Boekbespreking
E. J. Beker / J. M. Hasselaar, Wegen en Kruispunten in de dogmatiek, deel 3, Christologie, 324 blz., J. H. Kok, Kampen, 1981.
In een bewondering afdwingend tempo verschijnen de verschillende delen van de dogmatiek, die de hoogleraren Beker en Hasselaar bezig zijn te schrijven. Binnen ongeveer 2 jaar is nu het derde deel op tafel gelegd, dat handelt over de Christologie, d.w.z. over de leer van de persoon en het werk van Christus. Dit centrale thema van de geloofsleer staat momenteel weer in het hart van de kerkelijke en theologische belangstelling. Daarom is het zeer welkom, dat ook uit de hoek van genoemde, vooral door de theologie van K. Barth beïnvloede theologen, hierover geschreven is. Wij menen, dat hier wel één van de krachtigste en vruchtbaarste impulsen te vinden is, die van deze theologie uitgaat in onze tijd. Tegenover de wijze, waarop H. Berkhof zich met de persoon en het werk van Christus heeft beziggehouden, en daarin bij alle vooruitstrevendheid in methode en denkwijze toch is teruggevallen in een negentiende eeuwse denkklimaat, met name op dit punt herinnerend aan Schleiermacher, is het een goede zaak om kennis te nemen van wat Beker en Hasselaar hieromtrent ten berbe brengen. Eén van de waardevolste gedeelten van dit boek is dan ook dat zij hun critische vragen aan Berkhof stellen en hun thetisch verweer daar tegenover. Zo kunnen nog meer positieve punten worden genoemd. In de lijn van Barth nemen ook zij het belijdend spreken aangaande Christus geheel voor hun rekening, daarbij speciaal aandacht vragend voor de leer van de anhypostasie, d. w. z. de leer, dat in Christus God zelf, de persoonlijke God, de menselijke natuur heeft aangenomen. Breed en diep worden de consequenties van deze leer uiteengezet en ook de actualiteit ervan aangetoond. Maar in deze summiere bespreking willen wij ook onze bezwaren in het kort noemen. In het algemeen geformuleerd, zouden wij willen stellen, dat de inhoud van dit boek waardevol is, maar de vormgeving grote bezwaren oproept. Deze vormgeving heeft echter tegelijk ook inhoudelijke kanten. Zo vinden wij het een bijna ontoelaatbaar gemis, dat er geen structurele plaats is ingeruimd voor de bijbels-theologische behandeling van de christologie. Het overgrote deel van dit boek behandelt de dogma-en theologiegeschiedenis, een kleiner deel de dogmatische bezinning, opnieuw in vrij sterke mate bepaald door H. Heppe en een nog geringere aandacht is er voor de eigentijdse discussie. Maar een aparte bijbels-theologische behandeling zoeken wij in dit boek tevergeefs. Hoe is dit te verklaren? In de literatuur opgaven missen wij het destijds baanbrekende boek van G. Sevenster over de christologie van het Nieuwe Testament. Jammer, dat deze nog steeds waardevolle studie ongebruikt is gelaten. Maar ook wat G. de Ru in latere jaren in Sevensters lijn heeft geschreven treffen wij niet aan. Had men in dit opzicht geen theologische helpers? Of moest men een keus doen tussen de Amsterdamse school en eventueel exegeten uit Utrecht. Blijkens de inleiding is de keus meer op Amsterdam gevallen, maar in exegetisch opzicht toch niet al te duidelijk. Het gevolg is, dat het boek wat betreft de bijbels-theologische onderbouwing een blinde vlek vertoont. Terecht uit men kritiek op Berkhof, wanneer hij zo gewillig de historische Schrift-kritische resultaten opneemt in zijn christologie. Maar daarom hadden wij het des te meer op prijs gesteld, wanneer van hun kant een goed alternatief geboden zou zijn, b.v. in wat dan wel eens met enig ophef een post-kritische hantering van de Schrift genoemd is. Berkhof heeft in ieder geval bijbelse theologie gegeven. In dit boek wordt ze gemist.
Een tweede kritische opmerking betreft de samenstelling en de samenstellers van dit boek. Beker en Hasselaar hebben de hulp ingeroepen van een keur van, meest Amsterdamse, medewerkers. Doordat de medewerking vooral vanuit de historische hoek is gekomen, bestaat het boek voor een onevenredig groot deel uit theologiegeschiedenis. Dat zou nog te accepteren zijn, als het niet tevens zo was, dat de eigenlijke dogmatische behandeling een sterk onafhankelijke, aparte plaats gekregen heeft. Het is duidelijk, dat in dit laatste deel de eigenlijke auteurs aan het woord komen. Het voorafgaand historische deel zou evengoed geheel op zichzelf hebben kunnen staan. Nu blijkt, dat Beker en Hasselaar zelf deze diversiteit toejuichen. Zij spreken van 'een rijk geschakeerde oecumenische pluriformiteit' en als totstandkoming van een dogmatisch handboek van 'een oecumenische mijlpaal'. Inderdaad zit de verscheidendheid er wel in, als wij zien, dat hele stukken van prof. Mönnich en dsr. A. Hennephof en nog een paar lutheranen en doopsgezinden zijn opgenomen of verwerkt. Alleen is deze oecumenische breedheid wat moeilijk te rijmen met de kritische bezinning op de traditie van de eigenlijke auteurs. Dan treedt namelijk ineens een on-oecumenische vereniging op, als men zelf zegt: 'Of men zelf in deze leerschool (n.l. die van Gunning, Barth, Miskotte en Noordmans) medegevormd is of niet, zal tot op grote hoogte het prijzen of laken van het door ons geboderen bepalen'. Ik denk, dat velen van de directe medewerkers hierdoor zelf in de verkeerde hoek zijn geplaatst.
Tenslotte een opmerking over de didactische waarde van dit boek. De schrijvers merken zelf op, dat het bestemd is alleen voor theologiestudenten. Inderdaad is de stof zo moeilijk geformuleerd, dat een niet professioneel theoloog er weinig of niets van begrijpt. Maar of theologiestudenten dit wel kunnen? Ik vermoed, dat zij op zijn minst er grote moeite mee zullen hebben om deze stof te begrijpen, laat staan zich eigen te maken. Daar komt bij, dat de historische partijen zo uitvoerig zijn, dat het boek ongeschikt is om voor dogmatische leerstof te dienen. Daarvoor is het veel te uitgebreid, in historische zin. Trouwens, het eerste deel behoort, uit didactisch oogpunt bezien, meer thuis in de historische afdeling dan in de dogmatische. En dan nog op zijn minst in de doctoraalfase en niet in de algemeen vormende fase van de kerkelijke studie. Echter ook de historische bewerking op zichzelf heeft bezwaarlijke kanten. Zo heb ik me afgevraagd, welke functie de paragraaf over de 'Vroomheid in de Nadere Reformatie' in verband met de christologie in dit boek heeft. Het bevat een aantal afstandelijk-indirecte kritische opmerkingen over de bevinding van de Nadere Reformatie, die met de christologie hoegenaamd niets heeft uit te staan. Aan het slot herhaal ik nog eens het belangrijkste aspect van mijn beoordeling. Dogmatisch-confessioneel ben ik blij met deze christologie. In de verwerking van de stof zijn vrij ernstige leemten en gebreken aan te wijzen. We kunnen aan het boek het meest hebben door het incidenteel te raadplegen. Als studieboek acht ik het een mislukking.
C. G.
Prof. dr. J. Verkuyl, De Kernbegrippen van het Marxisme - Leninisme, 312 blz. ƒ 37, 50. Kok, Kampen 1982.
In dit boek ligt een uitgebreide en sterk herziene heruitgave voor ons van Verkuyl's boek uit 1979 over de dialoog tussen Marxisten en Christenen. Was er toen sprake van een inleiding als voorbereidng op deze dialoog, in deze uitgave is het woord dialoog verdwenen en spreekt de auteur over een proef tot evangelisch commentaar bij de kernbegrippen uit het Marxisme-Leninisme.
Prof. Verkuyl geeft in zijn inleidend woord vooraf zelf al aan dat hij rekening gehouden heeft met allerlei kritische op-en aanmerkingen n.a.v. zijn boek uit 1979. Het boek berust als ik het goed heb nu meer op allerlei bronnenonderzoek aan de hand van verzamelde werken van Marx en Lenin. De auteur beoogt drieërlei met zijn wijze van benadering. Hij wil de marxistisch-leninistische gedachtenwereld toetsen aan de beloften en geboden van het Evangelie om preventief te werken ten aanzien van de naïeven, om voorts de centrale themata helder te laten doorklinken en in de derde plaats om een missionaire handreikmg te bieden in het gesprek met hen die zich aan de ideologie van Marx en Lenin hebben overgegeven.
Verkuyl wil dus duidelijk positie kiezen. Dat doet hij ook in dit boek. Toch is de toon bescheiden en niet triomfalistisch. Te zeer is de schrijver onder de indruk van het falen in het christendom, van de zere plekken waarop Marxisten ons wijzen. Maar dat verhindert hem niet om toch de confrontatie aan te gaan.
Het boek laat zich prettig lezen, mede door de soms getuigende manier van schrijven. Met name de hoofdstukken over het atheïsme, de religie kritiek, de mensbeschouwing, ethiek en toekomstverwachting zijn uitermate instructief, met name voor hen die in het evangelisatorisch gesprek betrokken zijn. Bestudering van dit boek is daarom zeer aan te bevelen. In het historisch overzicht laat Verkuyl zien hoe er na Marx allerlei varianten zijn opgetreden. De beweging van Nieuw-Links in Nederland krijgt wat weinig aandacht. Boeiend is ook de paragraaf over het Eurocommunisme en de visies op de overheid en het gezag. Nieuw is het hoofdstuk over vervreemding. Ook de meerwaardetheorie en in verband daarmee de bezinning op het loonvraagstuk krijgen in deze sterk uitgebreide uitgave terecht meer aandacht. Er zijn vele studies over Marx en het Marxisme. Ik meen dat Verkuyl' s boek een eigen plaats inneemt, waarbij de kracht vooral zit in de wijze waarop de schrijver evangelisch commentaar geeft op deze ideologie.
A. N.
L. J. van den Brom: God Alomtegenwoordig; Uitgave J. H. Kok, Kampen, 245 pag. ƒ 38, 50.
Op 22 April verdedigde ds. L. J. van den Brom, hervormd predikant te Blokzijl, dit proefschrift aan de theologische faculteit van de Rijks Universiteit te Utrecht. Promotor was prof. dr. V. Brümme. Ds. van den Brom studeerde aanvankelijk wisen natuurkunde maar werd zoals hij in het voorwoord van zijn dissertatie zegt, door prof. dr. A. A. van Ruler ertoe verleid om deze studie in te ruilen voor die van de theologie.Het proefschrift maakt duidelijk dat de promovendus zijn oorspronkelijke studie niet vergeten is. Nadenken over de alomtegenwoordigheid Gods doet tevens nadenken over het begrip ruimte, zoals deze met name ook in de natuurwetenschappen wordt gehanteerd. Waar is de hemel, waar woont God? Aan de orde komt tevens het Godsbegrip, waarna aan de orde komen 'De localiseerbare God', 'Is God ruimtelijk? ', 'Is God ruimteloos? ', 'Gods eigen dimensie', 'Gods ruimtelijkheid krachtens zijn scheppingsdaad!' Het proefschrift, dat een sterk wijsgerig karakter draagt, leent zich vanwege de specialistische inhoud moeilijk voor een uitvoerige boekbespreking in ons blad. Wie echter dieper door wil dringen in enerzijds het nadenken over begrippen ruimte en tijd, zoals dit door de eeuwen heen door natuurwetenschappers, theologen en filosofen heeft plaatsgevonden, vindt in dit proefschrift ruime stof. Opvattingen als van Spinoza, Augustinus, Anselmus, Thomas van Aquino, Schleiermacher, Barth en anderen komen uitvoerig aan de orde. Dit proefschrift is als gezegd sterk wijsgerig van aard. Dat betekent dat de aanpak ook eenzijdig, zelfs selectief is. Het is geen boek waarmee een predikant in zijn pastoraat verder komt. Dan biedt een boek van G. C. van Niftrik over de hemel meer. Het valt ook op hoe weinig in deze dissertatie schriftplaatsen aan de orde komen, al staan deze natuurlijk wel op de achtergrond van de vele bronnen die de auteur aanboorde. Intussen beseft de schrijver zeer wel dat het denken over God en de plaats waar Hij woont een geheimenis is. Daarom eindigt hij met een 'onwetenschappelijk naschrift': 'uiteindelijk aanbidden wij God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest als de Alomtegenwoordige en genadige God'. Gods alomtegenwoordigheid betekent dat Hij 'overal aanbiddenswaardig' is. Een koning, zegt de auteur ook, heeft macht zonder lijfelijk present te zijn. Met deze belijdenis mogen we het gelukkig doen. Van harte bevelen we dit proefschrift aan ter bestudering, al zal het alleen toegankelijk zijn voor ingewijden in de aan de orde zijnde problematiek.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's