De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Euthanasie (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Euthanasie (2)

11 minuten leestijd

Het gevaar van een theologie die zich meer of minder aan de situatie heeft aangepast is niet denkbeeldig.

Meedenken

Toch moet de theoloog meedenken in de ethische vragen van goed en kwaad en zal hij de aanwezige en veranderende normen dienen te toetsen. Hij weet dat de morele beginselen van een mens niet los staan van zijn levensbeschouwing én van wat hem er toe brengt er deze levensbeschouwing op na te houden. We mogen daarbij niet vergeten dat ook een theoloog leeft in deze, zijn eigen, tijd. Een tijd waarin velen godsdienst en daarmee ook de Godserkenning als negatief ervaren bij hun streven naar zelfontplooiing en zelfstandigheid. Het gevaar van een theologie die zich meer of minder aan de situatie heeft aangepast is niet denkbeeldig. Bovendien staat ook het denken van een moraaltheoloog niet los van het cultuurpatroon van zijn tijd. Hij is ook een mens, die, om strijd en tegenstand te vermijden, bereid kan zijn een geestelijke elasticiteit aan de dag te leggen bij het toetsen van normen aan de Heilige Schrift. Hij zal dan de uitgangspunten zodanig leggen en exegetiseren, dat naar zijn mening, toch de Heilige Schrift spreekt, maar intussen het conflict vermeden wordt.

Uitleg van de Schrift

We hebben gezien dat het recht op zelfbeschikking één van de uitgangspunten is voor het doen plegen van euthanasie. Gelet op het voorgaande, dat bijna klonk als een beschuldiging aan het adres van moraaltheologen, is het nu nodig na te gaan hoe het recht op zelfbeschikking in de theologische moraalleer wordt opgevangen door de uitlegging van de Heilige Schrift. We willen dat duidelijk maken aan het volgende voorbeeld.

In het dagelijks leven heeft iemand het recht tot het nemen van geldige beslissingen en is hij handelingsbevoegd als hij meerderjarig is geworden. Dan is hij mondig. Zo iemand heeft een bepaalde vrijheid van handelen gekregen en is daar ook verantwoordelijk voor. Zo ligt aan het recht tot zelfbeschikking de godsdienstige geestelijke mondigheid van de mens ten grondslag. Naar de spelregels van de moraaltheologie moet deze godsdienstig geestelijke mondigheid een basis of een uitgangspunt vinden in de Heilige Schrift. Collega Den Toom gaat in zijn dissertatie 'Over de levensduur' uit van Galaten 5:1. Staat dan in de vrijheid met welke Christus ons vrijgemaakt heeft en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. Coll. Den Toom stelt dan in zijn dissertatie dat deze vrijheid tot gevolg moet hebben dat mensen zich gaan ontworstelen aan inzichten, gewoonten en structuren die niet overeen komen met de nieuw ontvangen vrijheid. We merken bij dit laatste op dat hier aan de geestelijke vrijheid een zedelijk en burgerlijk vrijheidsrecht verbonden wordt waar achter het zelfbeschikkingsrecht wel schuil gaat, doch zich terdege laat gelden. Bij verwezenlijking van het door Den Toom genoemde ligt het voor de hand dat men dié spelregels zal kiezen, die 'het meest bij de geschiedenis van Gods bevrijdend handelen passen' zoals hij in een gesprek zei. Den Toom weet dat dit geen onfeilbaarheid inhoudt, maar God ziet het hart aan. De exegese van Galaten 5 : 1 is door Den Toom tegelijk verwerkt in de toepassing naar de praktijk. maar werpt tegelijk de vraag op wat Paulus in Gal. 5 : 1 onder vrijheid verstaat.

Greydanus stelt dat Christus vrij maakt van de wet en haar vloek door Zijn vloekdood aan het kruis, door een volbrengen van de wet in onze plaats. Das Neue Testament Deutsch, omschrijft dat de dood van Christus de gelovige vrij gemaakt heeft van de dwang de Joodse wet of welke wet ook te vervullen en daardoor loon bij God te verwerven. Met Galaten 5 : 1 komen we op het terrein van de Paulinische ethiek, die zich niet onder één noemer laat vangen. De ethiek is bij Paulus:

1. Christologisch, het gaat om het einde der wet, Rom. 10 : 4, die Christus voor zijn gemeente verworven heeft. Gal. 2:4. De Paulinische ethiek is gegrond in de Christus verkondiging.

2. Sacramenteel, in de doop sterft de oude mens, de nieuwe staat op, Rom. 6:3.

3. pneumatologisch. Gal. 5 : 25, indien wij door de Geest leven, zo laat ons ook door de Geest wandelen.

4. eschatologisch, 2 Cor. 11 : 2 Ik heb u toebereid om u als een reine maagd aan Christus voor te stellen.

Elk van deze motiveringen kenmerkt deze ethiek als vermaning, als ethiek van genade, die echter het gebod in zich sluit. Men zou kunnen spreken van de imperatieven van de genade.

Het grote knelpunt is dat men gelijke woorden gebruikt, nl. gelovige en vrijheid, maar dat de inhoud van de woorden in het godsdienstig taalgebruik volkomen verschilt. Men kan onder een gelovige verstaan: degene die door een waar geloof Christus is ingelijfd. Maar we moeten wel bedenken dat er vele anderen zijn die het niet meer om een dogmatische formulering gaat en. er een veel wijder begrip op na houden. Dit begrip laat zich theologisch niet of zeer moeilijk begrenzen, omdat het zijn uitgangspunt neemt in een humanistisch getinte liefde van God. Deze laatsten zullen vanuit de aard van hun standpunt het mondig zijn benadrukken, zich een bepaalde autonomie toeëigenen en zich een eigen beslissingsrecht toekennen vanuit de vrijheid die zij menen in Christus te hebben. Het gaat dan niet meer om de goede werken uit dankbaarheid, maar wel om de liberaal humanistische ontplooiing van de mens.

Waardering bijbels gebod

Wanneer we onder vrijheid geen anarchie willen verstaan, dan komen we in dit verband ook te staan voor de vraag naar de spelregels, d.w.z. we komen te staan voor de vraag hoe we de bijbelse geboden moeten waarderen. Dat geldt in het bijzonder voor de tweede tafel van de wet. Het zijn geboden die de menselijke ontplooiing niet belemmeren, maar juist mogelijk maken. Deze geboden scheppen ruimte voor het leven met elkaar. Ze zijn geen gedetailleerde voorschriften. Ze wijzen wel een bepaalde richting uit en moeten dienstbaar zijn aan onze zedelijke beslissing. Maar ze ontnemen aan de mens tegelijk de waan dat hij geheel naar eigen willekeur zijn leven kan regelen. In het kader van ons onderwerp spitsen we het geheel nu toe op het 6e gebod: gij zult niet doden. Het Hebreeuwse werkwoord 'raatsach' betekent 1. een moord plegen - 1 Kon. 21 : 19, Naboth - als 2. doodslag zonder opzet - Joz. 20 : 3 -. We vestigen de aandacht er op dat Jezus degene die ten onrechte in toorn leeft met zijn broeder en die zijn broeder uitscheldt onder de wetskracht van het 6e ge­bod stelt, Matth. 5 : 22-23. De bedoeling is duidelijk te maken dat alle toorn, die uit vijandige gezindheid voortvloeit, die tegen de persoon van de zondaar, niet tegen de zonde gericht is, strenge afkeuring verdient. Jezus beschouwt de vijand als een naaste en zo overschrijdt de Heiland de grenzen van de haat. Zijn gebod de naaste lief te hebben als zichzelf krijgt op deze manier wijde grenzen. Het gebod zou zo verzoenend moeten werken ten opzichte van de vijand, of deze een persoon is dan wel een volk.

Maar, vraagt Den Toom zich af in zijn dissertatie, wat moeten we met dit gebod doen als we staan tegenover een ongeneeslijk zieke. De naaste liefhebben als zichzelf beveelt voor de zieke het beste te zoeken. Vraagt de zieke om euthanasie, dan zeggen de voorstanders dat toepassing van euthanasie een doden is uit barmhartigheid en niets met wraakzucht of onachtzaamheid voor een mensenleven te maken heeft. De zieke die de dood begeert, is eigenlijk een medestander.

Liefde tot de naaste

Een andere opvatting is de volgende. Men weet dat ook verschillende niet-christelijke religies een moraal hebben waarin het liefhebben van de naaste voorkomt of zelfs centraal staat. Het is de basis van de artseneed, Hippocrates. Hieruit spreekt het respect voor de mens waarbij een ethische of religieuze mensbeschouwing als norm geldt. Men blijft hier echter niet bij stilstaan. Elke religie, zegt men dan, kent waarden, die hoger zijn dan dit leven, die er boven uit gaan. Dat geldt ook voor het Christendom. Daar is dat het eeuwige leven. De gelovigen, zo redeneert men dan, hebben de dood overwonnen en de waarden waarvoor zij leven liggen niet meer in dit leven. Door deze, overigens onbijbelse manier van deduceren, wordt de betekenis van het louter biologische leven zeer betrekkelijk gemaakt. De consequentie van deze opvatting ten aanzien van de euthanasie laat zich dan ook gemakkelijk raden. Sommigen voegen daar dan nog bij dat een mensenleven voor God altijd waarde heeft en dat bij toepassing van euthanasie dat leven na de dood ook zijn waarde blijft behouden voor God.

Een en ander noodzaakt ons nu wel tot bezinning op de oorsprong en de waarde van het menselijk leven. De opvatting dat het menselijk leven louter biologisch gezien moet worden als het resultaat van een paringsproces, waarbij het in de loop der tijd aan allerlei voorwaarden is gebonden om het in stand te houden maar tenslotte toch moet eindigen, is niet onze opvatting. Evenzo staan wij niet op het standpunt dat het menselijk leven naar zijn diepste oorsprong alleen maar het resultaat is van een bio-chemische reactie. Het is naar ons gevoelen nog altijd de adem des levens, door God gegeven, in de neus hebben naar het verhaal in Genesis 2 en derhalve een geschenk van God. De mens is stof en dat hij leeft is een wonder van God. We denken hierbij ook aan wat Paulus in Athene op de areopagus zei: alzo Hijzelf allen het leven en de adem en alle dingen geeft, Hand. 17 : 25. Deze goddelijke oorsprong van wat hij is naar ziel en lichaam mag de mens nooit vergeten en de verantwoordelijkheid er voor moet hij tot uitdrukking brengen in zijn moraal en werken der dankbaarheid.

Wie over het leven spreekt, zal zeker in verband met ons onderwerp, ook over de dood moeten spreken. De uitlegging van Rom. 5 : 12 heeft er altijd aan vastgehouden dat door de zonde van de eerste mens de dood in de wereld is gekomen. Niettemin komen er de laatste tijd weer meningen los, die op grond van exegese beweren 'dat de mens, zoals hij door God is geschapen, gewild en bedoeld, een sterfelijk wezen is'. K. Barth heeft daar al op gewezen in zijn Kirchliche Dogmatik toen hij schreef: Eindigheid en sterfelijkheid behoren tot de goede, door God geschapen natuur. De dood is volgens hem niet meer het gericht over de zonde, want het eigenlijke gericht is over Jezus gekomen. Overigens bestrijdt men weer dat het lijden van Jezus en Zijn dood een dragen van de toorn van God, als een straf voor onze zonden zou zijn. We denken daarbij aan H. Wiersinga en zijn opvattingen.

Algemene verzoening

Hoewel niet vaak openlijk beleden, toch spreekt meerdere keren de gedachte aan een algemene verzoening als achtergrond mee. God schenkt genade en dat is het eeuwige leven in Christus Jezus. Daarom kan Paulus het sterven ook typeren als 'gewin' en in feite is het gewin: 'met Christus te zijn'. Dan weer duikt de gedachte op dat leven en dood kwalificaties geworden zijn van een leven met en zonder geloof in Christus. Op wat 'dood' hier naar zijn inhoud betekent gaat men niet verder in. Men krijgt de indruk dat het een niet meer bestaan, in welke vorm ook, betekent. Deze indruk wordt nog versterkt door het volgende citaat bij Den Toom: Dit eeuwige leven bezit niemand, maar wordt ontvangen. Er is geen sprake van een natuurlijke voortzetting van een menselijk bestanddeel, b.v. de ziel, door de dood heen, maar uitsluitend van een beloofde gave. Eeuwig leven wordt niet verwacht van iets menselijks dat overblijft, maar wel van God, die zich houdt aan Zijn belofte. Dezelfde gedachte vindt men bij Berkhof, Christelijk geloof 2e druk, blz. 508. Als consequentie van deze redenering duikt de vraag op of het menselijk bestaan zo niet wordt gereduceerd tot biologisch bestaan waarvan het 'ik' gebonden is aan de levenstijd. Er is immers geen sprake van een 'natuurlijke' voortzetting van een menselijk bestanddeel b.v. de ziel door de dood heen. Is het dan nog moeilijk om te zeggen dat 'verval van menselijkheid het recht en aanspraak op menselijk leven ontkracht? '

Vragen

Het is duidelijk dat er allerlei vragen opkomen als we op verschillende concrete mensenlevens letten met opeenstapeling van ellende en pijn. Niemand zal die vragen ontkennen of zich verwonderen dat ze er zijn. Het is menselijk te begrijpen dat men tot de uitspraak kan komen dat men niet gelooft, dat alle leven zoals het reilt en zeilt gemaakt is door God, zeker niet als het gaat om volstrekt uitgedoofde levens. Maar dat betekent nog niet dat ons redeneren op basis van menselijke gevoelens, die in het zojuist genoemde als achtergrond meespreken, ook zou stoelen op bijbelse bodem. Job sprak vanuit een geheel andere achtergrond tegen zijn vrouw toen hij opmerkte: zouden wij het goede van God wel ontvangen en het kwade niet, Job 2 : 10. Niet alle lijden is straf. Er is ook lijden als beproeving. Hierbij moet worden aangetekend dat dit zó alleen vanuit een gelovige verhouding tot God wordt beleefd. Men denke hierbij aan Ps. 73. Dat we bij dit onderwerp en in dit verband niet op het fatalisme ingaan is duidelijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Euthanasie (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's