De christelijke organisatie in de tachtiger jaren (3)
Met behulp van de christelijke organisaties voltooide het protestants-christelijk volksdeel zijn emancipatie.
In ons tweede artikel zagen we hoe de kritiek op een misplaatste hantering van het antitheseprincipe niet kan betekenen dat we daarmee de tegenstelling tussen geloof en ongeloof, christenen en niet-christenen mogen ontkennen. Achter de de kritiek van sommigen op de christelijke organisatie gaat een opvatting schuil volgens welke de gehele wereld met God verzoend is, zodat aan de beslissende betekenis van het geloof en de bekering tekort gedaan wordt. Christenen staan in deze wereld, maar zijn niet van de wereld. Dat kan leiden tot aparte organisatievorming.
Overleefde instituten?
Maar daar is nog een ander bezwaar wat tegen de christelijke partij en organisatie wordt ingebracht. Om dat op het spoor te komen, herinner ik u nog even aan wat we in het eerste artikel opmerkten over de motieven. Een van de motieven die een rol gespeeld hebben is de strijd om publieke erkenning en gelijke rechten, het zgn. emancipatie-motief. Klapwijk wijst erop dat de motief slechts een nevenrol heeft vervuld. Plomp legt er wat meer nadruk op. Met behulp van de christelijke organisaties voltooide het protestants-christelijk volksdeel zijn emancipatie. Met name van sociologische zijde wordt sterke nadruk gelegd op dit emancipatie-denken als voornaamste drijfveer tot stichting van christelijke organisaties. Een minderheid streeft naar gelijke rechten en naar erkenning, waarbij de zorg voor de herkerstening van het volksleven op de achtergrond raakt: zo zou men de teneur van verschillende beschouwingen kunnen weergeven. Het zou dus niet in de eerste plaats gaan om een geestelijk reveil, een geloofsstuk, maar om het te boven komen van de maatschappelijke achteruitstelling.
Deze visie heeft in de zestiger jaren geleid tot een kritische benadering van de christelijke organisatie. Kort samengevat komt die kritiek hier op neer: Wat in de 19e eeuw noodzaak was, is nu een achterhaalde zaak. De emancipatie is voltooid, immers het orthodox-protestantse volksdeel heeft erkenning, gelijke rechten, deelt in de subsidies. Wie dus nu nog een aparte organisatie wil vasthouden werkt de verzuiling in de hand en streeft naar groepsvorming en machtsuitbreiding. Ja, wat in de vorige eeuw nodig was in de strijd tegen het liberalisme krijgt nu bedenkelijke kanten, omdat christelijke organisaties in onze tijd instrument dreigen te worden van de bestaande orde, de gevestigde burgerij en zo de noodzakelijke maatschappijvernieuwing, het proces van de bevrijding tegenhouden. Christelijke organisaties versluieren, zo zegt men, met hun nadruk op harmonie en overleg, de maatschappelijke tegenstellingen tussen rijken en armen, onderdrukten en onderdrukkers en worden handlangers van de gevestigde orde benoemd. Typerend voor deze gedachtengang is een opstel van ds. R. Zuurmond in de bundel Christelijke organisatie in discussie. Tot 1920 zo betoogt hij kan het oordeel positief uitvallen omdat de kleine luyden zo tussen 1860 en 1920 een dam opwierpen tegen dreigend liberalisme en fascisme. Na 1920 wordt het dubieuzer en zien we symptomen dat de organisatie er is om der wille van de organisatie. De noodzaak wijkt voor de leuze. En zo zegt Zuurmond, men gaat driftig zoeken om rol en taak van christelijke organisaties te bepalen. Maar dat neemt niet weg dat z.i. de instituten van de emancipatie der kleine luyden zoals hij de chr. organisaties noemt, zichzelf hebben overleefd. Daarom ontraadt Zuurmond aan christenen de christelijke organisatie op politiek en maatschappelijk gebied, want als instrumenten van de middenklasse weigeren zij z.i. de keus te doen voor de armen en onderdrukten in het voetspoor van de Messias Jezus. Zuurmonds hoofbezwaar is dat het idealisme van allerlei chr. organisatie aan de werkelijke praktijk geen recht doet.
De eis van gerechtigheid
We stemmen in met Klapwijk als hij van oordeel is dat we niet te gemakkelijk de kritiek van radicale zijde naast ons neer moeten leggen. Behoudzucht, machtsstreven, eigenbelang kunnen inderdaad onder fraaie leuzen, ook christelijke leuzen, een rol spelen. En wie doof is voor het hulpgeroep van de armen en verdrukten boet in aan geloofwaardigheid. Als behoudzucht en binnenvetterij ons drijven, is er inderdaad wat mis.
Christelijke organisaties staan inderdaad voor de vraag of ze op de bres staan voor de bijbelse gerechtigheid ook in het sociale leven. Een werkelijk luisteren naar O.T. en N.T. moet ons van de noodzakelijkheid daarvan doordringen.
Maar we maken twee kanttekeningen hierbij.
Bijbelse gerechtigheid is wat anders dan een door het marxisme geïnspireerde, op de ideologie van de klassestrijd berustende gerechtigheid. De bijbelse gerechtigheid kan niet voorbijzien aan de rechten van de Heere God op het totale leven. In de tweede plaats zouden we zeer voorzichtig willen zijn met de term 'emancipatie'. Klapwijk wijst er in de bundel Bewerken en Bewaren terecht op hoe gemakkeiijk in onze tijd dat begrip een humanistische vulling krijgt: een streven naar zelfverlossing middels revolutie of evolutie, een emancipatie van de Heere der Heeren en door Hem gestelde levensorde. Veel vrijheidsdenken in termen van emancipatie geeft ruimte aan de autonome mens, verwaarloost na te gaan waartoe we bevrijd worden. Een christelijke organisatie die opkomt voor het recht der verdrukten vanuit de eisen en de beloften van Gods Koninkrijk zal ook weten van matiging en barmhartigheid, van dienst en zelfverloochening. Dan worden het verticale en het horizontale niet tegen elkaar uitgespeeld. In dit verband zouden we toch willen noemen de arbeid van de Unie School en Evangelie die in verschillende publicaties recht wil doen aan deze tweezijdigheid: Liefde tot God en de naaste. Dat gaat dieper en reikt verder dan het modewoord 'emancipatie'. De dwang van het emancipatie-denken moet ons er niet toe verleiden te denken dat een christelijke inzet voor vrijheid en gerechtigheid ook middels christelijke organisatie overbodig is.
Gevulde algemeenheid?
Velen zien als bezwaar van afzonderlijke christelijke organisaties dat men zich terugtrekt in een isolement en zo geen bijdrage levert aan de samenlevingsopbouw. In dat verband pleit men voor een organisatie vormen op de noemer van 'gevulde algemeenheid' . Daarmee is beslist geen kleurloze neutraliteit bedoeld, - die wijst men juist af, - maar een gemeenschapsvorm waarin de verschillende 'zuilen' hun inbreng hebben om zo in samenwerking en dialoog een stuk praktisch werk te realiseren met respectering van de verschillende levensbeschouwingen. Schaalvergroting is vaak een praktische aanleiding tot fusering en vorming van dergelijke algemene verbanden. Er zit iets sympathieks in deze idee. Vooreerst voorkomt men op deze wijze verbrokkeling en versnippering. Door bundeling van krachten kan men effectiever en deskundiger werken. Voorts is er mogelijkheid om binnen zo' n verband elkaar te 'bevragen' op uitgangspunten en doelstelling. Bovendien kan men op deze wijze een stuk verzuiling tegengaan en proberen de band tussen een volksgeheel zo lang mogelijk aan te houden. Zijn er op het terrein van welzijn, gezondheidszorg, samenlevingsopbouw niet een aantal zaken waar christenen en nietchristenen samen voor staan en waar men vanuit algemeen zedelijk besef toch nagenoeg gelijkluidende ideeën over heeft?
Toch wegen de bezwaren m.i. sterker. Kan men het christelijk geloof als 'een vulling' naast anderen zetten? Het christelijk belijden wil immers het leven doordringen. In de praktijk blijkt de nagestreefde algemeenheid toch vaak neer te komen op een vage neutraliteit of binding aan humanistische socialistische of liberale idealen. Natuurlijk is het belangrijk dat christenen en niet-christenen met respect en aandacht voor elkaar zich opstellen, en dat dat wat gezamenlijk gedaan kan worden in nationaal of internationaal verband ook nagestreefd moet worden. Ik heb respect voor christenen die in algemene verbanden werkzaam zijn en daar hun christelijke opdracht gestalte willen geven.
Maar dat neemt de bezwaren tegen de idee van de 'gevulde algemeenheid' als idee nog niet weg. Wat incidenteel kan, is nog geen algemeen aanbevelenswaardige zaak. Klapwijk schrijft in zijn bijdrage in de bundel Christelijke organisaties in discussie: 'Het moeten echter sterke benen zijn die de weelde van de gevulde algemeenheid kunnen dragen' (blz. 60). Daar zit voor mijn gevoel het kritieke punt. Kan men in een tijd waarin het normbesef afslijt en de christelijke waarden en normen op de tocht staan, waarin het geloof in Christus en het Bijbels levensbesef voor steeds minder mensen relevant zijn, met goed vertrouwen op basis van gevulde algemeenheid samenwerken op terreinen waar levensbeschouwing en levensvisie zo belangrijk zijn. Welzijn en vorming zijn irnmers geen neutrale begrippen. Wie de verschuivingen op het terrein van het medisch-ethisch handelen gadeslaat moet zich toch goed bedenken als hij datgene wat ons op het terrein van ziekenzorg en ziekenverpleging aan christelijke instellingen gelaten is, ook opgeeft terwille van de algemeenheidsidee. Op onderwijsgebied blijkt de samenwerkingsschool toch in feite aan te sturen op neutraliteit, en blijkt de christelijke 'pool' zich zeer moeilijk te kunnen handhaven. Optimisme ten aanzien van de idee van de algemeenheid zou weleens een gevolg kunnen zijn van zelfoverschatting en onderschatting van de wereldsheid van de wereld? Daarmee pleit ik niet voor een christelijk ghetto. Maar daarover graag in een vierde artikel nog enkele opmerkingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's