De christelijke organisatie in de tachtiger jaren (1)
De tijd van de vanzelfsprekendheid is ten aanzien van kerk en christelijk geloof, zo die overigens ooit al bestaan mag hebben, voorbij.
Op de tocht
De tijd van de vanzelfsprekendheid is ten aanzien van kerk en christelijk geloof, zo die overigens ooit al bestaan mag hebben, voorbij. Een groot deel van het nederlandse volk noemt zich geen christen meer, kent geen binding meer aan enige kerk en beschouwt christelijke organisaties als vreemde eenden in de bijt van de samenleving. Hebben deze organisaties in de 80er jaren nog bestaansrecht? Wie enigermate meeleeft met de discussies in de samenleving weet dat deze vraag bepaald niet op deze wijze wordt beantwoordt. Hoon en afkeer enerzijds, een onverschillige verdraagzaamheid en goedmoedig dulden anderzijds zijn geen uitzonderingen. Op allerlei wijze staan de christelijke organisaties op de tocht. Niet alleen door aanvallen van buitenaf, misschien nog wel veel meer door innerlijke problemen en krisisverschijnselen. Dat is niet zo vreemd, want de secularisatiegolven laten ook het christelijk volksdeel niet onberoerd. De tegenstellingen die de kerken verdeeld houden, keren terug op het vlak van de organisaties. We noemen enkele voorbeelden. Vele christelijke scholen worstelen met het probleem, hoe ze de principes die in de grondslag verwoord zijn concreet vorm moeten geven in het onderwijsgebeuren. De aanduiding dat de Heilige Schrift grondslag is, blijkt in de praktijk voor meer dan een uitleg vatbaar te zijn. Wie maakt uit wanneer men Schriftgetrouw spreekt en handelt? Daar is het probleem van leerlingen die soms in grote getale de school bevolken die uit gezinnen afkomstig zijn waarvan binding aan Bijbel en kerk weinig of geen sprake is. Daar is de brandende vraag, hoe we als christelijke school om moeten gaan met de kinderen uit Moslimgezinnen of van andere levensovertuiging? Hoe dient men om te gaan met de spanning om enerzijds het erfgoed te bewaren, en anderzijds wervend en winnend in de samenleving te staan?
De discussies rondom de medezeggenschap in het onderwijs bepalen ons in versterkte mate bij deze problemen hoe we als christelijke school waarlijk inhoud geven aan de C. Schaalvergroting, decentralisering en democratisering stellen bestuurders van welzijnsorganisaties en hulpverleningsinstanties voor de vraag, hoe men de protestants-christelijke grondslag kan handhaven en hoe men de betekenis voor het werk en de uitvoering ervan duidelijk kan maken zowel naar het achterland, als naar werknemers en cliënten. Is er niet, zo zeggen velen, een kloof tussen wat bestuurders willen en voorstaan en wat aan de basis in het werk praktisch gebeurd? Vormen de ideeën van bestuurders, alsmede een keurig geformuleerde grondslag niet vaak een voorgevel die er naar buiten toe zeer principieel en beginselvast uitziet, maar waarachter zich een werkelijkheid verbergt die geheel anders is, omdat men in het concrete werk van grondslag en doelstelling soms vervreemd is, en soms er een geheel andere invulling aan geeft. Bestuurders worden dan vaak gezien als de conservatieven die terwille van de achterban de schijn ophouden terwijl men in het werkveld als een voorhoede veel minder zwaar tilt aan zaken als handhaving van de grondslag en bereid is tot vergaande samenwerking met an dersdenkenden of algemene instanties. En naarmate de inspraak toeneemt, naarmate deskundigheid en professionalisering toenemen, dreigt de betrokkenheid van het kerkelijk achterland minder te worden. Met als gevolg: over en weer verwijten en symptomen van uit-elkaar-groeien. Ik geef de lezer direct gelijk als hij wil tegenwerpen: Bent u nu niet bezig te generaliseren? Dat zal best het geval zijn. De situatie ligt niet overal gelijk. Maar ik meen niettemin dat het niet overtrokken is als we stellen dat met name onder jongeren de onzekerheid inzake de vraag of christelijke organisaties in de politiek, op onderwijsterrein, in het maatschappelijk leven en de gezondheidszorg nog wat voorstellen niet gering is. De vele tegenstrijdige geluiden bij de discussies rondom de zgn. anti-discriminatiewet, beter gezegd: Het voorontwerp Wet gelijke behandeling, hebben nog weer eens aangetoond hoe verdeeld men intern is. Daarom is het goed ons te bezinnen op de vraag: Hebben christelijke organisaties nog bestaansrecht en zo ja, hoe dienen ze zich in deze jaren op te stellen? We zullen er daarbij niet omheen kunnen ook naar het verleden te kijken. Ik maak dankbaar gebruik van een drietal artikelen die verschenen zijn in de bundel Bewerken en bewaren, aangeboden aan prof. dr. K. Runia, van de hand van prof. dr. J. Plomp, dr. J. Klapwijk en Y. Schaaf.
Oorsprong en motief
Kijken we naar de oorsprong van de christelijke organisatie dan komen we terecht bij de negentiende eeuwse opwekkingsbeweging, het Reveil. Diep bewogen door de nood van de samenleving, de geestelijke ellende van velen in ons volk, verontrust door de sprakeloosheid van een door het modernisme ontwrichte kerk en door het opdringend ongeloof in ons volksleven hebben vele Christenen geprobeerd in woord en daad iets te laten zien van de betekenis van het Evangelie voor het mensenleven. Gedreven door de liefde van Christus zette men zich in voor de verbreiding van de evangelieboodschap en voor leniging van de nood onder armen en gebrekkigen, speciaal misdeelden en mensen aan de zelfkant. Twee woorden kenmerken deze arbeid: Getuigenis en dienst. In deze jaren ontstonden allerlei christelijke stichtingen van barmhartigheid zoals de Heldringgestichten in Zetten, het weeshuis Neerbosch. Er verrezen diakonessenhuizen, jeugdorganisaties. Op het terrein van onderwijs en politiek probeerde men krachten te bundelen. Men denke aan het levenswerk van Groen van Prinsterer. Wie zich in de geschiedenis van het onstaan van deze beweging verdiept en nagaat wat er opgezet is, kan alleen maar diep dankbaar zijn voor de geloofsinzet van zovelen die dit geloof handen en voeten trachten te geven in de daad van de liefde. Wat door de mensen van het Reveil begonnen is is sinds de zeventiger jaren van de vorige eeuw uitgebouwd door Abraham Kuyper, de 'klokkenist van de kleine luyden' zoals Jan en Annie Romein hem genoemd hebben. Als veldheer van formaat, geleerde en politicus wist Kuyper het gewone volk te mobiliseren en te bezielen. Hij gaf, zo schrijft Plomp, in de hierboven genoemde bundel aan de christelijke organisatie duidelijker vorm en gestalte, door a) scherper het doel te formuleren: herkerstening van de samenleving en mobilisatie van het gereformeerde volksdeel, uit het diensthuis van achteruitzetting en b) door aan de christelijke organisatie een stevige theoretische fundering te geven (blz. 147). Onder invloed van Kuyper ontstond tegen het einde van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw een netwerk van organisaties op allerlei terrein.
Overigens is het motief tot stichting van een christelijke organisatie zeker niet eenduidig. Dr. J. Klapwijk somt in een opstel in de bundel Christelijke organisaties in discussie ('s Gravenhage 1979) maar liefst 8 motieven op die we hier zeer kort noemen:
1. het verlegenheidsmotief. Vele organisaties werden uit de nood geboren. Men denke aan de offers die gebracht zijn in de schoolstrijd. 2. het Pro-Rege (voor Koning Jezus) motief. Men was niet tevreden met een individuele beïnvloeding van de samenleving in algemene verbanden, maar Kuyper en zijn aanhangers zagen de christelijke organisatie als een middel om het oude Calvijnse motief: alles ter ere Gods, gestalte te geven in het volksleven. Ook structuren en instellingen hadden te maken met Gods koninklijke geboden.
3. het Patrimonium-motief (patromonium is vaderlijk erfdeel) Vanuit een bepaalde historiebeschouwing ijverde men voor handhaving van het calvinistisch volkskarakter tegenover liberalisme, socialisme en opdringend roomskatholicisme. Het calvinistisch volksdeel beschouwde men als de historische erfgenaam van het verleden. Graag beriep men zich daarbij op Willem van Oranje en zijn beroemde woorden dat hij met de Here aller heren een verbond gesloten had.
4. het herkersteningsmotief: Door middel van de christelijke organisatie wilde men het ontkerstende nederlandse volk terugbrengen tot gehoorzaamheid aan Christus. Wervend wilde men in de samenleving staan.
5. het antithese motief, dat vooral door Kuyper is uitgewerkt. Uitgaande van de idee dat er tweeërlei levensovertuiging is en dat er tweeërlei mensen zijn: wedergeborenen en nietwedergeborenen, kwam Kuyper tot de gedachte dat deze scheidslijn op verschillend terrein noopte tot eigen organisaties. 'Wanneer het volksgeheel als zodanig niet langer orgaan van uw belijden en beleven kan zijn, schep dan voor uw christelijk leven een eigen organisatie' schreef Kuyper eens. De eerlijkheid gebiedt erbij te zeggen dat Kuypers nazaten verder gingen dan de meester zelf. Zo moet Kuyper bijvoorbeeld eens gezegd hebben dat een christelijke ambachtsschool wat hem betref de niet hoefde.
6. het beginselmotief: Op allerlei levensterreinen, meende Kuyper, moesten uit de Schrift christelijke beginselen afgeleid worden en via eigen organisaties wilde men deze beginselen dan ook doorvoeren.
7. het mondigheidsmotief. Dat de kerk als instelling op verschillende terreinen invloed verloor heeft Kuyper aanvaard en in zekere zin toegejuicht vanuit de door hem bepleite idee van de souvereiniteit in eigen kring: staat, gezin, school zijn souvereine leefkringen naast de kerk. Maar de ontkerstening van cultuur en volksleven heeft hem diep geraakt. In de christelijke organisatie waarin gemeenteleden als mondige christenen hun plaats innamen in de samenleving heeft hij geprobeerd een christelijk antwoord te geven op het moderne mondigheidsstreven van de mens, die meent geloof en kerk te kunnen missen.
8. het emancipatie-motief. Emancipatie betekent letterlijk: vrijlating van slaven, en gaat dan ook betekenen: ontvoogding, bevrijding. Vooral van sociologische zijde heeft men als voornaamste motief van Kuypers streven tot christelijke organisatie-vorming aangevoerd de bevrijding van de gewone man, de kleine luyden uit het diensthuis van miskenning en maatschappelijke achteruitzetting. Stellig heeft dit meegespeeld, maar Klapwijk waarschuwt er voor om dit motief een te grote aandacht te geven. In ander verband hopen we hierop nog terug te komen.
Niet alleen voorstanders
Het is goed zich deze bundeling van motieven en hun uitwerking voor ogen te stellen. Juist in de beoordeling van het christelijk organisatiepatroon komt het erop aan scherp te onderkennen waar men geleid werd door zuivere beweegredenen, en waar motieven scheef getrokken of eenzijdig uitgewerkt werden. Dat kan ons bewaren voor vertekeningen, eenzijdige beoordelingen zowel in positieve als negatieve zin. Laten we bedenken: ook christelijke organisaties zijn mensenwerk. En zoals alle werk van mensen is dat gebrekkig, en vaak een invalspoort voor zondige neigingen en hoogmoedig menselijk streven.
Van meet af aan is de beoordeling van Kuyperss streven niet eenduidig geweest. Ype Schaaf wijst erop dat het Kuyper niet gelukt is alle calvinisten onder het neo-calvinistische vaandel te krijgen (Bewerken en Bewaren, blz. 162). De Kohlbruggianen in de Herv. Kerk, de geestverwanten van Hoedemaker en de ethischen stonden om vaak verschillende redenen kritisch tegenover zijn streven.Daar speelde ook een andere visie op kerk en staat in mee. Vele hervormden meenden dat de volkskerk zich weer moest manifesteren in de samenleving en dat men die taak niet mocht overlaten aan organisaties. Ook liberalen en socialisten hebben zich vaak geërgerd aan de Kuyperianen. In een volgend artikel willen we nagaan op welke punten men juist vanuit kerkelijke kringen kritisch tegen de chr. organisatie heeft aangekeken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's