De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zin van het lijden (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zin van het lijden (3)

11 minuten leestijd

Hij maakt eerst vorderingen onder de gesel Gods, die bedenkt, dat Hij toornig is op zijn zonden, maar hemzelf genadig en goedgunstig is.

Naspreken

Bij lezing van gedeelten uit Calvijns Institutie, die betrekking hebben op het lijden en verdrukkingen, valt het op hoe nauw Calvijn zich aansluit bij het spreken van de Schrift - en dan met name het Nieuwe Testament - over deze dingen. Het uitgangspunt voor de grote reformator is gelegen in de vereniging van de gelovige met Christus. Deze brengt gemeenschap met het lijden van Christus mee, die tot uiting komt in de navolging. De in de vorige artikelen verzamelde gegevens uit de Heilige Schrift komen bij Calvijn tot klinken. Ook op dit punt blijkt de Schriftgebondenheid van zijn theologiseren. Wij vinden bij hem geen kritische vragen, die aan het Woord Gods gesteld worden. Hij buigt zich onder het gezag van de Heilige Schrift en aanvaardt haar norm zonder tegenspreken.

Noodzaak

Uiteraard kan de beperkte omvang van een artikel slechts een hoogst globale samenvatting toelaten van Calvijns gedachten over het lijden. De reformator uit Geneve brengt zijn visie op het lijden onder bij het thema van de zelfverloochening van de gelovige. Het dragen van het kruis is een deel der zelfverloochening. Dat is het opschrift boven het achtste hoofstuk van het derde boek van zijn 'Institutie'. 'Want allen, die de Heere heeft aangenomen en de gemeenschap der Zijnen waardig gekeurd heeft, moeten zich voorbereiden tot een hard, inspannend, onrustig en met zeer vele en verschillende soorten van rampen vervuld leven' (III, cap. VIII, 1). Op die wijze beproeft God de Zijnen. Zo is Hij bij Christus begonnen en de gelovigen delen in deze goddelijke orde. Zoals Christus door de Vader in Zijn lijden niet werd gespaard, zo handelt de Heere ook ten opzichte van Zijn kinderen.

Christus' leven op aarde is één voortdurend kruis geweest, waarin Hij gehoorzaamheid aan de Vader moest leren. Voor hen, die in Hem geloven is er geen andere weg. Zij moeten aan Hem gelijkvormig worden. Dat is het voor Gods kinderen vastgestelde doel (Rom. 8 : 29). Tegelijkertijd bevat daarom het lijden ook vertroosting. Christus is uit het lijden binnengegaan in de eeuwige heerlijkheid. Welnu, dat is ook de toekomst en de erfenis der Zijnen, verbonden als zij zijn met Hem, één plant met hem gemaakt in de gelijkmaking van Zijn dood en Zijn opstanding. Calvijn put daaruit troost in het lijden en voor allen die op deze wijze lijden. 'En dóór de gemeenschap met Hem wordt het lijden voor ons niet alleen gezegend, maar brengt het ook veel hulp aan tot het bevorderen van onze zaligheid'.

De onontkoombare vraag blijft niettemin waarom het voor een christen nodig is om onder het kruis te leven en dat zelfs voortdurend. Gaan wij Calvijn na in zijn antwoord op deze vraag, dan treft het ons hoezeer zijn 'oplossing' totaal ontoereikend - om geen andere woorden te gebruiken - wordt geacht door de moderne theologie. Hij geeft antwoorden, die vandaag vaak schampere en woedende reacties oproepen. Moet u maar luisteren! Calvijn stelt en schildert dat en hoe wij komen tot een 'dwaas en ijdel vertrouwen des vleses'. Wat is nu Gods therapie om ons daarvan te verlossen? 'Deze aanmatiging kan God niet beter breken, dan doordat hij door de ondervinding ons aantoont, aan hoe grote zwakheid niet alleen, maar ook aan hoe grote broosheid wij lijden. Dus teistert Hij ons (!) of met schande, armoede, of verlies van dierbaren, of ziekte, of andere rampen, tot het dragen waarvan wij verre in staat zijn, zodat wij daaronder, voor zover het van ons afhangt, weldra bezwijken. Zo vernederd, leren wij Zijn kracht inroepen, die ons alleen onder het gewicht der verdrukkingen staande doet blijven' (Inst. boek III, cap. VIII, 2). Het valt op hoe Calvijn dit zelfs van toepassing acht op de 'allerheiligsten'. Zelfvertrouwen en misplaatst steunen op eigen kracht (verg. psalm 30 : 7) vraagt bij wijze van spreken om beproeving van Godswege. Dan acht God het nodig door lijden en verdrukking onze eigen krachten te breken en ons te werpen op Hem alleen. De gelovigen moeten, vernederd door het lijden, dat God toeschikt, temeer 'zich begeven tot Gods genade'.

Nut

Intussen raakten wij bij deze beschouwing van Calvijns gedachten over de noodzakelijkheid van het lijden reeds aan de naastliggende vraag naar het nut van het lijden. Welke vruchten werpt het af in het leven van het geloof? Calvijn maakt - op voorgang van de Schrift - scherp onderscheid tussen het lijden van de ongelovigen, de goddelozen en dat van de gelovigen. Het eerste karakteriseert hij als goddelijke wraak en straf, waarbij bovendien meestentijds een aperte verharding valt te constateren bij degenen, die gestraft worden in allerlei leed en verdrukking. God houdt daarentegen Zijn toorn en vloek altijd van de gelovigen af. Zij kunnen niet meer lijden als de goddelozen. Hun zonden zijn gedragen en verzoend door het lijden en sterven van Christus. Daarom is hun lijden in beproeving en noden veel meer te typeren als kastijding. De Bijbel noemt dat immers het 'voorrecht' van de zonen van het huis. Calvijn zegt: 'De kastijding is een zegen en zij draagt het getuigenis van liefde, zoals de Schrift leert' (Inst. boek III, cap. IV, 32). Om nog even op de ongelovigen terug te komen, in de tekening van hun lijden als straf schroomt Calvijn niet om, wellicht naar de gang van die tijd, krasse beelden te gebruiken. Hij beschrijft de 'teisteringen' van de goddelozen als een 'soort voorportaal van de hel, vanwaar ze uit de verte hun eeuwige verdoemenis reeds aanschouwen' . Ze worden 'door zulke voorspelen toebereid tot de vreselijke hel, die hun eindelijk te wachten staat'. Hoe scherp dit woordgebruik ook op ons overkomt, toch kunnen wij onmogelijk ontkennen dat Calvijn hier essentiële Schriftnoties aanvoert.

Om het nut voor de gelovigen aan te duiden, verwijst Calvijn naar de heiligen uit de Schrift. Mannen als Jeremia, David, Jesaja, Micha en Habakuk worden als voorbeelden benut. In hun leven hebben zij het lijden als nuttig, leerzaam en verootmoedigend ervaren. Het is loutering, toetsing. Maar telkens wordt een beroep gedaan op de barmhartigheid Gods in de kastijding (vlg. Ps. 6 : 2, 38 : 3, Habakuk 3:2). Juist in die samenhang hebben de gelovigen een hevig gevoel van smart, omdat zij - al is hun lijden kastijding - toch Gods gestrengheid dragen. Niettemin is God een God, die in Zijn barmhartigheid het lijden tempert, om Zijn kinderen niet te gronde te richten. Hij loutert hen in het vuur maar niet als zilver om hen niet geheel te verteren (vgl. Jesaja 48 : 10). Kastijding beoogt dus zuivering. Maar altijd naar de maat van Gods genade en barmhartigheid. Met andere woorden: God houdt altijd rekening met de draagkracht van de Zijnen. 'Want hoe Godvrezender iemand is, en hoe meer iemand zich wijdt aan het beoefenen der vroomheid, des te gevoeliger is hij om Gods toorn te dragen'.

Het blijkt dus, dat het nut van het lijden gele­gen is in verootmoediging, waarin wij komen tot het overdenken van onze zonden en onze toevlucht zoeken in het gebed. Op een andere plaats ziet Calvijn het nut van het lijden in het 'vordering maken tot bekering'. Daarbij citeert hij ergens Augustinus in diens uitleg van psalm 102 : 20: 'Wat gij lijdt, ten gevolge waarvan gij jammert, dat is medicijn voor u, geen straf; kastijding, geen verdoeming; wijs de roede niet af, als gij niet afgewezen wilt worden van de erfenis'. Zelf legt Calvijn het woord van Paulus in 1 Cor. 11 : 32: als wij door de Heere geoordeeld worden, worden wij getuchtigd, opdat wij met deze wereld niet veroordeeld worden, zo uit: Dat is, wanneer wij, kinderen Gods, door de hand van de hemelse Vader geslagen worden, is dit geen straf, waardoor wij zouden verbrijzeld worden, maar slechts een kastijding, waardoor wij moeten onderwezen worden'. De kastijdingen van God zijn voor de Zijnen, na de vergeving van hun zonden, tot strijd en oefening. En dan is daar dat onvergelijkelijk diep woord van Calvijn: 'Hij maakt eerst vorderingen onder de gesel Gods, die bedenkt, dat Hij toornig is op zijn zonden, maar hemzelf genadig en goedgunstig is'. En als een mens dan, nijdig op de voorspoed der goddelozen, soms denkt dat zij maar hun gang kunnen gaan omdat God hen hun gang laat gaan, roept Calvijn ons tot de diep geestelijke orde: wij moeten leren in het lijden, dat voor onze zaligheid gezorgd wordt, doordat wij teruggeroepen worden naar de rechte weg.

Doel

Wij komen nu tot het 'waartoe' van het lijden, zoals Calvijn dat heeft bezien. Wij merken daarbij dat hij het doel van het lijden nauw verbindt aan het gegeven van de overdenking van het toekomende leven. In zijn Institutie schreef hij onder die titel een hoofdstuk. En daarin bespeuren wij heel wat noties ten aanzien van het doel van het lijden. Ook hier gebruikt Calvijn bewoordingen, die ons misschien op het eerste gehoor vreemd klinken. Het zou echter kunnen zijn dat dat méér zegt over onszelf dan over Calvijn. Licht kan het lijken alsof hij een fervente aarde-haat predikt, een verregaande onthechting aan de wereld en het leven daarin. Maar juist zijn ijveren voor het werkelijk welzijn en een geordend leven van en in Geneve, toon duidelijk, dat de reformator het zicht op het gewone, aardse leven allerminst kwijt was. Welnu, in dat licht moeten wij de dingen bezien als hij zegt: 'En door welk soort van verdrukking wij ook gedrukt worden, altijd moeten wij zien op dit doel, dat wij ons gewennen tot de verachting van het tegenwoordige leven en daardoor opgewekt worden tot de overdenking van het toekomende. Want aangezien God zeer wel weet, hoe wij van nature geneigd zijn tot een beestachtige liefde tot deze wereld, wendt Hij een zeer geschikt middel aan om ons terug te trekken en onze verlamming te verdrijven, opdat wij niet al te vasthoudend in die liefde blijven hangen' (Inst. boek III, cap. IX, 1).

Ieder wil nog wel de schijn ophouden, dat hij met haast onderweg is naar de hemel, maar in wezen - wanneer onze diepste gevoelens en motieven boven komen - is het alles 'aarde' wat de klok slaat. Dat karakteriseert de mens van alle tijden. Het hart van de mens is met duizend banden verkleefd aan het zichtbare. Daardoor wordt de opwaartse vleugelslag van het geloof gebroken in zijn kracht. Zendt de Heere nu lijden - en dat kan allerlei vormen hebben - op onze weg, dan moeten wij daarin herinnerd worden aan de ijdelheid van dit leven op zichzelf. Calvijn noemt in dit verband een respectabele reeks middelen, die God gebruikt om ons van de aarde te richten op de hemel. Oorlog, oproer, roverijen, brand, armoede, boze vrouwen en slechte kinderen, verlies van geliefden. En is God ons wat meer goedertieren, dan stelt Hij de Zijnen door ziekten en gevaren 'hun voor ogen, hoe onstandvastig en ongestadig alle goederen zijn, die aan de sterfelijkheid onderworpen zijn'. Dit leven als zodanig is op alle fronten een ongelukzalig, onrustig en verward bestaan. Het is onzeker, vluchtig en ijdel. We moeten onze ogen opheffen naar de hemel.

Het lijkt allemaal nogal zwart-wit gedacht. Toch is dat niet meer dan schijn. Ook waar de aarde niet uit ons vizier verdwijnt, omdat wij er een taak en plaats hebben, toch is hier het vaderland niet. En scherp belijnt Calvijn het, dat er geen tussenweg is. Of de aarde wordt ons, vergeleken bij de hemelse, toegezegde heerlijkheid waardeloos, of ze houdt ons vast in een teugelloze liefde. Het doel van het lijden is nu, dat deze teugels hoe langer hoe losser worden gemaakt om ons hoe langer hoe meer te richten op de eeuwige heerlijkheid van het Koninkrijk, dat komt. Dat belette een man als Calvijn beslist niet oog te hebben voor de 'niet te versmaden zegeningen Gods' in dit leven. Maar het doet hem anderzijds ook dit gebeiteld woord neerschrijven: 'Maar laat ons dit voor vastgesteld houden, dat niemand goede vordering gemaakt heeft in de leerschool van Christus, dan hij, die de dag van zijn dood en van de laatste opstanding met vreugde verwacht' (Inst, boek III, cap. IX, 5).

Komend tot een voorlopige afronding kunnen wij stellen, dat deze Calvijnse gedachten nog altijd min of meer gemeengoed onder ons zijn, al zou ik er niet mijn hand voor in het vuur durven steken, dat iedereen deze dingen onderschrijft. Ook onder ons dringen de vragen vanuit de moderne theologie door. Vragen naar het oorzakelijk verband tussen God en het lijden. Wil God het lijden? Beschikt Hij over allerlei rampen en ellenden en zendt Hij die daadwerkelijk naar mensen toe? Over enige tijd willen we proberen de draad van deze artikelen weer op te vatten en dan in te gaan op het moderne denken ten aanzien van het probleem van het lijden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De zin van het lijden (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's