Verkilling van de liefde
Wie de Bijbelconcordantie erop naslaat zal ontdekken dat het woord liefde erg veel in de Bijbel voorkomt. Het woord liefhébben nog meer. Er zijn overbekende teksten, waaruit blijkt hoe hoog de liefde in de christelijke gemeente wordt aangeslagen. In het bekende hoofdstuk 1 Cor. 13, waarin de christelijke liefde bezongen wordt, lezen we het: 'en nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie, doch de meeste van deze is de liefde'.
Als we in de gemeente de liefde niet praktiseren dan kunnen we 'talen van mensen en engelen spreken' maar we zijn klinkend metaal, een luidende schel.
Toen vorige week vrijdag, aan het eind van de receptie ter gelegenheid van zijn veertig-jarig ambtsjubileum, ds. Kievit nog een kort dankwoord sprak, haalde hij het woord van Paulus aan de gemeente van Corinthe aan: 'Mijn liefde zij met u allen'. Een predikant kan in zijn gemeente heel wat tegenkomen, schapen en bokken en ook de schapen kunnen nog heel wat kuren hebben. En toch: mijn liefde met u allen. Ik weet dat er een predikant geweest is, die ooit deze tekst als zegen uitsprak in een dienst des Woords. Wie ambassadeur van Godswege is en van de liefde Gods getuigen mag voor het verlorene mag zijn liefde tot de gemeente als afglans van Gods liefde zien. Het is niet best als predikanten (trouwens ook voor gemeenteleden geldt dit) murmurerend door de gemeenten gaan. Alleen de liefde trekt sporen. Me dunkt dat ieder, die vorige week in Gouda aanwezig was, iets proefde van de liefde tot de kerk en de gemeente en dat dit ook grenzen van modaliteiten doorbrak.
Mattheus 24
In de Schrift staat een ernstig woord over het laatst van de dagen, namelijk in Mattheus 24. De dingen, die Jezus daar, op de Olijfberg, zei zijn overbekend. Ze zijn om zo te zeggen uitgezochte zaken voor tijdredes en boetepreken aangaande de eindtijd, aangaande dus ook ónze dagen. En het zal waar zijn wat daar allemaal staat!
'Ziet toe dat u niemand verleide.'
'Gij zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen.'
'Er zullen pestilentieën en aardbevingen op de aarde zijn.'
'Gij zult gehaat worden door alle volkeren om mijns Naams wil.'
'Valse profeten zullen opstaan en zullen velen verleiden.'
Maar is het niet merkwaardig, of liever veelzeggend, dat de pericoop uitloopt op dit woord: 'en omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden zo zal de liefde van velen verkouden'. En juist daarom wordt gezegd, na dit vermaan tot de liefde: 'maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden'.
Het is boeiend hier Calvijn te volgen in zijn uitleg van dit Schriftgedeelte. Hoewel dit stuk in eerste instantie slaat op de verwoesting van de tempel breidt hij de ernstige dingen, die worden voorzegd, direkt uit naar het bredere volkerenleven, naar de eindtijd toe. In scherpe tinten tekent hij wat geschieden zal. De gemeente zal gemeente zijn 'onder het kruis', héél letterlijk. De gemeente zal zelfs onder rampen gebogen gaan, die de goddelozen niet treffen.
Wat betreft het opstaan van valse profeten, zegt Calvijn, dat de kerk aan dit kwaad evenzeer bloot zal staan onder de bediening van het Evangelie, als voorheen onder die der Wet. Maar, wie niet geleerd heeft tegenover zulke dingen vast te staan, is niet behoorlijk in Christus gefundeerd. 'Want het echte geloof wordt door valse leringen niet aan het wankelen gebracht.' Maar als Calvijn dan aan de tekst toekomt, die over de 'verkouding van de liefde' handelt, dan slaat hij accoorden aan, die tot vandaag gehoord moeten worden. Als de ongerechtigheid vermenigvuldigt - en is onze tijd er niet vol van? - moet het voor niemand verborgen blijven 'in welke wijde kring het zich openbaart'.
Ik zou willen zeggen: die wijde kring sluit de eigen kring niet uit maar in. Maar, als de tijden slecht zijn - zo gaat Calvijn verder - gaat de lust tot weldoen 'zelfs bij de deugdzamen en de goedwillenden aan het kwijnen'. Dat is een 'gevaarlijke verzoeking'. Want wat is erger dan een leer goed te keuren, die 'de kracht van de liefde doet afnemen'.
Bij deze gedachte van Calvijn bleven mijn gedachten haken. Een leer goedkeuren, die geen liefde bewerkt! Waar het Evangelie immers komt zet het harten in vlam, zet het harten in liefde ook ten aanzien van het afgedwaalde, het dwalende, zelfs het zondige, tot in de gemeente, toe.
Als dr. Brummelkamp, de bekende predikant uit de dagen van de Afscheiding, wel eens de kansel op ging met de gedachte 'nu zal ik het ze eens aanzeggen', dan dacht hij, als hij het volk vóór zich zag, 'laat ik ze maar troosten'. Mijn liefde zij met u allen.
Ik kom weer terug bij Calvijn. Als er verkouding in de liefde, als er verkilling komt, wijt hij dit aan 'de zwakke kracht der christenen': hun zwakke kracht delft vaak het onderspit tegen 'de allesoverstromende vloed van ongerechtigheid'. Maar Christus vraagt moed om daartegen te vechten. Want Paulus leert dat we niet moe moeten worden om 'wel te doen' en ons vriendelijk te gedragen.
Dat woordvriendelijk treft hier bij Calvijn. De man, die scherp was in zijn polemieken voert een pleidooi voor vriendelijkheid, voor hartelijkheid. Al verkilt dan de liefde van velen tengevolge van de stroom van ongerechtigheid, die openbaar komt, toch wil Christus - zegt Calvijn - dat de gelovigen 'ook deze hinderpaal zullen overwinnen'.
Me dunkt dat dit alles ons vandaag iets zeggen mag. We hebben te strijden tegen valse profetie, tegen verleidingen op velerlei terrein, tegen dwalingen en ontsporingen. Maar liefde, vriendelijkheid, in de kerk broederlijke gezindheid, zal toch het kenmerk moeten zijn van de christen. Het zal ook onze wijze van theologiseren bepalen.
Ik haal nog één keer iets op van ds. Kievit in zijn dankwoord vorige week vrijdag. Je moet beginnen mensen, theologen ook, met 'vertrouwen' tegemoet te treden. Uiteraard zo bedoeld dat er wederzijds sprake is van buigen voor de Schriften. In dat vertrouwen kun je dan beschaamd worden. Maar als we niet met vertrouwen, met liefde beginnen, is het resultaat van elke discussie, van elk kerkelijk gesprek voorspelbaar.
De liefde, zegt 1 Cor. 13, is lankmoedig, niet afgunstig, niet lichtvaardig, zoekt zichzelf niet, denkt geen kwaad, wordt niet verbitterd, verblijdt niet in de ongerechtigheid maar in de waarheid.
Efeze 4 kan ons hierin veel leren: 'met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid elkaar verdragende in liefde'. En ook: 'de waarheid betrachten in liefde'.
Ontdekkend
Hoewel deliefde in de Schrift hoog genoteerd, staat en de kwaliteit van het geloof er zelfs aan hangt, moeten we toch zeggen dat helaas de liefde nogal eens het stiefkind is in kerk en gemeente. In het Hervormd Weekblad stond dezer dagen te lezen dat het onder christenen helaas een gewoonte is, 'dat ze heel boos worden wanneer er iets geschreven wordt waarmee ze het niet eens zijn'. Nu kan dat op zichzelf een heel menselijke reaktie zijn. Men reageert boos, verontwaardigd, maar morgen is het om zo te zeggen weer over.
Erger is het echter wanneer dit structureel is bepaald. In theologische discussies zijn we dan niet in gesprek (in liefde) maar bestrijden we elkaar slechts en plaatsen we elkaar ook.
***
Ik werd bij dit alles nog eens te duidelijker bepaald toen ik De Wekker, het orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken, van 20 augustus las. Daarin staan prachtige artikelen van prof. dr. W. van 't Spijker, prof. dr. J. van Genderen en ds. J. H. Velema over prof. Jacob Jan van der Schuit, ter gelegenheid van het feit dat hij honderd jaar geleden geboren werd (op 25 augustus 1882 in 's Gravenhage). Van Genderen schrijft over hem dat hij zich keerde tegen 'een verbondsoverschatting, een verbondsonderschatting, een verbondsnihilisme en een verbondsidealisme'. Me dunkt, dat uit deze opsomming wel blijkt hoe Van der Schuit best zijn partijtje heeft meegeblazen in de immerdurende strijd over de vragen rondom 'verbond en verkiezing' in de Gereformeerde Gezindte. Hij waarschuwde - zegt Van Genderen - naar de Gereformeerde Kerken toe én naar de Gereformeerde Gemeenten toe. Intussen werd hijzelf in zijn visie op het verbond beoordeeld en veroordeeld. Het is mij overkomen, dat ik (heel jong nog) een kerkdienst meemaakte, waarin in de verkondiging, dus in de Naam des Heeren, een vernietigend oordeel over Van der Schuit werd uitgesproken: verbondsmannetje, man van 'de drie verbonden' en (dus) vijand van Gods volk. Dit was geen theologische discussie meer over de moeilijke vragen van het verbond, waarin we kennelijk in de Gereformeerde Gezindte allen maar 'ten dele' kennen, nee hier ontbrak het oordeel der liefde. En zo is het wat keren voorgekomen met name in de Gereformeerde Gezindte. Bekende theologen in de Gereformeerde Gezindte hebben vaak onder het liefdeloos oordeel van wie nóg gereformeerder was of wilde zijn moeten lijden.
Ik wil dit stuk besluiten met enkele passages uit De Wekker aan te halen om enerzijds aan te geven wie Van der Schuit was en om anderzijds aan te geven hoe hij bij het klimmen van zijn jaren bij alle liefde, die hij vooreigen kerk had (en die is 'aangeboren') in liefde ook de hand reikte aan de broeders elders.
Prof. van't Spijker zegt:
'Levend was zijn prediking. Tegen de notaris op de spreekstoel heeft hij gewaarschuwd. Hij hield vaak een gesprek op de preekstoel. Hij stelde maar vragen. En het is meermalen gebeurd dat een kind antwoord gaf. Ironie was hem niet vreemd. En ironisch, op het sarcastische af kon hij afkraken alles wat niet was naar de zin en mening van de Heilige Geest. Dan trok hij de wenkbrauwen omhoog en kreeg zijn oog die ondeugende, spottende uitdrukking, die door sommige van zijn studenten zo gevreesd werd wetend dat dit niet veel goeds voorspelde en dat dit zou uitlopen op een ontdekking van de dogmatische onkunde van het slachtoffer dat zijn hoogleraar voelde naderen.
En zijn prediking was altijd vol perspectieven. Wat kon hij wijde uitzichten openen op de toekomst. Een van zijn boeken kreeg de titel "Achter het gordijn des doods". Maar perspectieven gaf hij altijd. Zijn preken en redevoeringen liepen uit op het uitzicht op het Nieuw Jeruzalem. "Den raad Gods dienen in geloof, dienen in blijdschap, dienen in dankbaar vooruitzicht, dat schijnt over elk pad, ook over het pad van den dood, lichtend tot den schoonsten morgen die ooit aan de kim is gerezen." (Slot van een rede over de Dorische Synode en het Supra lapsarisme). Of: "Reeds ziet mijn oog van verre die toekomst blauwen, en over woeste golven van een donkere wereldzee dobbert het scheepke van Christus' kerk die haven der toekomst tegen." (Hendrik de Cock, pag. 28).
Waarheid en eenheid
In het leven van professor Van der Schuit was een duidelijke spanning op te merken tussen waarheid en eenheid. Wie jong is kan zo iemand vaak niet begrijpen en vindt hem een draaitol: vandaag strijdt hij voor de waarheid van Schuld en belijdenis en lijkt hij niemand anders te kennen dan zijn eigen kerkmensen en morgen houdt hij een prachtig betoog over de eenheid zo dat alle kerkmuren als niets schijnen te zijn.
Hoe kan dat én hoe is dat met elkaar te rijmen? Is hier sprake van oneerlijkheid? Wiskundig geredeneerd ligt die conclusie voor de hand. Maar wie zelf ouder is geworden en midden in de kerkelijke praktijk staat weet beter: het is de spanning, die met deze bedeling is gegeven, de spanning die het leven van een strijdend christen kenmerkt. We kunnen strijdend voor de waarheid het heimwee naar de eenheid van alle gelovigen niet vergeten en zuchtend en verlangend naar de eenheid kunnen we de waarheid niet onder de tafel werken'. (cursivering van mij, v.d.G.)
Ds. J. H. Velema schrijft:
'Van der Schuit, een denker. Dat hoge voorhoofd, die heldere ogen, die schittering in zijn blik, wanneer hij de dingen "zag", die verbazing soms, wanneer een student hem in zijn denken niet zo ras kon volgen. Was hij moeilijk te volgen?
Dikwijls heb ik gedacht dat Van der Schuit durfde denken. En in zijn denken was hij synthetisch d.w.z. dat hij nooit dor en droog aan een ding tegelijk kon denken. Hij zag altijd het éne in zijn vele verbanden, en was immer bedacht op de veelkleurigheid van de genade van God. We hadden een klein oud boekje voor logica. We kwamen er ook wel door, maar het ging op de manier die geen uitdrukking was van een denken met het verstand alleen, koel, zakelijk, voorzichtig, clean om zo te zeggen. Het was een denken met het hart, een schouwen met de ziel, een formuleren met de beeldrijke taal van de poëzie soms, maar altijd uitdrukking van het leven der ziel. Ik denk vanmorgen met u... zo begon hij vaak zijn colleges en dan ging het los. Soms kwam er in dat denken hardop de toon van het danken. Dan werd het stil en we luisterden stil, omdat zich hier het wonder der genade liet horen dat de strijder tot belijder maakte en het dogma tot doxa verhief.'
De liefde blijve!
De moraal van dit verhaal wil niet anders zijn dan: dat de broederlijke liefde blijve! Er mogen verschillen zijn, als we maar staan willen op de bodem van het onfeilbare Woord Gods. Zodra we daarbuiten komen dan zijn we toe aan de valse profetie. Maar als we in orthodoxe kring ons sterk maken om die valse profetie af te wijzen, dan mogen we wel evenzeer beducht zijn, dat we dé liefde verdoezelen vanwege de waarheid.
De vermaningen aangaande de apocalyps hebben ons veel te zeggen. Het oordeel begint immers van het huis van God?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's