeds op, dat er vaak zo weinig glans, blijdschap en zekerheid des geloofs over het geestelijke leven verspreid ligt. En dat een bepaalde prediking daaraan ook niet geheel onschuldig is. Er wordt zo dikwijls geen herderlijke zielszorg aan Christus' gemeente besteed. Zo weinig opbouwende bearbeiding.
Hoe geheel anders in de Heilige Schrift.
Hoort hoe b.v. de apostelen de gemeente bouwen:
'Het woord van Christus wone rijkelijk in u in alle wijsheid, leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen, zingende de Heere met aangenaamheid in uw hart'.
'Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in de Heere en in de sterkte Zijner macht. Doet aan de gehele wapenrusting Gods'.
'Indien gij maar blijft in het geloof, gefundeerd en vast en niet bewogen wordt van de hoop des Evangelies, dat gij gehoord hebt'.
'Verblijdt u in de Heere te aller tijd; wederom zeg ik: verblijdt u'.
'Gelijk gij dan Christus de Heere hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem, geworteld en opgebouwd in Hem en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve met dankzegging'.
Ze danken, wanneer het geloof der gemeente zeer wast, ze zijn vertroost wanneer ze horen dat de gemeente vast staat in de Heere en ze wekken op om op te wassen in Hem, Die het Hoofd is, nl. Christus, om te wandelen als kinderen des lichts, om met vrijmoedigheid toe te gaan in volle verzekerdheid des geloofs, om tot de volmaaktheid voort te varen, de genade vast te houden, uit het geloof te leven en te wandelen en om niet méér te noemen: 'laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden'.
Wat wordt in déze geest weinig getracht door de prediking de gemeente van Christus op te bouwen. Ook in dit opzicht zijn de oude paden verlaten. Men meent soms dat het niet past van zichzelf te belijden een kind Gods te zijn. Dit beschouwt men enigszins als geestelijke hoogmoed. Calvijn zegt echter: 'ons geloof is niets, tenzij we ons zeker overtuigd houden, dat Christus de onze is en dat de Vader ons in Hem genadig is'. 'Niemand kan een kind Gods genoemd worden, die zichzelf niet bekend zulks te zijn'. 'Niemand kan met het hart geloven, zonder met de mond te belijden'. Vandaar ook dat Paulus, die zichzelf een ellendig mens noemde, omdat hij zich geestelijk niet kon uitleven, zoals hij naar de nieuwe mens zo graag zou begeren, toch beleed: 'Wiens ik ben en Wie ik dien'.
Het geestelijk klimaat waaronder we leven is vaak zo geheel anders dan het schriftuurlijk klimaat. Een ander klimaat, een andere geestelijke wind, andere paden.
Oude paden op het kerkelijk erf. Ze roepen ons op tot bezinning. Bezinning ten opzichte van onszelf en van de prediking. Want de nood der kerk, is de nood der prediking.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's