Het omstreden Openbaring 20 (2)
Terugkomend op de belofte nu een uitleg te vermelden die - althans mijns inziens - recht doet aan de eigenlijke prediking van het omstreden bijbelhoofdstuk Openbaring 20...
Terugkomend op de belofte nu een uitleg te vermelden die - althans mijns inziens - recht doet aan de eigenlijke prediking van het omstreden bijbelhoofdstuk Openbaring 20, wil ik nog eens wijzen op het boek van drs. J. J. de Heer, De overwinning van het Lam (Amsterdam/Alphen aan den Rijn 1981). In deze boeiende en verhelderende kommentaar op het laatste bijbelboek, wordt uiteraard ook aan het twintigste hoofstuk aandacht besteed en zelfs een aparte uiteenzetting gewijd aan 'het vraagstuk van het duizendjarig rijk'. De Heer neemt daarbij afstand van zowel de gedachtengang in de lijn van Irenaeüs (het duizendjarig rijk als tijdperk van zegen dat nog in de toekomst ligt en werkelijkheid zal worden vóór de dag des oordeels komt), als van de opvatting van Augustinus (dat namelijk het duizendjarig rijk er nu reeds is, en begonnen is met de opstanding en de hemelvaart van Christus). Welke keuze blijft er dan nog over, als men ook de wat bijgestelde augustiniaanse opvatting (het millennium begint ten tijde van keizer Constantijn de Grote) niet kan aanvaarden? De Heer neigt tot de gedachte 'dat er in de geschiedenis telkens openbaringen van het "duizendjarig rijk" zijn, ofwel gedeelten van het "duizendjarig rijk". Elke periode in de geschiedenis, waarin in een of ander land het christelijk geloof zich ongehinderd kan ontwikkelen en verspreiden, is een wonder van God en een stuk van het "duizendjarig rijk".
En het is helemaal niet onmogelijk dat er vóór het einde van de wereldgeschiedenis nog eens zo'n "duizendjarig rijk", zo'n overwinningstijd voor het Woord Gods, op brede schaal zal komen. Het zou een onwaardeerbare zegen van God zijn. Een 'gereformeerd' mens hoeft zich niet te schamen als hij een stille hoop daarop in zijn hart heeft; hij is dan in gezelschap van mannen als Wilhelmus a Brakel en dr. A. Kuyper.'
G. C. van Niftrik: chiliasme en geschiedenis
Wijlen prof. dr. G. C. van Niftrik heeft zich in zijn boek 'De vooruitgang der mensheid' (Nijkerk 1966) in dergelijke bewoordigen uitgelaten over deze zaak. Hij schreef: 'God heeft in de loop der geschiedenis tijden van verademing, tijden van verkwikking. Het behoort tot de christelijke heiligmaking zulke tijden uit Gods hand dankbaar te aanvaarden en zich daarin te verheugen. Zulk een tijd van verademing en verkwikking wordt ons in het apocalyptische beeld van het duizendjarig rijk getoond en beloofd.' Dit heeft consequenties voor de christelijke visie op de geschiedenis in het algemeen. Deze kan niet uitsluitend negatief en donker gekleurd zijn. Zeker, het gaat op het einde aan, op de wereldbrand, op het laatste oordeel - en dat werpt zijn slagschaduwen vooruit. Maar tegelijkertijd gaat het op de voleinding aan, op de volle verwerkelijking van het Koninkrijk Gods. En dat werpt zijn lichtbundels vooruit. Daarom is de geschiedenis niet een van God verlaten en hopeloze werkelijkheid. Christenen behoeven en mógen niet als mismoedige pessimisten door het leven en de wereld gaan. 'De christen hoopt niet slechts met betrekking tot het allerlaatste; hij hoopt en verwacht ook met betrekking tot het voorlaatste. In de loop der geschiedenis kan hij niet meer verwachten dan alleen maar aanduidingen van het grote, dat komt; maar deze aanduidingen duiden het grote, dat komt, zeer feitelijk en reëel aan. Wie op de jongste dag hoopt, hoopt óók met betrekking tot de dag van morgen. Wie het eeuwige jaar van het welbehagen des Heeren verwacht, verwacht ook iets nieuws, iets anders, iets beters in en voor het jaar, waarin hij leeft en werkt.'
De hoop op het laatste, sluit dus de hoop op het voorlaatste niet uit. De verwachting van de volkomenheid van Gods rijk brengt met zich een hoopvol uitzien naar flitsen en fragmenten van licht midden in de duisternis van deze wereldtijd. Zo kan in het boek Openbaring naast de beheersende boodschap van 1 : 7 'Ziet, Hij komt met de wolken' ook plaats zijn voor het voorlopige, provisorische en fragmentarische heil van 20 : 1-6.
'Het duizendjarig rijk is een provisorium, een tussenperiode, een verademing, een pauze, een tijdelijke ontspanning in de adembenemende strijd van God met Zijn wederpartij.' Deze periode is moeilijk aanwijsbaar op de kalender van de kerk-en wereldgeschiedenis, zeker niet als een tijdperk van letterlijk duizend jaren. Het millennium is een troostende belofte van God. We mogen de geschiedenis blijven beschouwen als het terrein van Gods handelen. Zij is niet restloos prijsgegeven aan demonen en demonieën. Door dit besef wordt een verlammend zonde-pessimisme afgeweerd en kan in de kerk de aanvaarding van een christelijke verantwoordelijkheid voor de gang van wereld en geschiedenis ruimte blijven krijgen. 'De paar verzen van Openb. 20 roepen ons op om ons uiterste best te doen in deze wereld de duivel aan banden te leggen... Onze goedbedoelde pogingen kunnen ook mislukken, zullen dikwijls mislukken. Wij moeten niet denken, dat wij een millennium tot stand brengen. Zulk een adempauze blijft altijd Gods geschenk. Ondertussen kunnen wij er zeker van zijn, dat God zo iets niet geeft zonder ons, zonder onze medewerking, zonder ons actief uitzien en verwachten.'
Het is duidelijk dat deze verklaring van Openbaring 20 van grote betekenis is voor de ethiek. Naar aanleiding van 'Er is hoop', de grote evangelisatieaktie die dit jaar in Nederland gevoerd wordt, werd in Elseviers Magazine smalend gesproken van 'het Koninkrijk Gods als een markt in zwemvesten'. Met andere woorden: de boodschap 'ziet, Hij komt' zou dan verstaan worden als een oproep het zinkende schip van de wereld en de mensheid zo snel mogelijk te verlaten! Maar zo is het niet! Denken we nog maar eens aan de vermaarde appelboom van Luther. We blijven bezig met 'het planten van appelbomen', hoewel we heel goed beseffen dat ons werk voorlopig, uiterst bescheiden en enorm gebrekkig is. Maar in de dubbele verwachting dat de arbeid in de Heere betekenis heeft voor de eeuwigheid én dat ons werk hier en nu reeds tot een zegel en een teken gesteld wordt.
Van Niftrik wijst overigens ook op de gevaren die hier weer onmiddelijk opdoemen. Het grootste gevaar is wel dat de grens tussen het voorlaatste en het Laatste wordt uitgewist. Voor dat gevaar is het chiliasme altijd weer bezweken. Het grijpt vooruit op het Rijk en verwereldlijkt het daarmee tegelijkertijd.
Duizendjarig rijk en Koninkrijk Gods schuiven dan als twee dia' s over elkaar heen, terwijl in Openbaring 20 de scheidslijn onmiskenbaar is. We mogen van God grote dingen verwachten ook nog in de geschiedenis. Maar we mogen die verwachtingen niet inkleuren als zou het gaan om 'de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont'. Bovendien is telkens weer - en wordt in de moderne theologie al te vaak - vergeten dat wij het koninkrijk Gods niet realiseren. Het nieuwe Jeruzalem daalt af van de hemel als creatie van God. Dat besef verlamt niet, maar bemoedigt. 'Wij zijn geroepen in de richting van een duizendjarig rijk te handelen. Gód alleen kan een duizendjarig rijk geven. Het één sluit het ander niet uit, maar in. Zo komt de ethiek te staan onder de "Leitidee" (het leidend beginsel) van het duizendjarig rijk. Wij gaan aan het werk om de duivel gebonden te krijgen. Misschien zal de God des hemels het ons doen gelukken (Neh. 2 : 20). Ora et labora! Zelf zoiets als een duizendjarig rijk is nog niet het Koninkrijk Gods. Bij lange na niet! Maar ondertussen is het de moeite waard.'
Oase onderweg
Ds. W. R. van der Zee geeft een soortgelijke verklaring in zijn boek 'De dood is van gisteren' ('s-Gravenhage 1979). Openbaring 20 toont ons 'een oase, een lichtplek temidden van alle nacht en duisternis'. Er zijn in het verloop van de geschiedenis plekken waaraan het merkbaar is dat Christus de Heere is. En die plekken vormen samen het duizendjarig rijk, hier op deze aarde. Maar dit loopt in de vernieuwde wereld. De grote crisis die volgens Openbaring 20 na de duizend jaren plaatsvindt, wijst op die grote scheidslijn tussen het voorlopige en het uiteindelijke.
Ik zou tenslotte samenvattend willen formuleren: de duizend jaren wijzen op flitsende en fragmentarische episoden van rust en groei voor de kerk, van gerechtigheid in de wereld.
De overwinning is door Christus behaald - daarom is er een triumferende Kerk hierboven, maar mag ook de strijdende Kerk soms adem halen. Zou zo'n periode van opklaring niet nog in het verschiet kunnen liggen - vlak voor de allerlaatste eindstrijd een 'spade regen des Geestes', in samenhang met een geestelijke opwekking onder Israël? De plaats van Openbaring 20, aan het einde van het boek, zou daarop kunnen duiden: als er een intensivering van de gerichten plaatsvindt, dan ook niet een heerlijker rust-en bloeiperiode? Is hier alleen maar de wens de vader van de gedachte? Neen, het is de Schrift zelf die hier de hoop van het hunkerend hart voedt!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's