De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vreze des Heeren (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vreze des Heeren (3)

9 minuten leestijd

Aan alle dogmatische verstaan en inzicht gaat de vreze des Heeren vooraf.

Het begin der wijsheid

In de laatste drie onderdelen wil de schrijver de dogmatische winst bergen van het nieuwtestamentisch onderzoek. Het eerste wat Vreekamp dan gezegd wil hebben is dat de vreze des Heeren niet te verwarren is met wat Heppe (die een bekend leerboek dogmatiek schreef) noemt: het bewustzijn dat God bestaat en vereerd moet worden, als oervorm van natuurlijke religie. Zulk een 'vreze' is naamloos. 'De vreze des Heeren wordt in de Schrift niet verstaan als opkomend vanuit het menselijke bewustzijn, maar wordt gekend als predikaat van (behorend bij) de openbaring.' Zij is geheel gebonden aan de openbaring van de Naam Gods in Christus. De dogmatiek kan dus niet inzetten met een algemene, naam-loze 'Godskennis', maar moet vanaf de eerste uitspraak geheel staan in het teken van de doop met water, d.w.z. gegrond op en gedrenkt in Christus' kruis en opstanding. Aan alle dogmatische verstaan en inzicht gaat de vreze des Heeren vooraf. 'Voordat de dogmaticus woorden aan het papier durft toevertrouwen, overvalt hem de huiveringwekkende stilte, vanwege de verborgenheid (het ondoorgrondelijke, onbevattelijke van kruis en verrijzenis) van de Naam, vanwege de klanken die hij in deze Naam gaat horen en waarvan hij weet hoe ontzagwekkend de grondtoon is. Is deze Naam ooit uit te spreken, laat staan te omschrijven? ' De dogmaticus moet een gedoopt mens zijn, d.w.z. dat hij 'in zijn leven en in zijn denken de verborgenheid van de doortocht van de dood naar het leven in Christus kent'. En een gedoopt dogmaticus zal de schroom kennen om woorden te hanteren die niet 'gedoopt' zijn. Onze oerwoorden die wij geneigd zijn over de Bijbelse grondwoorden heen te spannen, worden aan de poort van het dogmatisch terrein ondervraagd op hun dienstbaar zijn aan de zaak van de verkondiging der kerk!

Wanneer deze vreze des Heeren de inzet van de dogrnatische bezinning is, vallen er twee belangrijke beslissingen. Ten eerste: theologie is woordtheologie. In het Woord (geopenbaard, geschreven, en verkondigd) ontmoeten wij God met diep ontzag. Het is de sprekende God die te vrezen is. Ten tweede bepaalt deze inzet de ordening van de dogmatische stof: een heilshistorische uitgezette lijn rond Pasen, Pinksteren en Wederkomst. De inzet van de dogmatiek is onmiddellijk christocentrisch van aard. Onmiddellijk op de inzet volge dan het hoofdstuk over de verheerlijking. In de vreze des Heeren willen zo eerst de gestelde grenzen zijn uitgezet: waterdoop en vuurdoop. Dat wil zeggen: ons denken en spreken dient te staan in het teken van de gekomen en de komende Christus. Als de grenzen uitgezet zijn volgt het brede middenveld der dogmatiek.

Het einde der wijsheid

Einddoel van de dogmatiek is de verheerlijking van God. Het slotakkoord hoort de dirigent reeds bij de inzet van de muziek! De eschatologie is maar geen aanhangsel, doch voortdurend perspectief in heel de dogmatiek. Onze dogmatische bezinning wordt geheel ten vure bewaard. Wij spreken voor-laatste woorden die de vuurdoop te wachten staat, geen laatste woorden. 'Wanneer de dogmatiek eschatologisch van structuur wil zijn (...) dan weet de dogmaticus zich als een dode aan Christus' voeten, en weet hij tegelijkertijd dat het leven, ook inzake de dogmatiek, niet dan vanuit de rechterhand van de Opgestane ons toekomt.'

Het hart der wijsheid

Tussen de gestelde grenzen van waterdoop (gekomen Christus) en vuurdoop (komende Christus) is door de Heilige Geest in deze tijd van de verborgen Christus ruimte geschapen voor de vreze des Heeren als draaggrond van de liefde. In de vreze des Heeren kennen wij God niet onmiddellijk en rechtstreeks, maar verborgen en verhuld in de openbaring, door Woord en Geest. De liefde in vreze wil dit geheim der openbaring bewaren. Dat betekent dat de notie van de verborgenheid, van het geheimenis centraal staat in de samenhang en alle onderdelen van de dogmatiek. Wij spreken allerwegen in het diep ontzag van de liefde. In dit kader komt Vreekamp tenslotte tot een bezinning op een ethiek van de vreze des Heeren. Vanwege de eenheid van hart en leven in de vreze des Heeren kan er geen scheiding zijn tussen dogmatiek en ethiek. Het geloof is door de liefde werkende. De decaloog is norm en richtsnoer van het nieuwe leven. In inzet van de tien woorden is als de liefdesverklaring van de Bruidegom jegens zijn bruid. Zo trekt Hij de grenzen en schept Hij de ruimte waarin de liefde wonen kan. Vreekamp geeft dan een aanzet tot de uitleg van Gods heilige tien woorden. Ieder woord wekt het diep ontzag der liefde. De vrucht van zulke ethiek van de vreze des Heeren is dat niemand hoeft te vrezen voor een godvrezende.

Vragen

De uitvoerigheid waarmee we dit boek weergeven is te verstaan als een teken van onze grote waardering. En het is onder deze accolade dat we een zevental vragen aan de schrijver voorleggen, die bij ons opkwamen.

Diepste bedoeling?

Vreekamp wil deze studie ten diepste niet anders laten zijn dan een poging tot theologische verantwoording van de vrees die de kerk ten opzichte van Israël kennen zal, tot welke vrees Rom. 4 : 20 z.i. oproept! En nu is juist deze poging wat mij betreft niet geslaagd. Maar ik haast me om te zeggen dat daarmee de essentie van deze studie voor mij bepaald niet staat of valt, omdat naar mijn besef die essentie elders ligt: in de poging om geloof, hoop en liefde heilzaam te gronden op en te begrenzen door de vreze ten opzichte van de Heilige Naam des Heeren! Dat deze vreze des Heeren dan óók bepalend is in de confrontatie met Israël, zal waar zijn; immers de vreze des Heeren is al-omvattend en alles-bepalend. Maar dat Vreekamps studie nu juist niets anders dan deze vrees t.o.v. Israël verantwoordt, is mij niet duidelijk geworden.

Naar mijn gevoel wordt het slot van Rom. 11 : 20 exegetisch overvraagd. Bedoelt de apostel daar meer dan dit: wie staat, zie toe dat hij niet valle? Bedoelt hij meer dan dit: als God Zijn volk Israël vanwege diens ongeloof niet spaarde, dan zal Hij ook van Zijn gemeente de vleselijke overmoed van het ongeloof niet nemen! Genade en oordeel liggen vlak bij elkaar (Koopmans). Ik zou daarom hier niet spreken van een vrees t.o.v. Israël, maar van de vrees die reliëf krijgt o.a. door de gedachte aan wat met Israël is gebeurd.

Israël?

Vreekamp spreekt nogal eens van de 'kerk en het volk van God', Israël. Inzake de vreze des Heeren betekent dit dat deze vreze de gemeenschappelijke grondtrek en begrenzing is van het geloof van gemeente en Israël. En nu heeft deze dissertatie mij wél overtuigd van een diepe grondovereenkomst tussen vreze des Heeren in het Oude Testament en die in het Nieuwe Testament (dus het vóór-christelijke - nochtans uit Christus levende - Israël en de na-christelijke gemeente), maar niet van enige gemeenschappelijke vreze des Heeren bij de gemeente en het huidige Israël!

Op blz. 52 stelt de schrijver de vraag: is de oerervaring van het Nieuwe Testament niet evenzeer die van de vreze des Heeren zoals zij dat in Israël geweest is en nog is? En: kunnen Israël en de kerk elkaar ontmoeten vanuit een gemeenschappelijke grondervaring wat de Godsrelatie betreft? Wel, ook deze studie noopt mij om daar t.o.v. het huidige Israël nee op te zeggen. Eenvoudigweg hierdoor: de vreze des Heeren is toch Naam-gebonden, en deze Naam is toch eens en voorgoed (ten laatste) uitgesproken in Jezus Christus? Kan er dan sprake zijn van vreze des Heeren waar deze Naamopenbaring (nog) niet gevreesd wordt, sterker: waar de Christusnaam verworpen wordt? Ronduit toegegeven: wie zal het laatste woord over Israël spreken? Alleen God zal het doen! Rom. 11 : 25 noemt het niet zonder reden: verborgenheid! Ik denk dat deze verborgenheid door collega Vreekamp niet voldoende gerespecteerd (gevreesd) is, wanneer hij bij Israël-buiten-Christus méér veronderstelt (of suggereert) dan er is. Tenzij ik hem niet heb verstaan, óf Israël niet heb verstaan... Vreekamps affiniteit met Kohlbrugge is met de handen te tasten. En hij zou juist geen Kohlbruggiaan zijn als hij deze meester slaafs zou napraten. Waarmee ik maar zeggen wil dat ieder die door (via!) Kohlbrugge gegrepen is, best de pas eens inhouden en ook wel eens versnellen mag waar Kohlbrugge te traag of al te voortvarend wordt. Maar zou Kohlbrugge's Israël-visie (met sterk reformatorische, ja Paulinische wortels - kortgezegd: wij zijn de besnijdenis, wij, die God in de Geest dienen - sc. uit Jood en heiden! - en in Christus Jezus roemen en niet in het vlees betrouwen', Fil. 3!) wel een bijkomstige, onbelangrijke blinde vlek vormen in het geheel van diens theologie, of zou zij integendeel wel eens heel wezenlijk gestructureerd kunnen liggen in basis en gebinte van zijn prediking? Een vraag waarvan ik het rechte niet weet, en die de moeite waard was geweest (en is) om te onderzoeken.

Verhouding Oude Testament-Nieuwe Testament

Heilzaam en bevrijdend is de zware nadruk op de eenheid van Oude Testament en Nieuwe Testament. Toch heb ik de indruk dat bijbelstheologisch de eenheid alleen dialectisch ter sprake komen kan, wanneer zij onmiddellijk geflankeerd wordt door de onmiskenbare notie van de verscheidenheid; en andersom! Zoals bekend, heeft Calvijn dat zo gedaan (II? IO en II): én wezen, tweeërlei bediening. Krijgen op die wijze uitspraken over het tuchtmeesterschap van de wet (Gal. 3 : 24, 25), en de tastelijke berg tegenover (!) de berg Sion (Hebr. 1 : I v.) niet meer reliëf? En zou hier geen samenhang kunnen liggen met de spanningsvolle wijze waarop bv. Luther, Calvijn en Kohlbrugge hebben gesproken (en gepreekt) van de heilsordelijke bediening van Wet en Evangelie, waarbij van de Wet een onopgeefbaar ontdekkende, aanklagende en dodende werking uitgaat?

Ik zeg dit met schroom, wetend dat Luther op gevorderde en theologisch gerijpte leeftijd nog sprak: 'Niemand weet recht te onderscheiden tussen Wet en Evangelie; ik heb gedacht dat ik het kon, maar het is er nog ver vandaan. Alleen de Heilige Geest kan het...'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De vreze des Heeren (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's