De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Euthanasie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Euthanasie

9 minuten leestijd

We gaan in de geschiedenis terug en zien dan dat men het opzettelijk verkorten van een mensenleven niet geoorloofd vond op grond van de onaantastbaarheid en heiligheid van het leven.

We zijn er de laatste tientallen jaren langzamerhand aan gewend geraakt dat allerlei zekerheden aangevochten werden, dat allerlei beginselen terzijde geschoven werden en dat andere levensbeschouwingen, die zeer verschilden van de onze, werden ingedragen. Door dit alles is het denkpatroon zeer verward geworden. Dit verschijnsel openbaarde zich niet alleen op het gebied van de uitingen van de menselijke geest, maar ook op het terrein van het godsdienstig geestelijk leven, waarvan de beginselen niet in de menselijke geest, maar in de H. Schrift gelegen zijn. Dat betekent ten aanzien van ons onderwerp euthanasie, d.i. goede dood of zachte dood, dat men zich verdiept in het leven en het einde daarvan om tenslotte bepaalde conclusies te trekken betreffende leven en dood, conclusies waarin de waardering van leven en dood en de verantwoording er voor tot uitdrukking komen. De principiële achtergronden die hierin meespreken willen we nader beschouwen. Tegelijk zullen ook andere facetten ter sprake komen.

18e en 19e eeuw

We moeten overigens wel bedenken dat euthanasie in het verleden al meer onderwerp van gesprek is geweest. In de 18e en 19e eeuw verstond men onder euthanasie de kunst om bij ongeneeslijk zieken de dood te verlichten door te zorgen voor een rustige dood en troost te bieden in de laatste levensperiode.

Volgens Brockhaus 1894 is euthanasie '...dat optreden waardoor de arts de onvermijdelijke dood voor de stervende zo licht en pijnloos zoekt te maken als mogelijk is. Het bestaat hoofdzakelijk uit doelmatige ligging, het ver houden van alle storingen van buiten af, verzachting van pijn door anaestetische middelen, zorg voor frisse lucht en het toedienen van zachte en lavende dranken. Gelet op het scherpe gehoor dat stervenden dikwijls tot het laatste ogenblik hebben, is de grootste voorzichtigheid geboden ten aanzien van uitingen van de omgeving. Ook wanneer de stervende schijnbaar helemaal niet betrokken is bij alles om zich heen, toch moet men in zijn tegenwoordigheid zich onthouden van alle aanduidingen van de aanstaande dood.'

Dat is heel wat anders dan de definitie van Kuitert in Gewenste dood. Deze definitie luidt: 'euthanasie is een opzettelijk levensverkortend handelen (inclusief het opzettelijk nalaten van handelen) door een ander dan de betrokkene, op diens verzoek' (blz. 29).

Aan beide definities ligt duidelijk een humanitaire opvatting ten grondslag. Niemand zal dat kunnen ontkennen, maar omdat ze beiden van een totaal verschillende denkwereld uitgaan, eindigen ze tegengesteld. Daarom is het noodzakelijk na te gaan hoe van het een het andere kon komen.

We gaan in de geschiedenis terug en zien dan dat men het opzettelijk verkorten van een mensenleven niet geoorloofd vond op grond van de onaantastbaarheid en heiligheid van het leven. Men beschouwde dit immers als een gave van God. Een uitzondering maakte men voor de doodstraf en oorlogsgeweld. Tegen het einde van de 19e eeuw begint evenwel een discussie los te komen over euthanasie, die men als een aanzet voor de opvattingen van vandaag zou kunnen zien. In 1895 verschijnt een boek van A. Jost, Das Recht auf den Tod. Voor hem telt alleen de natuurlijke moraal, d.w.z. de aandacht voor het welzijn van de maatschappij en het medelijden met het lijden van de enkeling. Hij is van mening dat 'wanneer bij een ongeneeslijk zieke de waarde van een mensenleven negatief wordt door een maximum aan leed en nutteloosheid, dan is de dood van deze mens wenselijk voor hem als ook voor zijn omgeving'. Hij vindt de godsdienst inconsequent omdat ze enerzijds zich beroept op de bovennatuurlijke waarde van het leven en met dit beroep tegelijk weigert de naastenliefde te beoefenen jegens een ongeneeslijke en lijdende mens.

Cultuurpatroon

Achtergrond van dit alles is de moraalfilosofie en ethische theorie van de nuttigheidsmoraal, het utilisme, dat in de 19e eeuw vanuit Engeland naar Duitsland overwoei. Zonder verder in te gaan op het liberale optimisme tegen het eind van de vorige eeuw, zonder verder in te gaan op de voor die tijd toenemende industrialisatie als gevolg van de ontwikkeling van het technisch kunnen, willen we wel letten op het cultuurpatroon van die tijd.

Zoals nu in de 2e helft van de 20e eeuw zien we ook in de 2e helft van de 19e eeuw als gevolg van het kunnen en kennen van de mens een eigendunk ontstaan, die zich de vrijheid veroorlooft om alle gegevenheden van het leven aan zijn kritiek te onderwerpen, ook de godsdienstig geestelijke. Onder ons als theologen is de rationalistische kritiek van WelIhausen een der meest bekende. Zijn kritische opvattingen ten aanzien van de H. Schrift aangaande het waarheidsbeginsel en het daarmee verbonden inkorten van het gezag van de H. Schrift komen steeds meer tot ontplooiing. De toename van de kennis en de vlucht van de wetenschap dragen er toe bij, dat men zich steeds meer wil bevrijden van wat men knellende banden acht, omdat men meent dat deze de ontwikkeling van het individu in zijn geestelijk denken en leven belemmeren. De mens moet ontwikkeld worden tot een steeds meer en tenslotte absoluut zelfstandig wezen. Daarmee zijn we tegelijk genaderd aan de grenzen van een geestelijk liberalisme, de vrijdenkerij. Veel daarvan is over de hoofden van de massa heengegaan omdat men:

1. te weinig ontwikkeld was om te begrijpen waar het om ging;

2. men de middelen niet had om zich de bronnen i.e. de boeken te verschaffen;

3. men te zeer in beslag was genomen door de zorg voor het dagelijkse levensonderhoud.

Zelfbeschikking

Het godsdienstig leven bleef intussen niet onberoerd door de geest van de tijd. De strijd tussen orthodoxie en vrijzinnigheid, reeds in­ gezet in de vorige eeuw, laaide weer op. In de 20-er en 30-er jaren werd de strijd gevoerd vanuit geconsolideerde fronten. Eerst na wereldoorlog Il vond er een doorstoot plaats. Evenals in de 2e helft van de 19e eeuw gaf de ontwikkeling van het kunnen van de mens een prikkel tot toeneming van het besef van eigenwaarde en daarmede tot de mening dat men het recht heeft op zelfbeschikking. Dit dient men dan te verstaan als staande tegenover de beschikking van Godswege. Daar komt nog bij, dat meer dan in de vorige eeuw de consequenties van de moderne filosofie zich hebben laten gelden bij de meningsvorming. De toename van de intellectuele ontwikkeling en het gemakkelijk kunnen kennis nemen van de grondgedachten van deze wijsbegeerte zorgden voor een tamelijk gemakkelijke ingang en inenting van deze gedachten bij jongeren en ouderen. We denken hierbij vooral aan de vertegenwoordigers van de Frankfurter Schule zoals b. v. Marcuse e.a. Deze filosofen zijn radicaler in het trekken van consequenties uit hun denken dan hun collega's in de vorige eeuw. Ze zijn van mening dat bestaande regels en verhoudingen dienen te verdwijnen. De traditie, de moraal en andere waarden moeten veranderd worden. Remmingen moeten worden weggenomen. Dat zijn allemaal onderdrukkende structuren, die nodig moeten verdwijnen.

Gezag

Hoezeer genoemde zelfbeschikking in zijn gevolgen gezagsondermijnend is, laat zich gemakkelijk indenken. Gezagsverhoudingen kunnen dan eigenlijk niet meer bestaan, niet meer politiek-sociaal of maatschappelijk, maar ook godsdienstig niet, derhalve ook niet tegenover God. Wanneer nu het ontbreken van gezagsverhouding en de mening het recht op zelfbeschikking te. bezitten als twee geldende elementen in een mensenleven optreden dan betekent dat voor een mens dat hij zich autonoom kan beschouwen en dat hij het recht aan zich heeft om over zijn eigen leven en dood te beslissen en te beschikken naar eigen inzicht. Hij meent dan het recht te hebben om aan zijn leven een eind te maken of te laten maken als dat zijns inziens nodig is. Tot de erkenning van zijn eigenwaarde behoort immers de vrije wil, die beslist en aan niemand rekenschap verschuldigd is. Wanneer een mens zo hoog van zichzelf denkt, bij zulk een innerlijk besef van eigenwaarde, dan past daar ook een uiterlijke waardigheid bij, die, ook in het meest kritieke ogenblik in een mensenleven, nl. in de laatste levensperiode, niet in het gedrang mag komen. In de laatste levensperiode is het gevaar erg groot dat er een lijden komt, hetzij lichamelijk of geestelijk, dan wel beide, waardoor het decorum van de eigenwaarde wordt aangetast. De dan niet te ontkomen ontluistering van het leven komt niet overeen met het principe dat men huldigde. Er blijft dan maar één middel over dat dit kan voorkomen nl. euthanasie.

De uiterste gevolgtrekking maakt Fiege, ouddirecteur centr. bureau Hum. Verbond, in Doen of laten als hij schrijft: 'Wanneer de mens door geestelijke of lichamelijke aftakeling duurzaam niet meer in staat is om zelf over zijn al of niet verder voortbestaan een beslissing te nemen - en derhalve duurzaam geen vooruitgang op de weg naar vrijheid meer mogelijk is - heeft de gemeenschap de morele plicht dit leven te beëindigen'. Het is duidelijk dat in een vluchtige schets als hierboven niet alle factoren en facetten, die hun invloed lieten gelden besproken kunnen worden. Wat echter opvalt is de ontwikkeling van een filosofische theorie omtrent de eeuwwisseling naar de praktijk een halve eeuw later. In de voorgaande schets zijn de theologische, zo u wilt godsdienstige bezwaren, tegen de daar genoemde principes achterwege gelaten. Niets zou gemakkelijker zijn dan te zeggen: Er staat geschreven: Gij zult niet doden. Maar deze overwegingen hebben bijna geen zeggingskracht meer in een samenleving waarin het bestaan van God in zo grote mate wordt ontkend en de Godserkenning daardoor bijna afwezig is. Deze overwegingen hebben niet meer aan zeggingskracht dan een privé mening, behalve in een kring van gelijkgezinden.

R. C. v. Putten


Op 21 april l.l. hield ds. R. C. van Putten, emeritus predikant te Loenen a.d. Vecht, een referaat over Euthanasie op een vergadering van het Hervormd Gereformeerd Emeriti-Contact (H.G.E.C.). In vier afleveringen wordt de tekst van dit referaat, dat grondig op de onderhavige materie ingaat, in ons blad geplaatst. Bijgaand plaatsen we de eerste aflevering.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1982

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Euthanasie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1982

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's