De christelijke organisatie in de tachtiger jaren (4)
Wij menen dat de christelijke organisatie wel degelijk een taak heeft in de samenleving.
Wij gingen in de voorgaande artikelen na hoe hoe er vele kritische vragen gesteld worden aan het adres van de christelijke vereniging, zowel ten aanzien van haar bestaansrecht, als ten aanzien van de uitwerking van het beginsel. Christelijke organisatie: verouderd of actueel? Zo formuleert Ype Schaaf het dilemma.
Hebben we behoefte aan zo strak georganiseerde groepen in een samenleving die hoe langer meer toegroeit naar een wereldverband? Leidt dat niet tot afzondering en ghettodenken waardoor christenen geen recht meer kunnen doen aan de bijbelse opdracht zout in de samenleving te zijn. Zout moet toch niet samengeklonterd blijven in het zoutvat, maar dient uitgestrooid te worden in het voedsel, wil het zijn functie vervullen, zegt men vaak. Wij menen dat de christelijke organisatie wel degelijk een taak heeft in de samenleving. Mits ze niet triomfalistisch zich opstelt - daar is gezien het verleden geen enkele reden voor - , maar voortgaat in bescheidenheid, duidelijkheid en oprechtheid.
Duidelijkheid en overtuiging
Een eerste voorwaarde is dat christenen die in organisatieverband zich verenigen ernst maken met de C, d.w.z. een duidelijke, uit de Schrift geputte visie hebben en met overtuiging durven spreken en handelen. We moeten, zo schrijft Ype Schaaf terecht, tegenstellingen niet verbloemen door vaagheden. De huidige voorzitter van de Unie moet onlangs gezegd hebben: De medezeggenschapsregeling in het onderwijs is geen bedreiging voor een christelijke school die werkelijk Christus begeert te belijden en werkelijk Christelijk is.
Dat is m.i. een aangelegen zaak. Maar al te dikwijls blijven we in het formele steken, en menen dat met een keurig geformuleerde grondslag plus een handtekening van betrokkenen de zaak gered is. Maar dan vervallen wij aan veruitwendiging. Waar onze samenleving dringend behoefte aan heeft is aan mensen met een positieve, uit de Schrift geputte overtuiging. Daarover zal binnen de organisatie het gesprek moeten gaan. Dat zal b.v. een toelatingsbeleid moeten bepalen, niet of men formeel instemt met de grondslag maar of men positief begeert te leven vanuit het hart van het christelijk geloof in verbondenheid en meeleven met Christus' gemeente. Hoe vaak heb ik in de afgelopen jaren niet de kreet gehoord: 'Ik werk wel bij een prot. chr. instelling, maar je merkte nauwelijks dat dat iets voorstelde; velen hadden er geen binding mee'. Dan ondergraven wij ons eigen beginsel en is het geen wonder dat anderen over een dergelijk uitgeholde instelling of vereniging de schouders ophalen. Hoe zal men de C vulling kunnen geven als zij die er bij betrokken zijn nauwelijks weten of waar kunnen maken wat die C inhoudt, omdat men ervan vervreemd is. Van hen die participeren in en betrokken zijn bij een christelijke organisatie, of dat nu leden, bestuurders, of werknemers betreft, zal inzet en congenialiteit met grondslag en doelstelling gevraagd mogen worden.
Ik weet wel dat hier vele problemen liggen.
Ook de christelijke organisaties delen in de gevolgen van de secularisatie. Men zal geduld moeten hebben en in wijsheid moeten handelen met hen, die ook bij een positieve instel ling toch hun problemen hebben bij het gestalte geven aan deindentiteit in de ingewikkeldheid van de problemen van onze tijd. Ik pleit allerminst voor ketterjacht, partijdiscipline of zuiveringsakties. Ik weet ook dat praktische moeilijkheden met zich meebrengen dat men niet altijd zijn wensen optimaal kan realiseren, waar het betreft toelating. Maar dat alles ontslaat ons niet van de zorg om ernst te maken met wat men voorstaat. Een organisatie die van binnenuit uitgehold is kan moeilijk een krachtig geluid laten horen. En ook al bljft ons werk stukwerk, vallen en opstaan, toch is beslissend of de liefde van Christus ons werkelijk drijft. Hebben we in het verleden ook wel eens niet geslapen en ons weinig gelegen laten liggen aan het reilen en zeilen van de vereniging of de organisatie? Het is toch tekenend dat b. v. de belangstelling van leden van een schoolvereniging op ledenvergaderingen zo minimaal is. Juist nu de overheid eisen gaat stellen op het punt van inspraak en democratisering is het van het grootste belang dat allen die betrokken zijn bij vereniging, school of organisatie vanuit een duidelijke overtuiging handelen. Juist wie eigen overtuiging doordacht heeft en daarvoor wenst te staan kan zout in de samenleving zijn.
Wat bindt ons?
Daarbij doet zich nog een complicerende factor voor. In het verleden was er inzake het uitgangspunt, met name ten aanzien van het gezag van de Schrift een vrij grote mate van eenstemmigheid binnen het protestants christelijk volksdeel van orthodoxe origine.
Maar de invloed van de nieuwe theologie, het nieuwe modernisme, de nieuwe kijk op het Oude Boek ten aanzien van de geldigheid van allerlei uitspraken is van dien aard dat soms in het verstaan en toepassen van de Schrift de wegen uiteen gaan. En niet alleen raakt dat het verstaan van de Schrift, maar ook de vragen rondom het heil en de aard van het Koninkrijk.
Het voert te ver dat hier breed uiteen te zetten.
Maar wie enigermate thuis is op dit terrein zal allerlei zaken herkennen. Onze omgang met de Schrift bepaalt vaak ons spreken en handelen. Zie ik het Rijk Gods als een door mensen te realiseren broederschap of als door God zelf tot stand gebracht Vrederijk? Dat zijn twee heel verschillende uitgangspunten die doorwerken in allerlei stellingsnamen. Binnen welzijnsorganisaties of onderwijsinstituten leidt dat soms tot tegenstellingen die diep ingrijpen. Spreken we nog dezelfde taal? Met name de ontwikkelingen binnen Geref. Kerken - van ouds toch een krachtig element in allerlei organisaties - hebben hun weerslag op alerlei verbanden en de mate van samenwerking.
Ik zie weinig heil in allerlei versplinteringen.
Laten wij binnen de chr. organisatie zo lang mogelijk vasthouden! Trouw aan de overtuiging en ootmoed ten opzichte van de ander, liefde voor de waarheid en liefde voor de broeder dienen hand in hand te gaan. We zullen niet te snel de ander moeten betichten van een 'ander Evangelie' als hij alleen maar hetzelfde Evangelie enigermate anders beleeft.
Loslaten zal het laatste moeten zijn. Maar dan dient er wel gesproken te worden rondom de open Bijbel. Ik pleit voor bezinning op uit gangspunten en doelstellingen van allen die bij een organisatie betrokken zijn. Wat weten we vaak weinig van elkaar? We kennen elkaar soms nauwelijks. En we leven vaak allerlei stereotypen. Daarom is voortdurend beraad en studie nodig. Tijd die daarvoor uitgetrokken wordt zal zijn winst vanzelf opleveren.
Dienstbaarheid
De christelijke organisatie zal het verwijt van isolement alleen maar kunnen ontgaan als ze er wil zijn ten dienste van de ander, ten dienste van ons volk en de kinderen van ons volk. De pioniers hebben dat altijd goed begrepen. Vandaar dat men b.v. de christelijke school ook een wervende taak toebedeelde. Ype Schaaf wijst erop dat kerken en chr. organisaties in de krisis die we beleven, nu de tijd van grote welvaart voorbij is een geweldige kans krijgen om het begrip 'dienst' opnieuw inhoud te geven en met woord en daad vanuit de liefde van Christus te laten zien wat zorg om de ander, barmhartigheid en gerechtigheid betekenen. Juist het Evangelie wijst hier een duidelijke weg. Maar om werkelijk wervend en winnend bezig te zijn zullen we zelf door dit getuigenis van God gegrepen moeten zijn. Een uitgehold instituut kan zijn evangelisatorische en dienende taak moeilijk vulling geven. Dat noopt tot bescheidenheid en inzet.
Juist als we er willen zijn ten dienste van geheel het volk en open willen staan voor anderen is des te meer nodig dat wij ons bewust zijn van wat ons dringt. Dat zal b.v. in onderwijs en welzijnswerk vragen een duidelijk zicht op de taak van de christen-onderwijzer en de christen-hulpverlener, een ootmoedig willen luisteren naar de Schrift om van daaruit gezamenlijk de taak aan te vatten. Zo zullen we ook in een veelkleurige samenleving een bijdrage kunnen leveren. Juist die veelkleurigheid van de Nederlandse samenleving vraagt om christelijke instellingen die willen zijn zoals zij heten en zich het belijden van Christus niet schamen.
De christelijke gemeente
Daarom is ook belangrijk dat de christelijke gemeente zich betrokken weet bij de organisaties. We moeten niet alles verkerkelijken.
Hoe we ook denken mogen over Kuyper's onderscheiding ten aanzien van de kerk als instituut en de taak van de kerkleden, een sterk punt is inderdaad de verantwoordelijkheid van de gemeenteleden. Maar, die zullen wel toegerust moeten worden. Daarom ligt er voorde prediking, het toerustingswerk, het diakonaal huisbezoek om maar een paar dingen te noemen een belangrijke taak. Laten de ambtsdragers van de gemeente niet bevoogdend bezig zijn ten aanzien van organisaties, maar wel betrokken blijven bij het wel en wee ervan.
Opdat de leden van de gemeente zoveel mogelijk op hun verantwoordelijkheid gewezen wordt. Laat de Kerk als ze meent te moeten spreken in de samenleving dit echt vanuit het Woord doen. Diakenen zullen daar waar ze b.v. in het welzijnswerk nog inbreng hebben, er veel voor over moeten hebben om die inbreng gestalte te geven. Laten we ook in de voorbede allen die aan het front van de samenleving staan in hun organisaties niet vergeten. Het is niet eenvoudig om in de politiek, in vakorganisaties, in welzijnswerk als christen bezig te zijn in een klimaat waarin men de hete adem van de secularisatie voortdurend bespeurt. Van de kerk mag pastoraal meeleven verwacht worden. Van de gemeenteleden betrokkenheid waar die gevraagd wordt.
Christelijk leven
Wij leven nog in de bevoorrechte situatie dat een christelijk organisatiepatroon nog mogelijk is, ondanks alle' vragen en zorgen. Hoe lang nog? Wij kunnen niet in de toekomst.
Ons staat een ding te doen: Voortgaan in bescheidenheid, in afhankelijkheid van de Heere, onze God, Die de toekomst overziet en Zijn plan volvoert.
Maar we weten één ding: Ook als een christelijk organisatiepatroon niet meer mogelijk is ten gevolge van voortschrijdende ontkerstening en een nieuw heidendom zich opdringt, of een totalitair regiem ons dat zou beletten, dan nog blijft het mogelijk als christen te leven. We zien dat de gehele geschiedenis door. Ook vandaag in allerlei delen van de wereld.
Misschien moeten we in Nederland wel opnieuw leren wat het betekent offers te brengen voor onze overtuiging. Maar laten we dat niet doen uit wanhoop of pessimisme. Juist christenen mogen mensen van de hoop zijn. Hoop, omdat Christus gisteren en heden, ja tot in eeuwigheid dezelfde is. Hij wil zijn volk bewaren, hoe de uiterlijke omstandigheden ook zijn. Hij heerst temidden van zijn vijanden.Dit theocratische belijdenis geeft waarlijk perspectief aan de christelijke organisatie in de tachtiger jaren. Wij geloven niet in, of zweren bij christelijke instituten. Wij mogen zolang het mogelijk is bezig blijven in de opdracht van het geloof dat Christus leeft en regeert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's