Theologie met verstand en hart
Wie met zijn hart bij de dingen Gods wil leven kan in de studietijd door de crisis gaan.
Enkele weken geleden schreef ik een artikel over 'Verkilling van de liefde'. In hetzelfde nummer van ons blad was in de rubriek Globaal Bekeken opgenomen het stuk van de duitse schrijver Vorwerk 'Kan ook een dominee zalig worden? '. Op het één en het ander kwam nogal wat reactie binnen. Het stemt tot vreugde te ontdekken als mensen aangesproken worden in dingen waarmee ze zelf worstelen, waar ze met hun hele hart bij betrokken zijn. Eén briefschrijver - student in de theologie - legde zijn hele hart bloot in een uitvoerige brief, waarin hij verwoordde wat het betekent theologie te studeren en soms het twijfelachtige gevoel te hebben dat het verstand het hart naar achter dringt.
De brief was geen 'negatieve blik' op de theologische studie als zodanig. Hij schrijft: 'Ik dank God dat Hij kracht en talenten schenkt om die wetenschap te bedrijven'.
Maar waar is de geestelijke band met de docenten, de vonk die overspringt, het enthousiaste spreken over Augustinus, Luther, Calvijn, waar is het beëindigen van de colleges met een loflied (zoals bij prof. Van der Schuit, ook genoemd in ons blad)? Kortom: waar is wetenschap met godsvrucht?
Met toestemming van de schrijver neem ik het middengedeelte van zijn brief letterlijk over.
'Waar ik de laatste tijd behoorlijk over pieker is de vraag: óf en in hoeverre m'n theologische kennis en bedrijvigheid m'n hart raakt. Is 't nu allemaal een puur verstandelijk bezig zijn met God en goddelijke zaken of ben ik er met het hart ook nog bij? Zou 't niet zo kunnen zijn, dat - om nu met de woorden van het tweede artikel in "Globaal Bekeken" te spreken: het hart ver van God afleeft, omdat ik door mijn denkarbeid steeds tot God nader? Deze zaken hielden me de laatste tijd bezig en ik heb ze onder woorden zien gebracht in dit bewuste artikel: scherpe dingen worden 'r gezegd, geen doekjes omheen gewonden. Centraal staat de vraag, aan niemand anders dan de theoloog gericht: Mijn ziel, doorziet gij uw lot? , hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God? Of zal ik - na anderen gepredikt, geleerd, bemoedigd te hebben ten langen leste zélf blijken verwerpelijk te zijn? Soms zie ik door de bomen van de theologieën en theologen de grote Theos, dit is: God Zelf niet meer! Het "oud' vertrouwen" van de 42ste Psalm is geweken, heeft geen kracht meer, schenkt geen vreugde meer en wie zal 't dan voeden?
Als ik in een strak dogmatisch betoog over Christus lees (Christologie dus beoefen, d.i. de leer omtrent Christus), dan is daar tegelijkertijd de vraag: Wie is Hij nu voor mezelf? Hoe vele malen aantrekkelijker is 't om de eenvoudige en tevens zo diepe met macht geladen woorden en zinnen van de Heilige Schrift zelf te lezen, b.v. de lijdensgeschiedenis van Jezus, de Man van smarten, dan bladzijde na bladzijde Systematisch en strak deze stof in een dogmatiek te doorworstelen!!
Ik kan het mogelijk te idealistisch zien, maar feit is dat ik de huisvrouw en de plantsoenarbeider die de Heere vrezen vaak benijd vanwege hun ontvankelijkheid, eenvoudigheid en frisheid in het geestelijk leven. Altijd maar, vaak heel intellectueel, met feitelijk levende geheimenissen zich bezighouden kan inderdaad afstomping veroorzaken. Heel treffend staat in het artikel (van de duitser Vorwerk, v. d. G.) dat men Gods Woord kan gaan beschouwen, zoals een koopman zijn koopwaar, ook en juist reeds tijdens de theologische studie.
Wat ik eerder tegen anderen opmerkte wil ik ook hier, hoe innerlijk tegenstrijdig 't moge klinken, zeggen: Na de theologische studie hoop ik Deo volente eens met de Bijbelstudie te beginnen. Vaak schiet 't oprechte, praktikale, bevindelijke Bijbellezen er nl. bij in. De spanning waarin men dan verkeert kan groot zijn en doet soms onze ziel schreeuwen en dorsten naar God, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen!
Al deze en dergelijke ervaringen, gemengd met gedachten aangaande de toekomst, kunnen ons soms bij de pakken doen neerzitten. Gelukkig is daar anderzijds weer, diep op de bodem van het hart, diep dus, maar toch: op het hart, de stille, levenwekkende hoop, dat God het zal maken en dat wij slechts te hopen hebben "op hoop tegen hoop''. Het ''oud vertrouwen'' versterkt zich even en we vinden dan voor momenten in onze hoogste Lof onze lust. Als God Zelf Zijn vriendelijk aangezicht weer even toont en ons bemoedigend toeknikt en als 't ware aanspoort en a.h.w. zegt: zing maar even en geloof alleenlijk, eet en drink, want de weg zou voor u teveel zijn, dan kunnen we weer verder, met reizen, studeren, collegelopen en strijden door "de kracht derzelver spijs".'
Verstand en hart
Theologie met verstand en hart heb ik boven dit artikel, mede naar aanleiding van deze brief gezet. Deze brief is uit het (studie) leven, en ook uit het hart gegrepen. Wie met zijn hart bij de dingen Gods wil leven kan in de studietijd door de crisis gaan. Ik waag het zelfs te zeggen, dat wie die crisis in meerdere of mindere mate niet kent, ook niet doorstoot tot het rechte verstaan van de dingen, die in de studie verworven mogen worden.
De Prediker wist het al: Wie wetenschap, vermeerdert, vermeerdert smart. En toch schrijft hij de wetenschap, mits gestempeld door wijsheid en godsvrucht, niet af.
En prof. dr. H. Bavink schreef eens - en wat hij schreef is identiek met een zin in de geciteerde brief - dat hij wel eens jaloers kon zijn op een eenvoudige huismoeder aan de wastobbe (die er in zijn dagen nog was) en die zich niet behoefde af te matten met zaken waarmee hij zich moest bezig houden. Maar ondanks dat afmatten is Bavinks theologie doortrokken van de vreugde óver en in het wetenschappelijk bezig zijn. Wetenschap, in de vreze Gods beoefend, geeft toch vreugde, al geeft het ook spanning, omdat het verstand zo vaak wil strijden of in strijd komt met het hart.
Voet te hoog?
Door de tijden heen zijn er mensen geweest, die bestudeerde dominees maar niets vonden. Het zit allemaal een voet te hoog, heet het dan. Een dominee moet maar preken zoals de Geest het hem direct te zeggen geeft. De Geest werkt om zo te zeggen on-middellijk.
Dat is een ernstige misvatting. Vergeten wordt dan namelijk dat het altijd - bestudeerd of onbestudeerd - een voet te hoog zit, omdat ons verstand van nature verduisterd is. Wij zijn denkende mensen en of we nu studerend denken of zonder studie, ons denken is van nature niet onder de heerschappij van het Woord. Daarom kon Luther ook van wetenschap, studie zonder godsvrucht spreken als over Hure Vernunft. Maar denken zónder studie erachter kan anderzijds ook leiden tot eigenwillige godsdienst. Het gaat om verstand dat geheiligd wordt, onderworpen wordt aan het Woord Gods. In de bekende tekst uit Matth. 27 staan hart en verstand samen: 'Gij zult liefhebben den Heere uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand', (Matth. 27 : 37). Het doopformulier voegt er nog aan toe 'van ganser gemoede en met alle kracht'. Wanneer het hart door de Geest is aangeraakt wordt het verstand immers verlicht, zodat we met heel ons verstand eerbied voor het Woord gaan krijgen en een mens bevreesd wordt buiten de weg van het Woord te raken. Theologie wordt dan God-zeggen, de lóf van God ook uitzeggen. Dan wordt - om nog een keer De Wekker te citeren - het dogma wel eens doxa, de leer loopt uit op het loflied.
Hoezeer ook de Reformatoren weet hebben gehad van de verdorvenheid van het menselijke verstand, waardoor allerlei dwalingen, ketterijen, secten en stromingen altijd weer opgeld doen, ze hebben zélf geweten wat grondige studie is. Men denke aan de omvangrijke Schriftcommentaren van Calvijn en zijn grondige geloofsleer, gegeven in de Institutie. Maar wat heeft Luther ook niet aan denkwerk op papier gezet. De Reformatoren kenden de Schrift, ze kenden het hart van de mens, de kenden de grondtalen van de Schrift, ze kenden de (kerk) geschiedenis, ze kenden hun tijd. En ze hebben, gewapend met al deze kennis, de Schrift grondig kunnen uitleggen en toepassen en eigentijdse dwalingen grondig kunnen weerspreken. Hetzelfde geldt van velen van de nadere Reformatie. Sommige nadere reformatoren waren grondig thuis in de filosofie, anderen kenden heel wat talen, weer anderen waren grondig thuis in de geschiedenis. Schriftuitleg vraagt studie. De inhoud van de Schrift komt ons niet aanwaaien. Daarom is voor de dienaren van het Woord een grondige opleiding nodig. De Heere leerde weliswaar op de Pinksterdag de discipelen rechtstreeks in vreemde talen te spreken. Maar daar mag niet meer op gerekend worden. De grondtalen moeten nu worden bestudeerd om de Schrift in de oorspronkelijke taal, en zo de authentieke Schrift, te kunnen verstaan.
Intussen wordt het wel arm als het wetenschappelijk bezig zijn in en met de Schrift zó tot verstandswerk alleen wordt, dat het hart er niet door ontvlamt in liefde tot God en Zijn Woord. Het is de rijkdom van de gereformeerde theologie, dat deze voluit Woord theologie is. Vandaaruit had Voetius als devies voor wetenschapsbeoefening 'wetenschap met godsvrucht'. Maar waar het hart echt geraakt is door het Woord, vallen dan ook verschillen in ontwikkeling, in vorming weg.
Hoeveel predikanten hebben niet een tweede vorming ontvangen, na hun studie in de theologie, van mensen in de gemeente, die een diep inzicht hadden in de Schrift en klaar konden spreken over het geestelijk leven, het door de Geest gewekte leven! Ik las dezer dagen dat een predikant in een interview zei: na de studie komt de grootste vreugde pas, de gemeente!
Het is een voorrecht als er in de gemeente oprechte vroomheid is, gekenmerkt door eerbied voor en kennis van de Schrift. Dan mag er in de gemeente sprake zijn van wederkerigheid. De dienaren van het Woord mogen het Woord uitleggen met de kennis, die zij verwierven tijdens de studie. En hoe dieper de predikanten dan in het Woord mogen graven hoe groter vreugde dat zal geven in de gemeente. Dan zit het niet gauw een voet te hoog. Want het hart wordt ook via het verstand gevoed. Kennis is een zaak van hoofd en hart. En omgekeerd mogen predikanten hun winst doen met wat aan levenswijsheid, aan geestelijke wijsheid in de gemeente gevonden wordt. Als het hart van de theoloog en van de gemeente elkaar niet meer raken dan is er sprake van verschraling in de theologie, wat op zijn beurt moet leiden tot verschraling in de gemeente.
Bavink mocht dan jaloers zijn op de eenvoudige huisvrouw, hij ging ijverig met zijn theologie door, uit roeping wetend dat het in de theologiebeoefening gaat om de opbouw en fundering van de gemeente.
Van God geleerd
Men kan nog wel eens horen zeggen dat eenvoudige kinderen Gods dieper ingeleid kunnen zijn in de dingen van Gods Koninkrijk dan knappe theologen. Dat is waar, al moet dit toch maar niet al te vaak worden gezegd, omdat het kan betekenen: afdingen op de waarde van de studie.
Maar er zijn ook charismatisch begaafden in de gemeente geweest, en ze zijn er tot vandaag. Mensen, die bedeeld waren met diep inzicht in de Schriften en kennis hadden van God en goddelijke zaken. Maar zulken, wanneer echte godsvrucht hun deel was, hebben meestal ook niet afgegeven op de beoefening van de theologie als wetenschap. Dat deden napraters, of mensen bij wie het helemaal niet echt was, eerder.
Ik moest daar aan denken toen ik dezer dagen - in één adem overigens - enkele preken las van Wulfert Floor, de bekende landbouwer uit Driebergen, die in de vorige eeuw zijn eenvoudige Oefeningen hield, bestemd voor 'ongeletterde landbouwers, die zwaardere en geleerde stof niet kunnen verstaan, en die toch ook voedsel nodig hebben op de levensweg' (Graafland). Eén van de drie nog in leven zijnde kleinkinderen van Wulfert Floor, Pieter Floor, had nog enige geschreven bundels 'Oefeningen' van Wulfert Floor, die niet eerder waren uitgegeven. Uitgeverij Den Hertog heeft ze nu uitgegeven, voorzien van een voorwoord van prof. dr. C. Graafland Op de achterflap van dit boek staat: 'Zijn oefeningen zijn eenvoudig, maar tegelijk zó indringend en aansprekend, dat ze zowel de eenvoudigen als de geleerden aanspreken'.
En prof. Graafland zegt in zijn voorwoord: 'Al wist hij zich geen priester of leviet, hij achtte het een genade om met de Gibeonieten een houthakker of een waterputter te mogen zijn voor de Gemeente Gods. Nu, ruim 100 jaar later, mogen wij zeggen dat niet alleen de ongeletterde boerenstand (die tegenwoordig overigens niet meer zo 'ongeletterd' is als vroeger) maar vele anderen, onder wie ook velen van meerdere ontwikkeling, een rijke zegen in het lezen van de Oefeningen van Wulfert Floor mogen wegdragen'.
Treffend
Wat is het treffende in deze 'eenvoudige oefeningen'? Ze zijn vermanend, waarschuwend voor de ernst van de eeuwigheid, intussen heenlokkend naar de Heere Jezus, niet beschrijvend over Hem sprekend, maar met kennis vanuit de Schrift en vanuit de ondervinding van Gods liefde, opwekkend tot levensheiliging (geen tijd verdoen met teveel slapen of met praten over wereldse zaken, maar spreken óver en zich oefenen in geestelijke zaken en het afzonderen van stille tijden voor God), en tenslotte gekenmerkt door liefde en bewogenheid om mensen, medemensen, medereizigers. Nergens in zo'n bundel preken hardheid, harde oordelen over anderen, maar wel zichzelf en elkaar stellen voor de rechterstoel Gods en voor de liefde Gods in Christus.
Hier raken verstand en hart elkaar en hier mogen de theoloog en de landbouwer met elkaar in gesprek zijn. Arm de theoloog, die het gesprek met de vromen niet meer kent, of die zich boven oefeningen als die van Floor verheven acht. Het is theologie terzijde van de heirbaen, waar de karavaan langs trekt, maar het is theologie ook waarmee de Geest wegen baant naar harten.
Ik besluit met enkele - willekeurige - uitspraken uit deze preken, preken overigens die Floor volledig uitschreef (dit ter lering aan hen die menen dat preken uit het hoofd moet gebeuren).
'Er moet gearbeid, gestreden en gebeden worden. Wij moeten geweld op het Koninkrijk der hemelen leren doen. Het luie wensen zal ons niet in de hemel brengen.'
Uit een prachtige preek over de rechtvaardiging: 'Waarlijk het is geen klein voorrecht, alzo door die geloofskennis (Floor citeerde eerst 2 Petr. 1:3, Filipp. 3 : 10, Jer. 32 : 40 en Ps. 139 : 17) gerechtvaardigd te zijn. Want zulke zielen hebben vrede met de God des hemels en worden door Zijn hand geleid naar een eeuwige zaligheid'.
Over de kennis: 'Is de kennis van God en Zijn Woord zo nodig, dan zijn ook dezulken ongelukkig, die met alle vlijt zich op geoorloofde (!) wetenschappen toeleggen, en nochtans de meest noodzakelijke wetenschap verzuimen'.
'Veel mensen kennen Christus uit de letters van het woord. Zij kunnen over Zijn Godheid, menswording, vernedering, verhoging en borgtocht zeer rechtzinnig spreken. Maar zij hebben Christus niet lief. Zij hebben de kennis van Christus in hun hoofd, maar Christus woont geenszins in hun hart.'
En tenslotte, over de uitwerking van de levensheiliging: 'Maar zoekt in Christus' kracht zo heilig en zo vrolijk te leven, dat uw betrekkingen en alle mensen, waarmede gij omgaat, in u een heilige en vrolijke christen kunnen opmerken'.
Tot zover Wulfert Floor, in wiens 'Nagelaten Oefeningen' (1884) ds. J. W. Felix (één van de voormannen van de Confessionele Vereniging) in een voorwoord schreef: '(...) hier vindt men het werk van een Schriftgeleerde, in de dingen van het koninkrijk der hemelen grondig - dat is door den H. Geest, met toepassing op eigen hart - onderwezen'.
Dat er met de toenmalige predikanten van Neerlangbroek (J. Ch. Eijkman en A. H. de Klerck) geestelijke verbondenheid en 'een verhouding van wederkerige hoogachting' bestond is kenmerkend en leerzaam ook voor onze tijd, opdat het hart van de theologie het hart van de gemeente raken zal.
*) Wulfert Floor: Een verrassende nalezing. Uitgave Den Hertog B.V., Houten/Utrecht, 307 pag., f37, 50 (tot 31 dec, daarna ƒ 47, 50).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's