Verhoord gebed
En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide: wat is het Heere? En hij zeide tot hem: uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God. Hand. 10 : 4
Het boek van de Handelingen der apostelen kan met recht het boek van de niet-Joden genoemd worden. Met name staat de schijnwerper steeds gericht op heidenen die tot het geloof komen. Al horen we in de Handelingen ook van vele Joden, ja zelfs van Farizeeën die tot het geloof in Jezus Christus als hun Zaligmaker gekomen zijn. En bij de vele heidenen is het telkens de wonderlijke wijze waarop zij tot geloof komen. Zo ook in ons teksthoofdstuk, waar we lezen van de hoofdman Cornelius. Opvallend dat we juist van deze mensen lezen hoe zij tot de Heere Jezus bekeerd werden. In de evangeliën is er ook al enkele malen sprake van. Juist zij die om zo te zeggen een eind op de maatschappelijke ladder geklommen waren. Cornelius was zelfs hoofdman over de zgn. Italiaanse bende, d.w.z. de keurtroep van uitsluitend echte Italianen. Zonder huurlingen van elders zoals zo vaak het geval was. Een elite-groep die er met name was om de orde te handhaven in het nogal eens roerige Israël. En van deze Cornelius staat geschreven dat hij godvrezend was. En dat was helemaal niet zo vanzelfsprekend. Hij woonde immers in Caeserea, een stadje waar meer Grieken en Romeinen dan Joden woonden, zodat hij niet als eenling tussen de Joden woonde en het te begrijpen zou zijn dat hij de God der Joden diende. Van huis uit zal hij zeker opgevoed zijn met de heidense godheden Mars, Jupiter, Mercurius. En toch was hij ertoe gekomen dit alles onzin te achten. Niet zozeer om alles overboord te gooien en nergens meer aan te doen - hij was de God van Israël gaan zoeken. Godzalig en godvrezend. Denk daar niet te min over. Ook al wist hij er nog niet alles van af, hij diende de Heere met zijn gehele huis. Voorwaar voor velen in Israël zou hij tot een voorbeeld kunnen zijn. Zoals de Heere Jezus eenmaal van een hoofdman had gesproken: Zo'n groot geloof heb Ik in Israël nog niet gevonden!
En toch: in zijn hart miste hij nog de ware vrede. Hij had immers slechts gehoord van de Farizeese wetten die meer de nadruk legden op het aalmoezen geven en het vasten. Maar Christus als zijn Zaligmaker kende hij niet. En hij gevoelde in zijn hart dat hij zo niet voor God kon verschijnen. Want zo staat er geschreven dat hij God geduriglijk bad. Dat staat er zo dat het niet betekent dat dat bidden ook een van zijn plichten was. Nee, het was een smeken met zijn hart. En zie dan, terwijl Cornelius aan het bidden is verschijnt hem plotseling een engel. Een boodschapper Gods. Met de bedoeling hem te zeggen dat zijn gebeden en aalmoezen tot Gods troon zijn gekomen. En dat de Heere hem verder onderwijs wil geven. Daartoe moet hij mannen naar Petrus toezenden en die zal tot hem komen om hem te zeggen wat hij doen moet, of zo als er verderop staat: om hem woorden der zaligheid te vertellen. Uit deze gebedsverhoring en de woorden van de engel om van Petrus antwoord te ontvangen blijkt dat wat Petrus hem zal komen vertellen (woorden der zaligheid!) een antwoord op zijn gebed was. De diepste grond van het gebed van deze hoofdman was woorden der zaligheid te mogen horen! De diepste grond was niet of God eens gedenken mocht aan zijn gebeden en aalmoezen, maar of de Heere hem de zaligheid bekend wilde maken. Hier vinden we gebedsverhoring maar ook geestelijk zoeken, geestelijk leven. Hier vinden we de vrucht van een waar gebedsleven. Gebedsleven waarin dit zoeken naar de Heere gekend wordt en gebedsverhoring gaan hier hand in hand. En wat twijfelen wij dan vaak aan de vrucht van een waar gebedsleven. O ja, we bidden wel. Je moet er maar veel om vragen, zeggen we dan en we denken diep in ons hart: antwoord zal er wel nooit komen. Is het niet zo? En dan wordt ons gebedsleven daardoor gestempeld. Want dan geloven en vertrouwen we niet dat de Heere zal geven waar we om vragen: 'Een mens kan niet bidden.' Ook zo'n heerlijke uitdrukking om jezelf vrij te pleiten en God de schuld te geven dat Hij geen verhoring schenkt. Worden we maar eens bidders als Cornelius. De heidenen gaan hierin Israël voor. Die er totaal buiten leven gaan hierin hen voor die altijd onder het Woord geleefd hebben. Wij kennen de ware gebedstoevlucht tot de Heere niet meer. Onze zinnen zijn vaak afgesleten en gewoontegetrouw. Och, dat onze ogen open gingen voor de waarheid van Gods eigen Woord: bidt en u zal gegeven worden. Klopt en u zal open gedaan worden. Dat zegt de Schrift. Gods eigen Woord.
Maar is de zaligheid dan toch een vrucht van eigen werk. Zegt de Schrift niet dat het een gave Gods is? Zeker, maar de Heere verhoort Cornelius niet omdat hij gebeden heeft, want, zo hebben we vorige week gezien, de Heere is vrijmachtig om een Saulus die daar niet om bad toch te roepen. Gods antwoord aan Cornelius is geen vrucht van zijn eigen werk. Met al zijn goede werken van gebeden en vasten en aalmoezen moest hij toch belijden buiten de zaligheid te staan. Maar dat was nu het godvrezende in hem. Niet dat hij van zichzelf wist alles volbracht te hebben wat hij doen moest, inclusief een ernstig gebed, maar dat hij een zoeker was. Waarom? Om woorden van zaligheid te horen. Van zichzelf heeft hij dus nog niets. Al z'n aalmoezen en vasten hebben hem nooit dichter bij de Heere gebracht, slechts zijn eigen tekorten in alle toonaarden doen zien. Een afgesneden zaak. Wie zo bidt, die komt alles tekort, juist in het gebed. Maar die zal het ook ondervinden dat de Heere antwoord geeft - niet óm het gebed - wel óp het gebed. Cornelius leefde niet vanuit de gedachte: je moet er maar veel om vragen en verder afwachten, maar vanuit die oprechte gezindheid: Heere, wijst Gij mij de weg. Zo is alles vanuit onszelf slechts schuld en gebrokenheid. Maar dan is de weg naar de zaligheid geplaveid met onze gebeden. Dan zijn we wars van goede werken, maar zeggen tegelijk met Paulus: werkt uwszelfs zaligheid met vreze en beven, al wist ook Paulus er alles van dat hieraan slechts Gods werk ten grondslag lag. Het werk van Jezus Christus. Hét antwoord, waar Cornelius om verlegen was. Want hij kende die Christus niet. Kom zo maar bij de Heere uit. Want wij hebben een God, Die niet is als de romeinse afgoden: zij hebben een mond maar spreken niet. Wij hebben een God, Die antwoorden kan. En wil.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1982
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1982
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's