De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Er is geen vaststaande vorm van kerkdienst voor alle tijden.

Dr. Hendrik Algra

In Schep's Kerknieuws van 18 juni troffen we een kort artikel aan ter gedachtenis aan de onlangs overleden politicus, historicus en journalist Hendrik Algra, ere-doctor van de VU. De schrijver wijst op de overeenkomst tussen Rijnsdorp en Algra. Beiden hebben veel betekend voor de bewustwording van het gereformeerde volksdeel in de sameneleving. Algra deed dat vooral op historisch en politiek terrein. Wie zich later zal bezighouden met de geschiedenis van het reformatorisch volksdeel in Nederland zal beide namen nog wel eens tegenkomen.

'Wat zal hem dan in Algra treffen? Wat is de betekenis van deze Friese calvinistische politicus, historicus en journalist geweest? Eén van Algra's grote verdiensten is geweest dat hij niet alleen de geschiedenis grondig bestudeerde, maar ook haar beschreef voor de velen die dat niet konden doen, maar er toch graag veel van wilden weten. En ik denk dat nog niet eens dat beschrijven, het belangrijkste was. Dat was vooral de wijze waarop Algra dat deed. Hij vertelde. Hoeveel bijzonderheden wist hij niet. Hij was er niet bang voor dat zijn geschiedschrijving daardoor te anekdotisch zou worden. Hij begreep dat een historicus voor alles verteller moet zijn. En hij vertelde over mensen. De geschiedenis was voor hem de geschiedenis van mensen. Al die verhalen deden aan de wetenschappelijke kwaliteit van zijn werk niet af. Geschiedschrijver met voorbeelden en verhalen kan best wetenschappelijk verantwoord zijn. Hoeveel leraren hebben niet dankbaar gebruik gemaakt van de anekdotes, de voorvallen, die Algra en zijn broer vermeldden in hun geschiedwerk Dispereert niet. Wie zijn geschiedenisles wilde illustreren, wie voor zijn leerlingen levende mensen wilde uitbeelden, kon daar terecht.

Daarnaast is Algra een bekwaam politicus geweest. Hij was dat volgens zijn eigen stijl. Hij was niet een bekend partijleider, wiens naam elke dag op de voorpagina van alle dagbladen stond. Er zijn geen kabinetten naar hem genoemd. Hij is zelfs nooit minister of lid van de Tweede Kamer geweest. Hij was vele jaren lid van de Eerste Kamer, maar die timrrtert niet zo aan de weg. Er zijn heel wat Nederlanders die deze kamer best voorgoed naar huis willen sturen. Maar Algra voelde zich daar op zijn plaats. Zijn bekwaamheid kwam vooral daarin uit dat hij een integer mens was en bleef. Hij wist dat een christen ook als politicus een leesbare brief moet zijn.

Bovendien heeft Algra vele jaren vlot en vaardig de pen gevoerd. Over zijn journalisdeke werk zou veel te zeggen zijn. Maar ik beperk me tot Algra's houding tijdens de bezetting. Hij.wenste niet te schrijven onder het oog van de bezetter. Dan moest zjn krant, het Friesch Dagblad, maar niet meer verschijnen. Hij kwam niet met de redenering dat een krant ook in zulke omstandigheden nog zoveel goeds kan doen en de lezers dan toch nog tussen de regels door wel een boodschap kan brengen. Er waren christelijke kranten die zo'n standpunt wel innamen. Een journalist kan echter alleen maar schrijven als hij vrij zijn gedachten en opvatting kan uitdragen. Algra wist van geen wijken. Hij begreep wat Van Randwijk in de bezettingstijd onder woorden bracht: een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen; dan dooft het licht. Algra zwichtte niet voor tirannen. Hij doofde liever zelf de lichten van zijn krant. En daardoor straalden ze juist helderder dan wanneer zijn blad zolang mogelijk was verschenen.

Hendrik Algra, die van het ontstaan en het bestaan van de Nederlandse natie zoveel afwist, heeft in de misschien wel donksterste tijd van ons volksbe­ staan zijn licht laten schijnen. Ik denk dat dat zijn grootste verdienste is geweest.'

Wie de auto-biografie schets van Algra ter hand neemt wordt getroffen door de gereformeerde vroomheid die dit leven gestempeld heeft. Bij Algra beseft men dat de calvijnse vroomheid en geloofsbeleving zowel de binnenkamer en het hart als de terreinen van kerk en staat betreffen. Bevinding en politiek waren voor hem geen tegenstellingen. Juist de christen die weet van de verborgen omgang met God weet dat de naam van deze God ook beleden dient te worden ten overstaan van goden en machten.

Calvijn over de liturgie

Van de vele terreinen waarop Johannes Calvijn bezig is geweest, dient ook genoemd te worden het terrein van kerk en eredienst. Soms krijgt men de indruk dat calvinistisch bezig-zijn op het terrein van de liturgie het zelfde is als slordigheid en nonchalance. Niets is minder waar. De hervormer heeft zich zeer uitvoerig bezig gehouden met de liturgie. De rechte liturgie wordt daar gevonden waar men haar inricht naar de regels van Gods heilig Woord. Drie dingen blijken uitdrukkelijk geboden te zijn. Ds. T. Brienen wijst daarop in een artikel in De Wekker van 25 juni.

'Voor de reformatoren betekent de liturgie niets minder dan de ontmoeting van de sprekende, gevende God in Christus door de Geest met zijn horende, ontvangende en antwoordende gemeente in het geloof. Binnen dit grote kader behoren de elementen en handelingen geplaatst te worden, naardat God ons in Zijn Woord heeft opgedragen. Voor dit Woord wil Calvijn ook buigen, waar het de liturgie betreft. In zijn Institutie schrijft hij, dat hij tegenover "al te vreesachtige mensen, die... geen enkele wet, al is ze nog zo heilig, toelaten'' - waarschijnlijk een toespeling op de dopersen en de spiritualisten van zijn dagen - het nodige acht "te betuigen, dat ik slechts die menselijke inzettingen goedkeur, die gegrond zijn op Gods gezag en uit de Schrift genomen en dus geheel en al goddelijk zijn". En elders zegt hij: "Verder is de algemene regel, die de zuivere vereniging van God van de verdorvene onderscheidt, dat niet wijzelf uitdenken wat ons goed lijkt, maar dat wij in acht nemen wat Hij voorschrijft, die alleen de macht heeft te bevelen".

In een preek over de eerste brief van Paulus aan Timotheus luidt het: "En ook merken we terecht op, dat wanneer wij de dienst van God naar onze fantasie willen uitdenken, dit een arrogantie is, die volstrekt niet te handhaven is. En waarom? Omdat God dé autoriteit over ons wil hebben om ons te besturen; Hij wil dat alle bescheidenheid en bedachtzaamheid, die wij behoeven om te oordelen over goed en kwaad, zal bestaan in het luisteren naar Hemzelf'.

Zo wil Calvijn bij iedere bespreking van liturgische zaken teruggrijpen op uitspraken en gegevens van de Bijbel. Gods wil moet heersen in de samenkomst der gemeente en de mens mag geen eigenmachtige bepalingen en gebruiken invoeren. Het Woord van God is ook hier de enige norm. Dit is voor Calvijn een absolute regel. Er is ook geen heiliger zaak, waar hel zo nauw let, dan de dienst van God! Nu betekent dit niet, dat God ons in Zijn Woord een volledige blauwdruk van de samenkomst en de orde van dienst heeft gegeven. De Heere heeft niet alles tot in de puntjes en details willen voorschrijven. Zo'n slaafse, wettische of fundamentalistische opvatting van het omgaan met de Schriften is hem vreemd. Daar weet hij niet van. Het gaat bij deze reformator om een geestelijke conformiteit aan de Schriftopenbaring van de Heere God en om een geloofsvolle onderwerping aan Jezus Christus, die het hart en de kern van de Schriften is, het centrum van heel Gods heilsopenbaring. En bij dit alles moet men ook nog rekening houden met de situatie, waarin men verkeert en met de gemeente, waarmee men de dienst volbrengt. Vanuit dit hermeneutische uitgangspunt trekt Calvijn lijnen uit de Schrift naar onze liturgische handelingen. De Bijbel geeft geen blauwdruk dus, geen klare liturgische orde om overal te gebruiken. Zo heeft God ons niet bepaald en voorgeschreven in Zijn woord. Wat heeft God ons dan wel geboden?

In zijn La Manyère - een liturgisch handboekje uit 1542 - zet Calvijn uiteen, dat er drie dingen in de Heilige Schrift uitdrukkelijk geboden zijn. Die moeten altijd geschieden en daardoor moeten de samenkomsten beheerst worden. Deze drie dingen zijn:

1. de prediking van Gods Woord en die moet duidelijk, verstaanbaar en bevattelijk zijn voor de gemeente.

2. de gebeden en die kunnen tweeërlei zijn, namelijk de gesproken en de gezongen gebeden.

3. de sacramenten, die getuigenissen zijn van de betrouwbaarheid van Gods beloften en heil. Waar deze drie dingen gevonden worden, is er een wettige samenkomst naar de wil van God.'

Binnen dat wat door de Heere in Zijn Woord uitdrukkelijk geboden is, houdt Calvijn een grote ruimte voor regelingen die we naar eer en geweten moeten treffen.

'Calvijn geeft hiervan zelfs een voorbeeld. Hij wijst dan op het knielen bij het bidden. Is dit, zo vraagt hij, een menselijke instelling, die ieder mag verontachtzamen? Deels wel, aangezien de apostel Paulus er slechts zeer in het algemeen op wijst. Anderzijds komt het ook van God, omdat het hoort bij de betamelijkheid, welker waarneming de apostel ons aanprijst. Zo liet Calvijn de gemeente knielen bij de openlijke gebeden en bij de zondenbelijdenis in de kerkdienst, al kon dit niet op een direct en een altijd geldend gebod van God worden teruggevoerd.

Zo blijkt de Heere God ons in Zijn Woord niet alles stuk voor stuk te hebben voorgeschreven, omdat Hij voorzag dat dit afhangt van de tijdsomstandigheden. Hij oordeelde, dat één vorm niet paste voor alle eeuwen. Daarom moeten wij ons houden aan de algemene regels, die Hij ons gaf en zien, wat tot stichting en onderhouding van orde en betamelijkheid strekt. Er zijn heel wat zgn. middelmatige dingen, die God Zijn kinderen ter regeling heeft overgelaten, opdat we ze doen zullen in verantwoordelijkheid en wijsheid voor God en elkaar!'

Mij dunkt dat het goed zou zijn als we ook in dit opzicht volgelingen van Calvijn zouden zijn. Gebondeheid aan Gods Woord, en tegelijk vrijheid ten aanzien van de middelmatige dingen. Terecht noemt Brienen dit liturgisch beginsel zeer aktueel ook voor de situatie van vandaag. Zouden we hier meer ernst mee maken, dan zou er minder zucht zijn elkaar te verketteren, juist ten aanzien van de middelmatige dingen. Ik denk aan zaken als het staande zingen van de slotzang, het al of niet ritmisch zingen, kwesties van berijmingen en vertalingen. Brienen geeft in een tweede artikel enkele voorbeelden van de wijze waarop Calvijn zelf binnen gebondenheid aan de Schrift, de vrijheid vorm heeft gegeven.

'Calvijn heeft zijn visie op de liturgische vrijheid zelf ook duidelijk in praktijk gebracht en daar is heel wat van te leren. Hij sloot zich steeds zoveel mogelijk aan bij bestaande situaties en mogelijkheden, zowel te Geneve als te Straatsburg. Zo gaf hij in beide plaatsen een andere liturgie. Daarom hebben we van Calvijn niet één enkele orde voor de samenkomst van de gemeente, maar meerdere. Het theologisch motief achter de verschillende uitgaven van Calvijns liturgie is dan ook de overtuiging van de door de Heere God in Jezus Christus gegeven vrijheid in ceremoniën. Ik kan verder wijzen op het feit, dat Calvijn, hoewel hij voor een maandelijkse Avondmaalsviering was, toch maar vier keer per jaar het Avondmaal te Geneve vierde, omdat de plaatselijke overheid hem niet meer toestond. Hij was ook voor een Avondmaalsviering aan ernstige zieken, maar daar dit te Geneve tot grote onrust zou voeren, verkoos hij de vrede en liet het na.

Hij was voorstander van de openbare afkondiging van de zondenvergeving in de kerkdienst. Hij achtte het nuttig na de publieke belijdenis van zonden een plechtige belofte uit te spreken, die de hoop uit vergeving schonk. Toch voerde hij deze te Geneve niet in uit vrees, dat men zich aan de nieuwigheid zou ergeren, hoewel hij deze afkondiging in Straatsburg steeds gebruikte.

Calvijn legde zich ook neer bij de in Geneve tegen zijn wil ingevoerde feestdagen. Maar tegelijk schrijft hij: "Over het luiden der klokken en de feestdagen zijn wij van mening, dat ge deze onbehoorlijkheden liever moet dulden dan de post, waarop ge door de Heere geplaatst zijt, verlaten; als ge ze maar niet goedkeurt, als het u ook maar vrij staat, de daaruit voortvloeiende bijgelovigheden te berispen en als ge daarop met ijver toelegt''. In een brief aan Franse vluchtelingen te Wesel, die door de plaatselijke Lutherse predikanten gedwongen werden hun liturgische gebruiken in acht te nemen en die daarover raad vroegen aan de predikanten te Geneve, schrijft Calvijn, dat hij het betreurt dat de lutherse predikers zulks eisen. Ze zouden veeleer alles moeten doen om de gemeente te bouwen en alles wat de klaarheid van het evangelie verduistert, moeten wegsnijden. Er is in de lutherse eredienst nog een rest van rooms bijgeloof. Maar tegelijk zegt hij tot zijn Franse broeders en zusters: Weest niet alleen rustig, maar verdraagt zulke zwakheden en pas je aan aan de bestaande gebruiken zoals brandende kaarsen bij het Avondmaal en hosties met afbeeldingen erop. Het zijn geen hoofdzaken. Het is Gods kinderen toegestaan veel te aanvaarden, wat ze zelf niet goed vinden. Het komt er maar op aan te weten, hoever onze vrijheid gaat. Dit is ons uitgangspunt: de een moet zich aan de ander aanpassen in alle ceremoniën, die geen beslissende invloed op het belijden van ons geloof hebben, opdat de eenheid der kerk niet door onze te grote stiptheid of angstvalligheid verstoord worde. Uit deze en andere handelingen en uitlatingen van Calvijn is duidelijk, hoe hij over de vrijheid in de ceremoniën en in de liturgie dacht.' .

Brienen trekt tenslotte enkele consequenties uit deze calvijnse principax, die we graag en met instemming overnemen. Daar waar het centrum van de eredienst duidelijk erkend wordt in wat God ons uitdrukkelijk geboden heeft is een grote mate van openheid en bewegelijkheid. Er is geen vaststaande vorm van kerkdienst voor alle tijden. We zullen elkaar niet kunnen binden aan bepalingen uit het verleden. De toepassing in de vormgeving kan verschillen al naar gelang van tijd en plaats en omstandigheden. Er moet ook de mogelijkheid zijn van voortgang vanuit een steeds dieper ontdekken van de schatten van Gods heil in Christus. Tenslotte is er de eschatologische gerichtheid. Liturgische bezinning geschiedt hier in voorlopigheid in het perspectief van de hemelse eredienst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's