De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vreze des Heeren (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vreze des Heeren (2)

9 minuten leestijd

Wie in Christus gelooft, heeft Hem ontzaglijk hoog; die vreest Hem.

Scopus

Na deze historische terreinverkenning schrijft Vreekamp zijn eigenlijk doelstellingen: we onderzoeken wat de Nieuw Testamentische vreze des Heeren, de vreze Christi, is (Ef. 5 : 21). En dan speelt daarbij onmiddelijk deze vraag 'n rol: is deze vreze Christi iets anders dan de Oud Testamentische oerervaring van de vreze Gods of is hier juist sprake van een diepe eenheid?

Vervulling

Als Christus komt om wet en profeten te vervullen, is de meest primaire geloofszekerheid deze, dat in Christus niemand minder dan God Zelf verschijnt. Vandaar dat de Godsvreze ten overstaan van Jezus niet opgeheven wordt, maar zelfs toeneemt. Toeneemt, m.n. vanwege de waarlijk ontzag-wekkende openbaring der verborgenheid in kruis en opstanding. Immers, verborgen en ondoorgrondelijk is ons het geheimenis, hoe het kruis tot opstanding leidt. Christus' dood is werkelijk de dood en nochtans is in deze dood de dood dóód en het Leven aan het licht gebracht. Zo wordt ten overstaan van Christus de Godsvreze tot vervulling gebracht. Christus nu is niet alleen het 'voorwerp' van de vreze, maar tegelijk ook het onderwerp. Een prachtige, door Kohlbrugge geïnspireerde passage volgt nu. Christus is het oerbeeld van de vreze Gods, daar het Zijn spijze was om in dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid te doen de wil van Hem die Hem gezonden had (Joh. 4). Hij is verhoord op grond van Zijn Godsvreze (Hbr. 5). Plaatsvervangend vervulde Hij de vreze des Heeren. Zo spreken wij over Christus met twee woorden tegelijk: in Hem openbaart zich de vreeswekkende God Zelf, en in Hem licht de ware mens voor ons op, de Godvrezende bij uitnemendheid!

Wie nu deze gekomen Christus ontmoet, gaat Hem vrezen en mag verder alle vrees laten varen. Geloven in Christus gaat toe op de wijze van vrezen. Geloven is dus niet: zich een houding van gelovigheid aanmeten en zijn gelovige stand ophouden. Dat is zelfverzekerdheid, dus: geloof in zijn eigen geloof! Wie in Christus gelooft, heeft Hem ontzaglijk hoog; die vreest Hem. Nooit laat het geloof de vreze achter zich als achterhaald, maar die vreze blijft de basis-ervaring waarin het geloof gedragen wordt. Zo is de vreze Christi ook een heilzame begrenzing: zij bewaart de geloofszekerheid voor zelfverzekerdheid en voor de voorbarige greep naar 'gnosis'. Juist wanneer God Zich in Christus geheel openbaart, blijft Hij daarin de geheel Verborgene, Ontzichtbare. Onbevattelijke. Met het oog daarop blijft de gelovige vrezen. Teken van deze geloofsgestalte der Godsvrucht is de waterdoop. De weg tot God, de weg tot het leven is geen andere dan die door de dood heen: begraven worden met Christus in de dood. De oude mens wordt met Christus gekruisigd en begraven, en de vreze des Heeren staat met Christus op als het nieuwe leven. Slechts vanuit deze pascha-ervaring, d.i. vanuit deze doortocht met Christus in Zijn sterven en opstaan kan van een ethische gestalte van de vreze gesproken worden. Zo zoeken wij het leven geheel buiten onszelf en wandelen wij in de nieuwe gehoorzaamheid, Hem aanhangend met waar­ achtig geloof, vaste hoop en vurige liefde.

Onthulling

Tussen deze wereld en de toekomende staat het gericht. De norm bij dit gericht is niemand minder dan God de Zoon. Hij Die gekomen is als Redder, Diezelfde zal komen als Rechter. In Christus heeft God Zijn laatste Woord al gesproken! Wie in ongeloof aan dit laatste Woord voorbijgaat, die gaat voorbij aan die grens 'waarvoor zelfs God geen woorden meer heeft'. Of - zo zouden wij toe kunnen voegen - het moest zijn, dit afgrondelijke woord: Ga weg van Mij...

Wie zou hier niet in eerbied en huiver Hem vrezen? In het geloof wordt de mens tegenover God nooit autonoom, maar blijft geheel aangewezen op Gods genade in Christus. Wij allen (!) moeten immers geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus.

Van kardinale betekenis is in dit kader Openbaring 1, waar Johannes als een dode bezwijkt onder de heilige majesteit van de Rechter van hemel en aarde. 'Als het leven, het eeuwige, zich genadiglijk openbaart, juist dan bekennen wij dat wij midden in de dood liggen' (Miskotte). Deze Johannes hoort: 'Vreest niet! Sta op!, twee mogen niet dood zijn. Ik ben voor mijzelf niet gestorven, maar voor u en voor al mijn geliefden. Ik wil u hier volstrekt niet als een dode zien, gij moet met Mijn leven vervuld zijn...' (Kohlbrugge). Zo wordt Johannes door het sterven heengetrokken naar het nieuwe leven buiten hemzelf! Het is het leven in de ruimte van de komende Christus Die de Gekomene is, de Rechter die de Redder is. Hém vrezen wij. En hoeveel vrees er ook in het hart kan zijn, in de vreze des Heeren is de volmaakte liefde gegeven, en daarom is er in de liefde geen vrees, maar drijft deze liefde der godsvreze de vrees buiten! Maar de vreugde wordt binnengehaald. 'Hier is sprake van die vreugde die geboren is in de vreze, wanneer het tot ons hart begint door te dringen, dat niet de wereldgeschiedenis het wereldgericht zelf betekent, maar dat Jezus komt, om te oordelen de levenden en de doden. Deze vreugde breekt door in de momenten, dat wij, met Johannes, de komende Christus zien, en in het sterven aan Zijn voeten het geboorteuur doorleven van de verheuging met beving... Wanneer wij Hem verwachten... vrezen wij God alleen, en niets of niemand anders.' Hier krijgt de vreze van Christus de gestalte van de hoop. En het is deze vreze die de hoop bewaart voor de wangestalte van een zelfverzekerd toekomstvertrouwen. De hoop is geen zelfstandige instantie, maar onlosmakelijk gericht op en gehecht aan Christus' Persoon. Wij verwachten maar geen schone en heerlijke dingen, maar Christus, en mét Hém ook alle schoons en heerlijks! Niet de hemel, maar Hem!

Dit leven staat in het teken van het vuur. Geen vreemd vuur, maar Christus' vuur. Het is het vuur van gericht, het kleed van Gods heerlijkheid dat verschroeit wat niet bestaan kan voor Hem. Dat vuur ontmoeten we in de ogen van de komende Christus (Openb. 1 : 14). 'Het brandt als het vuur in de brandende braambos, waarin Mozes vertering zag en toch niet omkwam.' Heel de oude schepping wacht de doortocht door het jongste vuur. Met de twee­voudige uitwerking: als loutering ten leven, als vertering ten verderve. En wat gelouterd het nieuwe Jeruzalem binnen komt, zal omkranst en doorstraald zijn van het tot licht verstilde vuur (Openb. 21 : 23). 'In ons levensgedrag worden we bepaald door de ontmoeting waarin de ogen van Christus, als vlammen vuur, ons aanzien. Heel het ethisch handelen als uitdrukking van de vreze Gods komt op deze wijze te staan in het teken van het vuur.'

Verhulling

Christus is in deze laatste dagen tussen Pinksteren en Wederkomst verborgen, verhuld. Fundamenteel voor het christenbestaan in deze 'tussentijd' is het leven in de vreze des Heeren zoals Rom. 11 : 20 dat omschrijft: wees niet hooggevoelende, maar vrees! Dat is een vermaning tot het besef dat wij niet op onszelf kunnen staan, maar alleen in diepe afhankelijkheid van Gods genade. Hooggevoelend zijn is: zichzelf goddelijke eigenschappen aanmatigen door de aards-menselijke maat te willen overtreffen. Vreze is ootmoed, en hoogmoed haar eigenlijke tegenpool.

De gemeente zal in vreze wandelen zegt Petrus (1 : 17) vanwege de heiligheid Gods en Zijn komende oordeel. Dat is het indrukwekkende motief tot heiliging! Christus is in de gemeente aanwezig op de wijze van de Geest en daarbij is fundamenteel het leven, dat met Christus verborgen is in God. (Kol. 3). Met deze verborgenheid van het leven in de presente Christus correspondeert de verhulling van de vreze des Heeren. 'Christus is uit het gezicht verdwenen. Nu is zichtbaar de wolk (Hand. 1 : 9) en slechts hoorbaar Zijn stem. In Zijn verborgenheid is Hij echter meer nabij dan tijdens Zijn leven op aarde, namelijk in de gestalte van de Geest. De vreze des Heeren geeft uitdrukking aan de ervaring van deze verborgen én aanwezige God in Christus.' Daarin zijn tegelijk aanwezig de momenten van distantie en verbondenheid, en dat wil zeggen dat wij geheel en al blijven op de plaats die ons Christus is toegewezen, zonder hoogmoed. De mortificatio en de vivificatio (doding en levendmaking) vormen het wezen van de dagelijkse groei in de vreze Gods, vanuit het begraven zijn en het met Christus opgewekt zijn in een nieuw leven. Op deze wijze gaan de leden van Christus' gemeente dan ook met elkaar om. Ze staan met vreze en beven elkaars behoud niet in de weg. Al stervend geven zij zichzelf, wetende, dat het stervende tarwegraan in gemeenschap met Christus 'de oogst tegemoet sterft'. Dit gevende leven is gedragen door de verborgen, vertrouwelijke omgang met God in de toch ontzagwekkende distantie.

In dit verband brengt de schrijver de liefde ter sprake. De vreze heft de liefde niet op, maar beschermt haar, laat haar tot bloei komen en begrenst haar heilzaam. Ware liefde (in vreze!) acht de geliefde hoger dan eigen zelf! Onder deze licht wordt de aandacht gevestigd op de verhouding man-vrouw. De vrouw zal de man vrezen! Hierbij is geen sprake van patriarchaal despotisme. Integendeel, de man is daarom hoofd, omdat hij behouder van het lichaam is. Hij is zó hoofd, dat hij zijn vrouw liefheeft als zijn eigen lichaam. Aan deze gevende, offerende liefde zal de vrouw zich zonder enige reserve overgeven! 'Het vrezen is daarbij de uitdrukking van het zich overgeven aan de liefde die ontzagwekkend is.' Zo komt de vrouw tot haar eigen bestemming van kroon der schepping te zijn!

Het is duidelijk dat deze liefde-in-vreze geheel christologisch bepaald is (Efez. 5!). Christus heeft Zijn gemeente lief, maar Hij vreest haar niet. De gemeente vreest Christus en daarin (en daardoor gedragen) heeft zij Hem lief. 'De vreze bewaart de liefde voor die vertrouwelijkheid waarin de distantie, en daarmee het ontzag, is opgeheven.'

Dit leven in de liefde staat in het teken van brood en wijn. 'De vreze Christi gaat (...) het leven in via de gegeven tekenen van brood en wijn van de tafel des Heeren.' Nu is er een 'vreze des Heeren' die met die vrees waarin eenzijdige nadruk valt op de godheid van Christus en daarmee op de afstand tussen Zijn majesteit en ons mensen. Anderzijds dreigt het moment van distantie te vervagen of zelfs te vervallen waar alle accent komt te liggen op Christus' mensheid. De vreze des Heeren weet van beide momenten: distantie en verbondenheid als weerspiegeling van Christus' twee naturen! 'In de wijze van de viering van de maaltijd des Heeren komt openbaar hoe de gemeente zich weet te staan voor het aangezicht van de presente, doch verborgen Christus.' De rechte viering in ontzag en aanbidding maakt de ethiek van de vreze des Heeren zichtbaar: de vele graankorrels zijn tot één meel gemalen. De liefde wordt niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkaar bewezen. Vanuit de bronervaring aan de Tafel wandelt de gemeente in de geboden Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De vreze des Heeren (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's