De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

‘En toch niet verteerd’

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

‘En toch niet verteerd’

De Christelijke Gereformeerde Kerken sinds 1892

14 minuten leestijd

De Christelijke Gereformeerde Kerken dateren, als gezegd, uit 1892. Maar liever nog beschouwt men zich als de voortzetting van de Afscheiding van 1834.

Toen enkele jaren geleden (in 1978) het boek 'Delen of Helen? ' verschenen was, waarin de geschiedenis van de Gereformeerde Bond vanaf 1906 tot 1951 is beschreven, typeerde prof. dr. W. van 't Spijker dit in twee uitvoerige besprekingen als 'royaal', in die zin dat openhartig het wel en wee van het hervormd kerkelijk leven in en met de Gereformeerde Bond beschreven was.

Thans is eenzelfde boek verschenen over de Christelijke Gereformeerde Kerken vanaf het ontstaan in 1892 tot heden. Het boek, geschreven door ds. M. Drayer, prof. dr. W. van 't Spijker en ds. J. H. Velema, kwam juist voor de schooldag van de Theologische Hogeschool dit jaar gereed. Het negentigjarig bestaan van deze kerken kreeg daar sobere aandacht. Het nu verschenen boek, waarvan het schrijven werd ingegeven door de verschijning van het boek over de Gereformeerde Bond, zoals het voorwoord aangeeft, is als een markering van het negentigjarig bestaan aan te merken.

Het is bepaald geen plichtpleging als ik zeg dat ook dit boek, hoewel anders van opzet dan het eerstgenoemde, royaal geschreven is. De glimlach over de geschiedenis van negentig jaren ontbreekt niet. Eerlijk en openhartig, met liefde voor deze kerk der Afscheiding overigens, is het geschreven.

Ik kan dit het best illustreren door over te nemen wat op p. 33 van dit boek staat.

'De vijfentachtig jaar dat de classes vergaderden, de ruim zestig jaar dat de particuliere synoden vergaderden, zouden evenzovele jaren moeten zijn in het licht van Christus' kerkvergaderend werk waarin juist deze vergaderingen als hoogtepunten beleefd werden. Helaas, vaak ploegden zij moeizaam door hun agendum. Het model van alle kerkewerk dat boven op de berg getoond is (Ex. 25 : 40, Hebr. 8:5), moet nóg in de woestijn gerealiseerd worden! Dat er dan voor de ''tabernakel" kleden geweven, planken gezaagd, strikjes en lisjes gemaakt moeten worden, heel zakelijk en nuchter, brengt de moeizaamheid niet aan. Het verdrietige is dat zo vaak het model van boven hier beneden door de bouwers van de - ten diepste gaat het toch daarom - "heilige dingen" uit het oog wordt verloren. Dan komt er zoveel "vlees en wereld" bij! Wie de oude papieren doorneemt die de neerslag vormen van al die vergaderingen in notulen, acta, correspondentie, voelt de afstand als een temperende mildheid erover trekken.

Maar voor de direct betrokkenen moet het soms diep in het hart gesneden hebben wat er passeerde.

Als je er midden in zit, krijg je geen kans voor mild makende afstand. Om dan tóch te blijven geloven dat de "poorten der hel" Christus' gemeente niet zullen overweldigen? Lettend op wat wij mensen ervan maken, een onmogelijke zaak. Maar 't is 's Heeren belofte! En ondanks alles, het meest nog ondanks zichzelf, wisten zij zich geroepen tot "middel", tot ambt en tot dienst en hebben zij vergaderd van classis tot classis, van synode tot synode vaak moeizaam, soms verdrietig, maar diep in het hart met het geloof in die belofte!'

Voortzetting Afscheiding

De Christelijke Gereformeerde Kerken dateren, als gezegd, uit 1892. Maar liever nog beschouwt men zich als de voortzetting van de Afscheiding van 1834. In juni 1892 vergaderde de uit de Afscheiding stammende Christelijke Gereformeerde Kerk over de vraag of men tot vereniging met de kerken van de Doleantie, ontstaan in 1886, moest komen. In het Wekkertje, 'christelijk weekblad voor Nederland', onder redactie van ds. J. Wisse ('s-Gravenhage) waren tegen deze vereniging ernstige bezwaren ingebracht. Stevig werd gepleit voor het behoud van het beginsel van de Afscheiding. Maar toen de vereniging toch een feit werd, bleven ds. Wisse en ds. F. P. L. C. van Lingen in het Wekkertje lastige vragen stellen: 'Een combinatie van verschillende beginselen maakt nog geen vereniging van kerken'.

Eén van de bezwaren van de vereniging was, dat de beginselen van Afscheiding en Doleantie met elkaar in strijd waren. Een overwegend bezwaar was echter 'voor gereformeerd te erkennen, wat door voorgangeren der dolerende kerken in den laatsten tijd in het publiek is uitgesproken en geleerd omtijent de Wedergeboorte en den Heiligen Doop'.

De bezwaren kregen op de christelijke gereformeerde synode geen erkenning. Het gevolg was dat sommigen van de bezwaarden 'zullen blijven wat zij waren: Christelijk Gereformeerd'. Op 20 juli 1892 deelde ds. Wisse aan zijn gemeente mee, dat het hem onmogelijk was om te berusten in wat de synode besloten had. Hij zegde de gemeenschap met de gecombineerde kerken op, maar hij wilde geen procedure om de kerkelijke goederen. Hij stond zonder gebouw, zonder kerkeraad.

Maar hij was niet zonder gemeente, want ruim 800 personen waren aanwezig in een dienst op 24 juli 1892. En op een oproep om op een vergadering in Utrecht te komen op 20 juli van dat jaar werd uit het hele land gereageerd.

Zo werden de huidige Christelijke Gereformeerde Kerken een feit. De schrijvers van dit boek zeggen dat Wisse en Van Lingen zich niet vergist hadden toen zij als hun mening te kennen gaven dat er in het land 'geen tientallen maar duizendtallen van achtenswaardige broederen', in de grond der zaak dezelfde overtuiging hadden.

Reeds op de synode van juli 1893 wordt de kern van het geding met de verenigde kerken onder woorden gebracht: 'de steeds meer doordringende leer omtrent de veronderstelde wedergeboorte bij den Doop' is 'geen leer der Gereformeerde Kerk'.

Glimlach

Zoals gezegd, in dit boek wordt soms ook met een glimlach omgezien. Een paar aardige voorbeelden daarvan.

'Waar een synode al niet mee te maken krijgt! Haar oordeel wordt gevraagd "over de wijze, waarop de leeraars de reiskosten moeten berekenen, wanneer zij op een zelfde reis meer dan ééne gemeente dienen". Ook een ethische kwestie. De synode spreekt uit dat zij "in dezen geene bepaling kan maken'', maar heeft wel zoveel vertrouwen om te menen dat de predikanten "eene evenredige verdeeling van kosten niet uit het oog zullen verliezen".'

Als de voorzitter van de synode van 1899 zich tot 'tolk der vergadering maakt' om 'den permanenten scriba bijzonderen dank te betuigen', noteert dezelfde scriba voor de notulen van de volgende vergadering dat de voorzitter de scriba hulde brengt 'voor zijn velen en hooggewaardeerden arbeid... met zijne uitnemende gaven'. Hij was toch niet zo dicht bij de toenmalige vertaling van Filip. 4 : 5, zeggen de schrijvers.

Mogen verkopers of verkoopsters van sterke drank lid van de Chr. Gereformeerde Kerken zijn, luidt een vraag op de synode van 1901. In een bepaald geval had een kerkeraad schadevergoeding aangeboden als de verkoop werd gestaakt. De synode besluit: 'vergunninghouders mogen geen lid van de kerk zijn, al moet de synode van 1925 nog wel uitspreken of er geen bizondere gevallen zijn, die ter beoordeling van de kerkeraad moeten worden gelaten.

Het had evenwel heel wat voeten in aarde gehad. Er werd b.v. geconstateerd dat er wel herbergen moeten zijn, 'maar een kind des Heeren kan dat bedrijf niet uitoefenen'. Een synodelid wilde verder onderscheid maken tussen 'kroeghouders en slijters', tussen 'verkoopers bij 't glaasje en per maat'.

De synode van 1911 sprak verder de 'wenselijkheid' uit 'dat geen kerklid zou meewerken aan een levensverzekering'.

Uitvoerige verhandelingen vinden plaats op synodes over de zondagsheiliging. Nietnoodzakelijke zondagsarbeid is werk bij de PTT, de publieke vervoermiddelen en de binnenloodsen. Maar wat te doen met iemand, die de ene week binnenloods en de andere week buitenloods is? De ene week wél en de andere week geen lid? Men kwam - zo zeggen de schrijvers - de jaren door niet zoveel verder met 'het definiëren van beroepen, die tot uitsluiting van de christelijke gemeente moesten leiden'.

Het eigene

De Christelijke Gereformeerde Kerken hebben de jaren door een eigen spoor getrokken tussen dolerenden en ledeboerianen/kruisgezinden, dus tussen de Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Gemeenten. Wat de Gereformeerde Kerken betreft: de leer van de veronderstelde wedergeboorte werd afgewezen. Ten aanzien van de roeping tot het ambt van dienaar des Woords onderscheidden de Chr. Geref. Kerken zich van meet af van de Gereformeerde Gemeenten. Ds. Van Lingen schreef er als volgt over in Het Wekkertje van 17 febr. 1893:

'Roeping en bekeering zijn wel te onderscheiden, en daarom is zeker de eisch af te wijzen van hen, die buitengesloten willen zien van voorbereidende en academische studiën allen, die niet eene bekeerings-geschiedenis kunnen verhalen en van de oprechtheid daarvan blijken geven. Toch behoort er zekerheid van goddelijke roeping te zijn... De roeping is soms duidelijk, soms moeilijk te onderkennen.

Paulus wist het óók voor zijne bekeering niet, dat hij een uitverkoren vat was; zoo is menig geroepene langen tijd voor zichzelven daarvan niet duidelijk bewust. Er kunnen aanwijzingen zijn door bijzondere leidingen Gods, waarop ouders hunne kinderen die weg van studie durven laten opgaan, waarvan wij sprekende bewijzen zouden kunnen, geven.

Onderzoek blijft noodzakelijk of niet hoogmoed een rol speelt. Het menselijk hart is zeer arglistig! Naast de roeping is nodig kennis van de waarheid en een leven in overeenstemming met de leer. Gezien het feit dat de Schrift is gegeven in andere talen is een wetenschappelijke opleiding nodig. Het Hebreeuws is nodig om het Oude Testament te lezen, het Grieks onmisbaar voor het Nieuwe Testament. En het Latijn heeft men nodig om Calvijn te kunnen lezen. Een dienaar des Woords moet in staat zijn om een dwaling, die achter een verkeerde uitleg van het Grieks schuilt te kunnen weerleggen. Dat mag van een oefenaar niet gevraagd worden.

Gezien deze eisen mag men niet naar de kortste en de gemakkelijkste weg vragen.

"Treurig is het zeker als men vraagt: met hoe weinig kan ik toe, in plaats van hoe zal ik 't best en 't meest mijn kennis uitbreiden om veel te kunnen arbeiden in Gods wijngaard..." Dat de kerken toch geduld hebben... laat ons biddende de zegen verwachten en niet haasten.'

Wat de theologische opleiding betreft, voor prof. dr. J. van der Schuit was van grote betekenis 'de mystieke eenheid tussep Christus en Zijn ? . Deze is voorwaarde én voor de rechte mystiek en voor het rechte vragen naar het dogma. In deze thematiek ligt iets eigens van de Apeldoornse opleiding, zeggen de schrijvers.

Wat het verbond betreft staan de Christelijke Gereformeerden bekend om de leer van de 'drie verbonden'. Het genadeverbond en het verbond der verlossing zijn niet twee maar één, leren zij. Het genadeverbond is eeuwig.

Maar de kring der bondgenoten is breed. De gelovigen én hun zaad, ook hun natuurlijk zaad horen ertoe. Niet alleen de uitverkorenen, ook de niet-uitverkorenen. Als er geen verbond der verlossing was geweest, zou er van een genadeverbond geen sprake kunnen zijn.

Expliciet wordt in dit boek opgemerkt, dat hierin de leer aangaande het verbond binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken onderscheiden is van die in de Gereformeerde Gemeenten! 'De Gereformeerde Gemeenten wilden niet weten van een genadeverbond opgericht met de gelovigen en hun zaad, maar verdedigden steeds duidelijker het na-refor­matorische standpunt: alleen de uitverkorenen zijn bondelingen. In 1931 werd dit door de Gereformeerde Gemeenten in synodale uitspraken vastgelegd.'

Overigens wordt in dit boek met dankbaarheid opgemerkt 'dat in de praktijk van de Geref. Gemeenten een zekere ontwikkeling is op te merken, die positiever staat tegenover verbond, doop en belofte dan in het verleden het geval was'.

Kerkelijk besef

Bij het eeuwfeest van de Afscheiding heeft iemand geschreven dat de separatie van 1834 het separatisme heeft ingedamd. Dat geldt zeker voor de Chr. Gereformeerde Kerken, die een geordende kerkgemeenschap vormen.

Bij alle waardering voor de Nadere Reformatie kwam het in de twintiger jaren tot een directe toewending tot de Reformatie. Dat betekende ook, dat bevinding, geestelijke ervaring gezien wordt als geloofservaring en niet als geloof dat op bevinding rust. En tenslotte, wat het gemeente-zijn betreft, het gaat niet om een conventikel maar om de kerk. Het is duidelijk dat 'individualisme en relativisme' van meet af in het kerkelijk leven van de afgescheidenen een plaats heeft gehad. De theologische arbeid aan de Theologische Hogeschool in Apeldoorn heeft er echter ongetwijfeld zeer toe bijgedragen, dat de Christelijke Gereformeerden, in navolging van de Reformatie, sterke nadruk hebben gelegd op ordelijk gemeentelijk leven en geloofsleven dat onderworpen was aan Schrift en confessie.

Reeds in 1895 waarschuwde ds. Van Lingen ernstig tegen b.v. het optreden van 'onbevoegde personen'. Hij betoogt 'dat reeds eeuwen lang de schadelijke invloeden (daarvan) werden opgemerkt, terwijl men tot op den huldigen dag nog niet wijzer schijnt te zijn geworden.'

In de Christelijke Gereformeerde Kerken is inderdaad, ik zou willen zeggen ondanks de separatie, het separatisme ingedamd. Maar het is misschien wel zo dat er in dit opzicht weleens grensverkeer was met de kerk der vaderen waar nu eenmaal door de jaren heen veel meer kansen waren om individualistische wegen te gaan, zonder dat er van kerkelijk besef sprake is. Een praktijk die we tot vandaag in de Nederlandse Hervormde Kerk, bij gebrek aan kerkelijk besef, helaas nog tegenkomen, tot schade van de gemeente, die men dan meer als groep, als conventikel dan als werkelijke gemeente ziet.

Waardering

We hebben veel waardering voor wat ons in dit boek van onze christelijke gereformeerde broeders geboden wordt. Zij spreken uit met de Gereformeerde Bond in de Ned. Herv. Kerk de meeste geestelijke affiniteit te hebben, al herinneren ook zij - evenals de vrijgemaakten - ons eraan, dat de sleutel van het kerkelijk vraagstuk in handen van de Gereformeerde Bond ligt, als die ook 'uit waarlijk confessionele motieven' zou doen wat de belijdenis op grond van de Schrift van haar vraagt: separeren! Wij kunnen die weg niet gaan. Daarover nu geen discussie. Wel noemen ook wij met respect de theologische arbeid aan de Apeldoornse Hogeschool, waarmee we ons vaak verwant voelen.

Het vuur blijft branden, zo luidde de titel van een gelijksoortig boek uit de kring van de Vrijgemaakten. De titel van dit boek luidt: 'En toch niet verteerd', wat ook duidt op vuur. Het vuur is er altijd eerder dan de brandspuit, zo hoorde ik laatst een predikant zijn preek be­ginnen. Zo is het tot vandaag. Gelukkig is het vuur blijven branden, in de gescheiden kerken, in de kerken ontstaan uit de kruisgezinde gemeenten en in de vaderlandse kerk. En dat ondanks alle pogingen tot blussen, met name vanwege de strijd om zaken die ons verdelen.

Laten we echter zoeken naar wat ons samenbindt, in liefde, zonder de verschillen uit de weg te gaan, maar in het besef dat al ons kennen ten dele is.

Vereenzijdigingen

Ik heb willen volstaan met door te geven wat dit boek biedt zonder op punten als verbond e.d. nader in te gaan. Nog enkele opmerkingen echter.

Ook de Christelijke Gereformeerde Kerken hebben door de jaren heen hun vereenzijdigingen gehad. Het feit dat men los bleef staan van de verenigde kerk van 1892 betekende niet dat er in de Christelijke Gereformeerde Kerken geen openingen bleven naar de Gereformeerde Kerken toe, juist ook als het de theologische ontwikkelingen daar betreft. Me dunkt dat dat een zorg mag zijn, zoals het voor ons als hervormd-gereformeerden altijd weer een zorg moet zijn, dat we niet meegenomen worden met wat zich uit de breedte van onze eigen kerk theologisch aandient.

Er is in de ontwikkelingen ten aanzien van de geloofsvragen in een bepaalde flank van de Chr. Geref. Kerken, dunkt me, een zekere parallellie te ontdekken met wat zich in de Gereformeerde Kerken voltrokken heeft, anderzijds is er de ook onder ons niet onbekende vereenzijdiging dat men 'gekant is tegen de wetenschap en vergeet dat de Heere zich een God der wetenschappen noemt en de Schrift niet slechts als eisch stelt een stichtelijk woord te kunnen spreken, maar ook zich te kunnen stellen tegen valschelijk genaamde wetenschap, en bekwaamheid om anderen te kunnen leren' (ds. Van Lingen). Met stichtelijke redenen zijn soms doperse wateren bevaren, waardoor het wezenlijke van de Reformatie ook moeilijk herkenbaar werd.

Het gaat om de koninklijke weg, de weg van het Woord, in het spoor van de vaderen. Tot die vaderen behoren zowel de Reformatoren als de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie, die echt in hun traditie stonden. We mogen elkaar, of we nu Christelijk Gereformeerd zijn of Hervormd, Vrijgemaakt Gereformeerd of behorend tot de Gereformeerde Gemeenten, opscherpen om in die weg te blijven. Daarbij kunnen we elkaar niet missen.

Vinden wij elkaar niet in het beginsel van de afscheiding dan wel in dat van de reformatie, waar onze gemeenschappelijke bakermat ligt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

‘En toch niet verteerd’

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's