Globaal bekeken
Kan ook een dominee zalig worden?
Alweer enkele jaren geleden - de tijd gaat snel - plaatsten we in ons blad het laatste stuk, dat ds. H. S. J. Kalf, laatstelijk predikant te Wijnjewoude, net voor zijn overlijden plaatste in zijn kerkblad onder de titel 'Kan ook een dominee zalig worden? ' Die vraag is uit te breiden naar ieder, die in Gods Koninkrijk dienstbaar is, en daaronder hoort (zelfs) ook hij of zij, die in de gewone beroepsarbeid, verstaan als goddelijk beroep, staat; mits uit overtuiging staat.
Bladerend in oude jaargangen kwamen we het nog eens tegen, het stuk van de Duitse schrijver Vorwerk, onder genoemde titel. Omdat het altijd weer nieuw en actueel is, plaatsen we het hier:
'Vooreerst verkeren dominees, meer dan andere mensen, in het gevaar zich tevreden te stellen met surrogaten van de bekering. Het ligt voor de hand, de theologische kennis, die in staat stelde examens af te leggen en het recht gaf het ambt te aanvaarden als volkomen voldoende toerusting voor het predikambt en het christen-zijn te beschouwen, dat wil zeggen: objectieve kennis in plaats te stellen van de bekering. Het ligt verder voor de hand de arbeid voor de Heere als ersatz te beschouwen van de arbeid aan zichzelf. Zou hij, wiens roeping het is, verlorenen tot zaligheid te leiden, zélf niet zalig worden? Hoe zou hij, die anderen tot bekering brengt, zelf onbekeerd kunnen zijn? Men moet het scherp en snijdend zeggen: de redding van anderen helpt ons niets! Het woord, dat wij alleen maar uitdelen, doet ons geen nut. Niemand komt uit het water dan doordat hij anderen de reddingsboei toewerpt. Terwijl hij dat doet kan hijzelf verdrinken. Niemand wordt verzadigd doordat hij voor anderen brood snijdt en hun dat toereikt. Daarbij kan hij zelf op een ellendige manier van honger omkomen. Maar omdat dominees zo makkelijk de zegen, die zij anderen brengen, voor een eigen zegen aanzien, omdat ze zo makkelijk het anderen tot bekering brengen met het zelf-bekeerd zijn verwarren en vanwege hun werk voor Jezus de arbeid van Christus aan het eigen hart over het hoofd zien - daarom is het nodig, tot de dominees te zeggen: Bekeert u van uzelf! Bestrijdt de zonde waarvoor u andere zielen waarschuwt in uw eigen ziel! Zoekt die God, Die ge ambtelijk verkondigt, ook persoonlijk!
Dat in bijzondere mate dominees op de noodzakelijkheid van de bekering moet worden gewezen is in de tweede plaats daarom nodig, omdat een dominee in zijn ambt één ding moet missen, dat elk van zijn schapen heeft, namelijk - hoe paradoxaal het ook klinkt - de zegen van het geestelijke ambt. De dominee is geen object van het geestelijk ambt, omdat hij het subject daarvan is. Hij zit niet onder de kansel. Niemand verkondigt hem het Woord Gods. Niemand komt tot hem als zielzorger. Daarin zijn dominees armer dan de eenvoudigste christen. En zelfs als wij bij zeldzame gelegenheden er toe komen Gods Woord uit de mond van anderen te horen - hoe gauw blijkt het dan niet, dat wij vanwege het voortdurende spreken het horen van Gods Woord hebben verleerd. Wij beginnen dan kritiek te leveren op de voordracht, op de gebaren, op de dispositie, op de exegese. Kortom, het wreekt zich op ons, dat wij altijd alleen maar subject en bijna nooit object van de geestelijke ambtsbediening zijn. Dit gebrek plaatst ons ten aanzien van de redding van onze zielen In een veel ongunstiger situatie dan die waarin onze gemeenteleden verkeren.
Het er altijd weer bij de dominees op aandringen, dat ze zich zullen bekeren is, in de derde plaats, daarom nodig, omdat de verzoekingen en de belemmeringen voor de zaligheid, welke uit hun ambtelijke arbeid voortvloeien, bijzonder zwaar en gevaarlijk zijn.
Het ambt van een dominee is een publiek ambt. Hij moet zich steeds in het publiek vertonen en zich daar laten horen. In dat opzicht kan men zijn ambt het best vergelijken met het werk van een toneelspeler. Beiden, dominee en toneelspeler, treden op voor een groot publiek, Beiden willen indruk maken, bijval oogsten, zo al niet voor zichzelf dan toch voor wat zij brengen. Daarin ligt een verschrikkelijke verzoeking tot hoogmoed en ijdelheid, tot mensenbehagerij en effectjagerij; dat wil zeggen juist voor zulk een gemoedsgesteldheid welke een volstrekte belemmering is voor ootmoedig berouw en eenvoudige, oprechte bekering. Het bewijs voor de hoogmoed van vele dominees is hun ongeschiktheid om op goede wijze met hun ambtsbroeders om te gaan, speciaal dan, als zij niet zelf de eerste viool kunnen spelen; als een ander vollere kerken heeft dan zij. In menige gemeente is het bijna tot een axioma geworden: twee dominees in een kerk, dat gaat niet goed, dat leidt tot ruzies.
In het publieke karakter van het geestelijke ambt, ligt verder een grote verzoeking tot huichelarij, tot onbewuste of bewuste onwaarachtigheid. leder die een ander tot zijn overtuiging wil overhalen, verkeert in het gevaar een agitator te worden. En zoals bekend is nemen agitatoren het niet zo nauw bij de keuze van hun woorden. Ook de prediker verkeert in het gevaar een publiek getuigenis, een openbare belijdenis af te leggen, die met de innerlijke gesteldheid van zijn hart niet in overeenstemming is; geloofswaarheden geestdriftig voor te dragen, terwijl de daarmee corresponderende ervaringen ontbreken. Er ontstaat dan gemakkelijk een contrast tussen de woorden én het innerlijke leven van de prediker. Dit contrast wordt steeds groter door de gewenning - en de huichelarij is er zonder dat men het wil of weet. Berekende en gemaakte gevoelsontroeringen, berekende en ingstudeerde gezalfdheid, in één woord: pastorale slimheid en pastoraal raffinement komen in de plaats van de echte geest van Jezus Christus...
Maar niet alleen ligt er een belemmering voor de bekering van de dominees in het publieke karakter van hun ambt. Een veel ernstiger belemmering daarvoor vormt de omstandigheid, dat hun ambt een geestelijk ambt is. Dat klinkt weer paradoxaal, maar het is toch maar al te waar. Het geestelijke ambt dwingt hem, die het bedient, ter wille van zijn ambtsuitoefening ononderbroken bezig te zijn met christelijke gedachten, gevoelens en daden. Gewenning evenwel stompt af, ook ten opzichte van de hoogste heerlijkheden. Het meest levende kan gemechaniseerd worden. In het bijzonder wanneer de ambtelijke bezigheden zich ophopen; wanneer het nodig is om achtereenvolgens om één uur blij te zijn met een jong paar, om twéé uur rouwdragenden te troosten, om drie uur een kind te dopen, om vier uur krankencommunie uit te reiken. Hoe gemakkelijk gaat dan het innerlijke betrokkenzijn bij het heilige verloren. Het heilige wordt dan tot een schablone. De ambtsgeest doodt het persoonlijk geloof. Men beschouwt dan Gods Woord en Gods genade "objectief", dus precies zó als een koopman een stuk koopwaar beschouwt, waarvan hij op zich genomen heeft het aan de man te brengen; niet "subjectief", zoals een hongerige het brood beschouwt waarmee hij zich zal verzadigen.
Deze ambtsgeest kan er toe leiden, dat de prediker geheel en al afgestompt wordt voor de waarheden en heerlijkheden van zijn geloof. Hij wordt trager en trager, onverschilliger en onverschilliger. En hij merkt er niets van, dat zijn hart ver van God af leeft, omdat hij door zijn denkarbeid steeds tot God nadert.
Wanneer bij deze toestand van afstomping ook nog het contrast tussen woorden en innerlijk leven komt, d.w.z. de bewuste of onbewuste huichelarij, dan is het oordeel der verharding gereed. In geen enkele "stand" verkeert men in zó groot gevaar van de zonde tegen de Heilige Geest te bedrijven als in de domineesstand. Want deze zonde is immers alleen daar mogelijk, waar volkomen heldere kennis der geopenbaarde waarheid zich verbindt met volkomen innerlijke afwending van deze waarheid. Een prediker is niet te verontschuldigen. Zijn verantwoordelijkheid is groter. Aan hem werd meer toevertrouwd, daarom wordt ook meer van hem geëist Het was dit verschrikkelijke gevaar van de verharding, van de zonde tegen de Heilige Geest, dat een vroom man eens deed zeggen: Niets is moeilijker dan dat een dominee zich bekeert. Een ander legde ditzelfde gevaar de verbijsterende vraag op de lippen: Kan ook een dominee zalig worden? '
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's