Gebod en belofte (1)
Pastorale overwegingen
Voor mij ligt een vraag, die gaat over de verhouding van de gelovige tot de wet van God.
Voor mij ligt een vraag, die gaat over de verhouding van de gelovige tot de wet van God.
Eigenlijk met name die van de Nieuw-Testamentische gelovige. Is de wet alleen gebod en is het evangelie alleen belofte? Ik hoor nog wel eens zeggen: Jezus heeft de gehele wet vervuld, die in Hem gelooft, heeft daarmee afgedaan en kan vrij en blij in het geloof leven. En de voorgangers, die leren, dat er nog wat met de mens moet gebeuren zijn een plaag voor de gemeente en oorzaak van veel onnodige angst en twijfel bij kerkgangers, want alles is al gebeurd op Golgotha.
Ik denk, dat menige lezer(es) zichzelf en anderen deze vragen wel eens gesteld heeft, of wel deze herkent uit eigen omgeving. Hoe dan ook we proberen binnen het raam van deze rubriek pastoraal bezig te zijn
Wet en Evangelie
Om te beginnen dan de vraag over wet en evangelie. We moeten wel weten, waarover we spreken, als het woord 'wet' valt. Het onderscheid tussen de wet der zeden of Tien Geboden, de ceremoniële wetgeving en de burgerlijke wetgeving is meen ik zeker niet onterecht. Meestal zullen we bij het woord 'wet' denken aan de Tien Geboden als de uitdrukking van Gods wil en openbaring.
Maar ook geheel het Woord van God, gans de Schrift kan met het woord 'wet' worden aangeduid. Denk maar eens aan psalm 119. We mogen nooit vergeten, dat de Heere Zijn wetgeving heeft ingezet aan Israël op de Sinaï. De wetgeving had plaats binnen het raam van de verbondssluiting. Met name de Wet van de Tien Geboden mogen we noemen de Verbondswet. Wat een voorrecht en wat een eer is het als volk door de Heere te zijn uitgekozen om Zijn volk te zijn. Maar wat roept de verbondsluiting ook anderzijds op tot gehoorzaamheid en liefde.
Is de wet alleen maar gebod?
Er is bij de wetgeving op de Sinaï te bedenken, dat God Zijn wet allereerst toebetrouwde aan Israël. U kunt dat zien, wanneer u let op vorm waarin deze gegeven is. Ik bedoel dan niet de twee stenen tafelen, maar, veel meer naar de inhoud gerekend, de vorm van verboden waarin de meeste geboden zijn gegeven. Bijna altijd klinkt het: 'Gij zult niet...'. Het volk stond om zo te zeggen nog bijkans aan het begin van het bestaan. 't Was de kinderleeftijd van Israël. Later wordt het anders, denk maar eens aan de woorden uit Jeremia 31, als God Zijn wet in de harten schrijft. De Israëlitische vorm wordt ook wel duidelijk bijvoorbeeld uit de woorden van het vierde, vijfde en tiende gebod. Er is sprake van de sabbat en van de vreemdeling in Israels poorten. We horen van 'het land, dat gegeven zal worden'. In het laatste gebod verschijnen de os en de ezel, die in Israels samenleving een grote betekenis hadden. Maar afgezien daarvan is toch duidelijk, dat God Zijn wet niet zomaar terstond doet aanvangen met eisen, kort en krachtig geformuleerd. De wet begint met een proclamatie: 'Ik ben de Heere, uw God, ...'. God maakt bekend in de aanhef wie Hij is en wat Hij gedaan heeft. Niet het leven van het volk, maar het werk van God gaat voorop. God geeft Zijn wet binnen het raam van het verbond, dat Hij als de heilige en als de genadige God aangaat met een diep schuldig volk. De wet is niet die van een nieuw 'werkverbond', waarbij de mens vanuit zichzelf in staat is de wet te volbrengen. Hoe jammerlijk was het dat de Joodse leidslieden en Farizeeën steeds meer deze gedachte aanhingen en uitdroegen. Maar het is de wet van het genadeverbond. De Heere is een God, Die op de wijze van het verbond wil omgaan met mensen. Dat is Zijn wijze van handelen en Zijn manier van doen.
Wie zal dat durven te becritiseren? Wie zal daarover God ter verantwoording kunnen roepen? Maar we kunnen niet doen, alsof we nog als Adam en Eva leefden in het Paradijs, zodat we zelf de geboden kunnen volbrengen. Dat is ontkenning en loochening van de zondeval.
De Joden leefden daar veelszins over heen. Wij, ... van nature toch niet minder? Het eerste verbond ging te loor door de ongehoorzaamheid van de mens. Nu heeft de Heere een ander, een nieuw verbond opgericht. Een verbond der genade, dat ook in een Ander, in Zijn Zoon vastligt. De Israëlitische of zo u wilt Oud-Testamentische vorm en uitdrukking daarvan vindt u ook op Sinaï's gebergte. Maar let wel, vorm en inhoud zijn niet gelijk. We zijn enerzijds niet het oude Bondsvolk, anderzijds houdt de wet bij Israël of bij het einde van het Oude Testament niet op. Denk maar eens aan het woord van de Heiland, 'dat Hij niet gekomen is om de wet en de profeten te ontbinden, maar om die te vervullen', d.i.: tot volle onplooiing te doen komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's