De zin van het lijden
Nadat wij globaal de gegevens over het lijden in het Oude Testament geïnventariseerd hebben, wenden wij ons nu tot het Nieuwe Testament.
Het Nieuwe Testament
Nadat wij globaal de gegevens over het lijden in het Oude Testament geïnventariseerd hebben, wenden wij ons nu tot het Nieuwe Testament. In Jesaja 53 gaat het over het lijden van de Knecht des Heeren, Jezus Christus. En bij het lezen van de synoptische evangelieën valt het op hoezeer de inhoud daarvan wordt bepaald door het lijden van Christus. Van meet af werpt het, ook in het begin van de evangelieën, zijn schaduw vooruit. Het leven van de Zoon van God, die tegelijk de Zoon des mensen is, wordt totaal beheerst door het lijden, dat 'op Hem komen zou'. Niet dat het woord als zodanig veelvuldig gebruikt wordt. Johannes, die sterk accentueert dat heel Jezus' gang als het vlees geworden Woord, een lijdensgang is, gebruikt het woord zelf niet.
Goddelijk moeten
Vanuit de prediking is bovenstaande uitdrukking, zeker aan de ouderen, nog wel bekend.
Ze is in wezen ook rechtstreeks aan de Schrift ontleend. De gedachte van het 'Goddelijk moeten' is wezenlijk en fundamenteel ten aanzien van het lijden van Christus. Hij lijdt niet 'toevallig'. Het is geen (nood)lot, dat over Hem komt. Het moet! Teksten als Matth. 16 : 21, Lukas 17 : 12 en 15 en 24 : 26 en Handelingen 17:3 brengen dat overduidelijk onder woorden. Overigens is het geen gegeven uit het Nieuwe Testament alleen. Het lijden van Jezus is voorzegd in het Oude Testament. De brief aan de Hebreeën is in dit opzicht een ware 'Fundgrube'. Beelden en zaken uit de Oud-Testamentische offerdienst worden overgebracht op het lijden en sterven van Christus. Te denken valt bijv. aan het gebeuren met de zondebok en de gedachte van het lijden buiten de poort, de uitstoting uit de gemeenschap.
Op de achtergrond van deze gegevens stuiten wij op het fundamentele van het lijden van Jezus. Het is heilbrengend, verlossend, reddend. Omdat het verzoenend en plaatsvervangend van aard is. Hij volbrengt het lijden in de plaats en ten dienste van zondaren, die onmogelijk Zijn plaats kunnen innemen. Hun lijden kan niet verzoenen. Het kan God en mens niet met elkaar verenigen. Wanneer iemand zijn eigen zonde niet kan verzoenen, omdat hij 'maar' mens is tegenover de eeuwige God, hoe zou hij het ooit voor anderen kunnen bewerkstelligen? Wie kan op de spits gezet de prijs der ziel, het rantsoen aan God geven (Psalm 49)? Het lijden en de dood van Jezus opent de geblokkeerde weg naar God. Zo is Hij, geheiligd zijnde, allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden (Hebr. 5:9). Dat onderscheidt het lijden van Jezus van alle andere lijden en leed. Het is bovendien eenmalig en algenoegzaam, het heeft geen aanvulling nodig.
Gelijk als wij...
De brief aan de Hebreeën bevat op meerdere plaatsen de notie van de navolging van het lijden van Jezus als een voorbeeld door de gelovigen. Geloven in Jezus leidt niet tot een leven zonder lijden. Het is geen weg tot verbetering van maatschappelijke positie of tot een comfortabeler leven. Jezus heeft ons een 'voorbeeld' van lijden nagelaten ter navolging. Hij heeft geleden en is verzocht geworden gelijk als wij, echter zonder zonde (Hebr. 2 : 18 en 4 : 15). Juist omdat Hij zelf een onvergelijkelijke diepzee van lijden doorworsteld heeft, kan Hij de Zijnen verstaan en te hulp komen. Als de verhoogde en barmhartige Hogepriester aan Gods rechterhand heeft Hij 'medelijden' met onze zwakheden. Zelfheeft Hij van stap tot stap de lijdensweg léren gaan en de lijdensbeker léren drinken. Zo en daarom is Hij bij machte de Zijnen in hun lijden bij te staan en te helpen. Daarom is aan het lijden van Jezus nauw de gedachte van de navolging door de Zijnen verbonden. 'Want hiertoe zijt gij geroepen (verdragen van lijden) omdat ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen' (1 Petrus 1 : 21vv).
Twee hoofdmomenten
Het lijden van de christenen (dat betekent dus een duidelijke beperking) het 'scheppingslijden' blijft hier (nog) buiten beschouwing!) valt in het Nieuwe Testament vanuit de gedachte van de navolging van Christus in twee hoofddelen uiteen. Allereerst kunnen wij het bezien vanuit de invalshoek van de 'gemeenschap'. Jezus vormt één Lichaam met Zijn Gemeente. Het is Zijn kudde, Hem door de Vader gegeven. Zijn bruidsgemeente, die Hij Zich door lijden, dood en opstanding heen kocht en verwierf tot Zijn eigendom. Hij vormt met haar één levend organisme. Wat Hem overkwam, valt haar ten deel; wat haar geschiedt raakt Hem ten nauwste. Hij heeft haar de erfenis van lijden en verdrukking bij testament nagelaten. Met name de eerste brief van Petrus stelt dit thema aan de orde. Het lijden als christen betekent gemeenschap met het lijden van Christus (1 Petrus 4 : 13 en 16). Maar ook in andere brieven vinden wij deze notie vertolkt. Ik wijs op Romeinen 8 : 17: 'Met Hem lijden om ook met Hem verheerlijkt te worden en heel stringent komt de gemeenschap tussen Christus en de Zijnen in het lijden naar voren in 2 Korinthe 1 : 5: het lijden van Christus overvloedig in ons'. Trouwens, uit de context rond genoemde Schriftplaats blijkt dat de verticale gemeenschap in het lijden met Christus ook horizontale vrucht draagt. Er ontstaat verbondenheid over grenzen heen met broeders en zusters, die in hetzelfde lijden zich bevinden (vers 6).
Het samen tot een gemeente behoren, het deel uitmaken van Christus' Lichaam, komt niet tot uiting in een 'vermagerd' medelijden hebben met elkaar in oppervlakkige emotionele aandoeningen, maar vraagt veel méér. Het vereist een werkelijk met elkaar begaan zijn, dat ontspringt aan het voorbeeld van Christus' lijden. Hij gaf zich restloos, zonder enige beperking, lijdend en stervend, over ten dienste van Zijn Gemeente. Dat heeft 'ethisch-practische' consequenties. Wij kunnen onze leden, die lijden niet afschepen met een vroom gebaar of een lege leus, een stichtelijke opmerking. Het gevoelen van Christus moet in ons zijn (Pil. 2 : 5). De apostelen hebben dit zelf in praktijk gebracht. Meer dan eens komen wij de gedachte tegen dat het lijden in de ambtelijke dienst van de Evangelieverkondiging geen persoonlijke krachttoer is, waarop men zich laat voorstaan maar een met lijf en ziel dienstbaar zijn aan de voortgang van het Evangelie en aan het welzijn van de gemeenten.
Duidelijke beperking
Wij constateren intussen, dat met name de brieven in het Nieuwe Testament, in een duidelijk toegespitste betekenis spreken over het lijden. Niet alle lijden is lijden als en om wille van Christus. Op die notie gaan de brieven vrijwel uitsluitend in. In die zin vinden wij er geen behandeling en doorlichting van het lijden vanuit uiterst kritische invalshoeken, zoals dat gebeurt in het kader van de moderne theologie.
De zin van het lijden wordt strikt gekoppeld aan het gegeven van het lijden der gelovigen in verdrukking en vervolging. Wezenlijk voor echt lijden van de apostelen en de gemeenten is, dat zij om hun ambt of roeping als christenen lijden. Men mag niet lijden als een kwaaddoener (1 Petr. 4 : 15). Lijden naar Gods wil (! - hier valt een gewraakte uitdrukking) - is lijden 'in de Naam van Jezus' (Hand. 9 : 16, Fil. 1 : 29) of lijden 'voor het Evangelie') (2 Tim. 1 : 8) dan wel lijden 'om wille van de gerechtigheid' (1 Petr. 3 : 14) en dan ook - en daarmee meldt zich een tweede hoofdbestanddeel - lijden 'voor het Koninkrijk Gods' (2 Thess. 1 : 5).
Lijden en toekomst
Op verscheidene plaatsen in het Nieuwe Testamtent verschijnt het lijden van de gelovigen in het licht van de hoop op het komende Godsrijk. Daarin wordt in een zekere zin het 'doel' van het lijden toegelicht. Het Griekse woord voor doel (telos) bevat tegelijk ook de notie van 'einde', 'doelwit'. Zo was het ook voor Christus. Het einde, het doel van Zijn lijden lag niet in het lijden op zich maar in het open en toegankelijk maken van Gods eeuwig en heerlijk Koninkrijk voor allen, die in Hem geloven. Iets daarvan licht op in de redding van de moordenaar aan het kruis. Hebreeën 2 : 10 geeft dat ook weer. God leidt vele kinderen tot de heerlijkheid. Daarom 'betaamde' het Hem de overste Leidsman (Jezus) van hun zaligheid door lijden te heiligen. En bij dat laatste woord gebruikt het Grieks weer een werkwoord, waarin het begrip telos (einde, doel) aangeduid wordt.
Welnu, voor de gelovige is het zo dat tegenover de hoop op de eeuwige heerlijkheid het lijden van deze tegenwoordige tijd (1 Petr. 5 : 10, Rom. 8 : 18) tot zijn werkelijke proporties wordt teruggebracht. De apostelen spreken over 'een weinig tijds' lijden en over een lijden, dat niet opweegt tegenover de toekomstige heerlijkheid, die geopenbaard zal worden. We treffen zelfs de visie aan dat het lijden een teken van, begenadiging is. God keurt de Zijnen het lijden waardig. Dat zijn gedachten, die intussen finaal haaks staan op velerlei moderne theologische opvattingen. Dat geldt evenzeer voor uitspraken die wijzen op een nauwe samenhang tussen lijden en dulden, verdragen en volharden. Paulus beziet zijn leven, opgewekt met Christus, vanuit dat gezichtspunt zelfs als een doorlopende gemeenschap met Christus' lijden, die mede moet werken aan de volmaking in het eeuwige leven. En van daaruit tekent Paulus ook de lijn naar het lijden van en in de schepping. Dat gaat vooraf aan de eschatologische heerlijkheid, die komt. In dat lijden openbaren zich de weeën, die de wedergeboorte van alle dingen inluiden met op de achtergrond en als uiteindelijke doel het 'voor de dag' komen van Gods kinderen. Opdat na alle verschrikkingen en beproevingen de apotheose, het slotakkoord tot klinken komt: God zal zijn alles en in allen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's