Uit de pers
Media en antisemitisme
De gebeurtenissen van de afgelopen maand in Libanon vormden en vormen de aanleiding tot tal van beschouwingen over het verschijnsel van de staat Israël. Dat is een ingewikkeld vraagstuk. Daar is het verschijnsel 'Israël' op zich; het fenomeen van de Joodse staat. Daar is de politiek van Begin, de relatie tot de Palestijnen, de gevoelens van sympathie en antipathie. De Joodse journalist Dick Houwaart wijst er in Hervormd Nederland van 21 augustus op hoe moeilijk het is in de berichtgeving feiten en verzinsels, waarheid en verdichting van elkaar te onderscheiden. Hij noemt de waarheid het eerste slachtoffer van de oorlog. Ook propaganda en oorlogsverslaggeving blijkt een wapen te zijn. Dat is niet nieuw. Reeds Shakespeare wist ervan hoe het vermelden van slecht nieuws gevolgen heeft voor de boodschapper. Over en weer blijken feiten verzwegen te worden. Men kan ook denken aan de tegenstrijdige berichtgeving inzake de oorlog tussen Iran en Irak. Houwaart wijst er op hoe de oorlog in Libanon als extra dimensie heeft de enorme betrokkenheid van Joden over de gehele wereld en de wijze waarop zij reageren op de berichtgeving. Wie een kritisch woord durft te uiten aan het adres van Begin's politiek, loopt gevaar bij voorbaat bij hen verdacht te zijn. Omgekeerd constateert Houwaart toenemend antisemitisme waarvoor hij mede ook de media verantwoordelijk stelt. Ik citeer uit zijn artikel:
'Feiten zijn heilig, maar sinds oorlogvoerenden hebben ontdekt, dat men feiten, althans vele feiten, naar eigen hand kan zetten, zijn die feiten niet meer heilig en daarmee zijn we bij de kern van het vraagstuk aangekomen. Is de journalist in dit soort situaties en oorlogen nog wel in staat zich een onafhankelijk oordeel te vormen en de feiten door te geven zoals de feiten werkelijk zijn? Ik aarzel met het antwoord, omdat ik weet hoezeer de ontvangers van de onaangename boodschap geneigd zijn de boodschapper de schuld te geven, van het onaangename nieuws. Niettemin meen ik dat wij in de journalistiek zo langzamerhand niet meer om de vraag heen kunnen. In hoeverre is de journalist in staat zijn onafhankelijkheid te bewijzen van de instanties, die hem de feiten verschaffen? Ik word daar steeds somberder over. En de Libanese oorlog is er als het ware om te bewijzen, dat de media op onverantwoordelijke wijze feiten als feiten hebben doorgegeven. Over het aantal vluchtelingen werden voortdurend verschillende cijfers verstrekt. Het aantal doden wisselt per journalist. Als alle verwoestingen, die er zijn gemeld, waar zijn, is Libanon een onherbergzaam maanlandschap geworden. Hoeveel Palestijnen zitten er eigenlijk? Zijn het er tienduizend of zeshonderdduizend? Niemand die blijkbaar precies weet wie waar zit en met hoevelen. Het Libanese Rode Kruis legt verklaringen af. Maar is het Libanese Rode Kruis betrouwbaar? Immers, vermeld werd dat de broer van Arafat directeur van dat Rode Kruis is. Het Rode Kruis werkt gewoonlijk in stilte, maar legt nooit verklaringen af. Nu ineens wel en ik citeer "duizenden onschuldige burgers worden bloot gesteld aan dood, angst en ziekte'' en ''Beiroet wordt onderworpen aan een ware uitroeiing". Nog nimmer heb ik zulke verklaringen gelezen van welk Rode Kruis ook. Wie is hier betrouwbaar? En welke journalist meent zo'n verklaring voor "waar" te moeten doorgeven?
Stapel deze feiten op elkaar en ik geloof niet dat men verwonderd moet zijn over het waarneembare én hoorbare verschijnsel, dat de media het in de Libanese oorlog voor wat betreft de waarheid voor een groot deel af laten weten. En dus is het geen wonder dat Joden over de gehele wereld gezien hun betrokkenheid bij Israël nauwelijks meer een goed woord over hebben voor de media. Daarbij gaan ze zover alle gerechtvaardigde kritiek op de Israëlische actie eveneens als ingegeven door anti-Israëlische, of anti-semitische opvattingen te beschouwen. En dat is dan het tweede kernpunt van het ingewikkelde vraagstuk: in hoeverre speelt het anti-zionistische, anti-semitische sentiment mede een rol in de media. Ik denk niet veel van de waarheid af te zijn als ik opmerk, dat in sommige gevallen zéker anti-semitische elementen in de berichtgeving een rol spelen, al zou ik de slechte of beter gezegd gekleurde berichtgeving eerder een handvat willen noemen voor de anti-semieten onder ons. Daardoor ontstaat een wisselwerking met de media. Voor een flink aantal verborgen antisemieten is de ban gebroken. Het gezonde taboe op anti-semitisme is zoals Ronnie Naftaniël in Trouw van vrijdag 13 augustus schreef, doorbroken. Het kan weer. De dreigementen aan de Joodse gemeenschap in ons land, aan individuele Joden en, zie alweer Frankrijk, nemen toe. De sfeer is er goed voor. Steeds meer mensen geraken overtuigd van de onjuistheid van Begins politiek, die door vele Joden wordt gesteund en dat maakt de Joden automatisch mede-verantwoordelijk voor de slachtoffers in Libanon, waarover de media, ook in kleurrijke televisie-beelden, berichten. Het is dus "bont ton'' aan het worden en dat is waar ant-semieten op hebben gewacht. Hun anti-semitisme wordt vermomd. Zo kan het gebeuren dat in het socialistische Vrije Volk een serie ingezonden stukken staat, waarboven wordt vermeld: "Israël, volkerenmoord".
Zijn de media dus mede-verantwoordelijk voor die sfeer van toenemend anti-semitisme? Ik neig ertoe, daarop bevestigend te antwoorden. En dat niet omdat de Joden dat vinden of er de last van ondervinden, maar omdat ik moet vaststellen, dat er blijkbaar veel meer anti-semitisme bestaat dan wij ons konden voorstellen. Wij dachten dat het voor een groot deel verdwenen was. Het is niet waar. Het is er. Het wordt nu pas weer manifest. Het kan weer, omdat Israels politiek, de Joodse politiek, wereldwijd kritiek ontmoet. Dat ook talrijke Joden zich tegen die politiek verzetten is niet interessant. Joden worden apart gezet. Een enkele keer ook in commentaren. Bijvoorbeeld in het commentaar van de Volkskrant van vorige week naar aanleiding van de aanslag in Parijs. "De overheid heeft tot plicht haar burgers te beveiligen. Dus ook de Joden." Zou het niet zindelijker zijn te schrijven, dat de overheid de plicht heeft haar burgers te beschermen? Wie kranten nauwkeurig leest, komt meer van dit soort uitglijders tegen. Of zijn het geen uitglijders?
En die vraag wil ik tot slot ook stellen als het gaat om de waarheid inzake de oolog in het Midden-Oosten.'
Het verschijnsel van het anti-semitisme blijkt niet dood te zijn. Het is goed dat we er attent op zijn. Het verleden spreekt op dat punt boekdelen. Sluimerend anti-semitisme kan verschrikkelijke gevolgen hebben. En de verantwoordelijkheid van hen die in de publiciteit treden is groot. Omgekeerd zal men niet elke kritische uitlating aan het adres van politici in Israël als anti-semitisme mogen betitelen. Integendeel, juist verbondenheid met Israël kan betekenen dat soms scherpe dingen gezegd moet worden. Zeker geldt dat als we de zaak in theologisch licht zien en letten op de band tussen Israël en de Thora. Ook het huidige Israël zal zich aan die maatstaf niet mogen onttrekken. Maar wanneer christenen dat ge geven te berde brengen, zullen zij vooreerst goed duidelijk moeten maken dat dit niet is ingegeven vanuit anti-semitische neigingen. En voorts zullen we op onze hoede moeten zijn voor onwaarachtigheid en huichelarij. Het valt me wel eens op hoe maatstaven worden aangelegd, die ten aanzien van andere volken verzwegen worden. En voorts dat elk historisch besef ontbreekt, en men vergeet dat dit volk vecht voor zijn bestaan tegen de achtergrond van de verschrikkingen van de jaren '33 - '45. De kerk zal zich nooit mogen vereenzelvigen met een bepaalde politiek en wars moeten zijn van nationalisme. De kerk zal wel vanuit de gemeenschappelijke verbondenheid in de Schriften (wet en profeten; het heil dat uit de joden is) elk spoor van anti-semitisme hebben te bestrijden.
***
Kiezen en delen?
Vele kerken hebben te maken met het verschijnsel van de pluraliteit, d.w.z. het bestaan van een verscheidenheid van inzichten binnen een gemeente. Dat kan soms verrijkend zijn. Maar een dergelijke verscheidenheid kan ook gevolg van de zonde zijn. Hoe zal men hierin kunnen onderscheiden? Anders gezegd: Wanneer is pluraliteit gewettigd, ja verrijkend en wanneer is het uiting van zondig heersen over de Schrift? Dr. R. Fernhout gaat in het blad Credo (juli/aug. '82) op deze vragen in. Hij heeft nogal kritiek op de stelling van dr. Vlijm: 'Elke keuze die het delen ontkent wijs ik af'. We mogen volgens Vlijm wel keuze maken, maar we zullen bereid moeten zijn te delen, d.w.z. te erkennen dat de ander samen met ons deel heeft aan Christus. Alleen een pluraliteit die gevolg is van het huldigen van andere machten dan de macht van Christus is onaanvaardbaar, aldus Vlijm. Fernhout vraagt zich af of we bij Vlijm's benadering nog met een bijbels verantwoorde vorm van 'kiezen' te maken hebben. Komen we op die manier niet uit bij een grootste gemene deler? Is er niet een waarheid waaraan onze keuzes getoetst moeten worden?
'De kern van de problemadek ligt naar mijn mening hierin, dat geloven ten diepste iets geheel anders is dan een beperkte persoonlijke keuze. Dit wil ik graag verduidelijken aan de hand van twee begrippen die ook bij Vlijm, zij het in een wat ander verband, voorkwamen, namelijk zonde en genade. Een mens kiest er niet voor dat hij een zondaar is - integendeel! - en het is niet mijn keuze dat, om de woorden van de catechismus te gebruiken, "niet alleen aan anderen maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en heil door God geschonken is uit louter genade, alleen op grond van Christus' verdienste" ( HC, antw. 21). Filosofisch gesproken zouden we kunnen zeggen, dat het geloof zijn oorsprong vindt in het object en niet in het subject. Het lijkt me echter veel beter om alle filosofie maar te vergeten en met de catechismus te belijden dat het de Heilige Geest is die ons tot zulk een geloof brengt. Binnen dit raam van zonde en genade speelt zich de "pluraliteit" binnen de gemeente af en daaraan moeten de keuzes getoetst worden. Wanneer zonde en genade echter zelf een zaak van pluraliteit en keuze worden - hoe kan Vlijm daar bij deze opzet aan ontkomen? - , dan blijft er niets te delen over. Men leeft in verschillende werelden en het werkt vervreemdend als je je dan toch één moet voelen. Wordt deze vervreemding niet door velen in onze kerken ervaren? Wat voor hen de werkelijkheid van het geloof uitmaakt, de eigen zonde en Gods onverdiende genade, komt in prediking en catechese nauwelijks aan de orde. Of slechts als voorhof, waarachter het ware heiligdom ligt: de inzet voor een betere wereld. Of omgeduid als corrupte structuren en mogelijkheid om die te veranderen. Of van alles wat, omdat de predikant nu eenmaal ekening moet houden met de pluraliteit in de geneente. De formule "kiezen en delen" biedt hier ; een uitkomst. Wat men met anderen zou willen leien is immers juist dat, wat niet op keuze berust naar wat in het eigen leven niet zelden tegen alle persoonlijke keuzes in is doorgebroken. Kortom in de kerk kan noch mag een grootste gemene deler de plaats innemen van een gedeeld geloof.
Ondertussen bevinden we ons in een plurale situaie, die, over het geheel genomen een droevige situatie is. Het boekje van Vlijm wil ons een recept bieden om met die situatie te kunnen omgaan. Daartoe geeft hij aan het einde van zijn boek een gehele reeks aanwijzingen die inderdaad hun nut kunnen hebben. Hiermee is echter de problematiek van de huidige pluraliteit niet opogelost, namelijk hoe te onderscheiden tussen "gevolg van zonde" en "vrucht van genade''. Dit onderscheid wordt in feite teruggebracht tot het niveau van de keuze die ruimte moet laten voor de andere keuzen. Dat is echter geen antwoord op de problematiek, maar de probIematiek zelf in wat overzichtelijker en hanteerbaarder vorm. Het is homeopathie: De ziekte wordt bestreden met een middel dat in de gezonde situatie de ziekteverschijnselen zou oproepen. We leren met pluraliteit omgaan door een goed gedoseerde hoeveelheid pluraliteit te slikken.
Het ligt niet binnen het bestek van dit artikel een tegenrecept te bieden. Het belangrijkste ingrediënt van zo' n recept zou echter niets anders kunnen zijn dan een biddend belijden van wat, naar wij oprecht geloven, aan onze keuzes voorafgaat.'
Behartigenswaardige woorden over een uitermate ingewikkeld probleem. Hoe verdragen zich waarheid en eenheid, eenheid en verscheidenheid met elkaar? Soms krijgt men uit allerlei beschouwingen de indruk dat men uit de nood van de verdeeldheid de deugd van de pluraliteit wil maken. Dat lijkt me geen gezonde oplossing. Zouden we niet beter doen samen te zoeken naar datgene, wat we op grond van de Schrift hebben te geloven. Met andere woorden, zonder te vervallen in confessionalisme, zal het juist voorde reformatorische kerken zaak zijn in spreken en handelen de confessie te laten gelden. Juist het gemeenschappelijk belijden in verbondenheid met de kerk der eeuwen schept ruimte en bakent ook grenzen af.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's