Globaal bekeken
Een lezer uit Bodegraven veronderstelt dat, wat betreft het verzekeren van kerk(elijke) gebouwen, 'de meeste ook van onze Bondsgemeenten aangesloten zijn bij (St.) Donatüs, de rooms katholieke verzekeringsmaatschappij, die geregeerd wordt door bisschoppen en kloosterreligieuzen'.
Zonder hier een voorbarig oordeel uit te spreken - want als je iets afwijst moet je wel weten wat je tegelijk aanwijst (als alternatief) - laten we de volgende fragmenten uit het toegezonden artikel 'Donatüs, de aparte wereld van een Kerkverzekeraar' in een officiële verzekeringskrant volgen. Deze informatie is voor ons ook geheel nieuw.
'De maatschappij heeft zich in de loop van haar ruim 130-jarig bestaan waargemaakt als de grootste "kerkenverzekeraar" in ons land. Ruim 3.500 godshuizen van een tiental gezindten zijn bij de onderlinge verzekerd. "Dat is ongeveer tweederde van alle in Nederland bestaande kerken", schat Blemans.
Donatus heeft ongeveer 70% van alle hervormde kerken, 95% van alle roomskatholieke kerken en een klein percentage van de gereformeerde kerken in ons land verzekerd. De portefeuille bevat ook enkele godshuizen voor de Islamitische en joodse eredienst.
FAAM
In het bestand zitten kerken van grote faam. Blemans somt er een paar op: "De Sint Jan in Den Bosch, de Laurenskerk in Rotterdam, de Haarlemse St. Bavo, de St. Servaas in Maastricht, de O.L. Vrouwekerk in Breda, de Eusebius in Arnhem".
Momenteel wordt het verzekerd kapitaal van Donatus voor ongeveer 1/3 gevormd door kerken. "Hiernaast", zegt Biemans, "wordt het verzekerd kapitaal, ruw geschat, voor 1/3 gevormd door objecten in de gezondheidszorg en eveneens voor 1/3 door kloosters, internaten, scholen, etcetera."
BESCHERMHEILIGE
In 1852 werd Donatus opgericht als "Onderlinge Brandwaarborgmaatschappij". Initiatiefnemer en eerste directeur B. Hofman, deken van Amstelland, speelde hiermee in op de behoefte aan een afzonderlijke voor kerkelijke objecten bestemde brandverzekering. De oorspronkelijke doelstelling kan worden teruggevonden in stukken uit de vorige eeuw, waarin de maatschappij wordt omschreven als "De Onderlinge Brandverzekeringmaatschappij van R.C. Kerken, daarbij behorende pastorijen, openbare opzichzelve staande kapellen. Godsdienstige gestichten en Semenarien met de daarbij behorende mobilair".
De maatschappij kwam - op aanbeveling van de bisschop van Haarlem in 1866-onder patronaat te staan van "den Heiligen Donatus", de beschermer tegen storm, hagel, donder en bliksem, hetgeen uitgroeide tot verandering van de naam in "St. Donatus".
OPENBREKING
Aanvankelijk werden alleen kerken en kerkelijke objecten zoals kloosters, kloosterscholen, bejaardenhuizen, ziekenhuizen, weeshuizen en kerkelijke bureaus, verzekerd. Later werd dat uitgebreid tot alles wat valt onder de noemer "kerkelijke eigendommen". Donatus' directeuren behoorden tot de RK-geestelijkheid. In 1950 werd de eerste 'leken"-directeur benoemd.
Biemans - sinds 1961 werkzaam bij Donatus - heeft zich, nadat hij in 1964 tot directeur was benoemd, beijverd voor openbreking naar alle kerkelijke gezindten en sociaal/charitatieve instellingen. In 1968, een jaarna de verhuizing van Amsterdam naar Den Bosch, vond die openbreking plaats en werd het "Sint" uit de naam geschrapt.
Het eerste grote resultaat van de oecumenische opstelling kwam in 1974 na vier jaar onderhandelen met de Vereniging van Kerkvoogdijen in de Ned. Hervormde Kerk - met het verzekeren van een groot deel van de hervormde kerken. (...) Het huidige bestuur van Donatus bestaat uit 19 leden, van wie 4 benoemd zijn door de Nederlandse Bisschoppenconferentie, 2 door de Vereniging van Kerkvoogdijen in de Ned. Herv. Kerk en 10 door de algemene vergadering van deelnemers. De overige 3 bestuursleden zijn benoemd door de samenwerkingsverbanden van Nederlandse priesterreligieuzen, broedercongregaties en Nederlandse vrouwelijke religieuzen.'
***
In Dubbel-Aksent, blad voor de geestelijke verzorging bij de Koninklijke Landmacht, stond een artikeltje onder de titel Eb. Het typeerde, hoewel niet In een stijl die de onze is maar wél raak, een stukje verschraling van kerkelijk leven. Twee mensen staren over het water, waar de vloed opkomt. Zegt de één tegen de ander, recht voor zich uit starend:
'(...) het is eb, meneer. Wij hebben in de stad een prachtige, grote kerk. De kerkeraad heeft hem juist helemaal laten witten. Maar het werk is niet meer, wat het was, meneer. Het begint alweer te bladderen. Toch is het een mooie kerk. Vier pilaren, ook allemaal wit.
En een oud orgel; dat komt nog uit Amsterdam; uit een oude kerk van ons, die niet meer bestaat. Wij zijn een "kleine" kerk, weet u. Wij kennen elkaar allemaal. En wij hebben een mooie kerk ook, maar er komt geen hond meer.
Wij hebben ook een beste organist. Maar met het zingen is het ook niks meer. Vroeger, denk ik dan, vroeger was dat anders. Dan zongen wij na de preek: God is in ons midden...
God zit naast je... Ook naast Ybeltje, met de scherpe tong? vroeg ik me wel eens af. Dat zal Hem dan niet meevallen... Dat waren mooie tijden. Een dominee preekte nog over een tekst. Na een half uur kon hij je zo droevig aankijken en zeggen:
En, gemeente, weet u wel, dat daar dan het woordje... puntje, puntje, staat? En dan noemde hij dat woordje. En dan keek hij ons droevig aan, alsof wij het konden helpen, dat dat woordje er stond. En dan vertelde hij, wat dat woordje allemaal wel kon betekenen...
En dan houd je niet voor mogelijk, wat zo'n woordje voor betekenissen heeft. En dan dachten wij dankbaar: dat is een gestudeerd man, ons dominee.
En wij hadden nog een verootmoediging. Dan beleden wij onze schuld. Homme, die in de zuivel zat, en Ybeltje met de scherpe tong. Dan dacht ik wel eens: gek, dat Homme - zo'n aardige man - altijd veel langer werk heeft dan Ybeltje. Gek, dacht je dan: aardige mensen hebben zeker veel meer schuld.
Maar het is allemaal voorbij. Wij zingen niet meer, dat God in ons midden is...
De dominee zegt, dat die tijd geweest is... Wij zingen alleen maar liederen, die niemand mee kan zingen...
Liederen, waarin staat, wat je allemaal in de week wel moet doen...
Aan je werk kom je dan niet meer toe. En om met veertig mensen in zo'n grote kerk schuld te belijden: 't is net, of je het hardop zit te doen. Dat wil ook al niet meer.
En denk je, dat de dominee nog een tekst heeft...? Nee, meneer, het is niks meer.
D'r is er eens een geweest, die zei, dat God als de zee is met eb en vloed.
Soms is Hij dichtbij; soms ver weg. Soms zit Hij onder aan de dijk, soms zit Hij achter Ameland...
Nou, meneer, bij ons in de kerk is het eb... En als het dan zondagmiddag wordt en de stad leeg lijkt, dan moet ik even naar de pier.
Dan moet ik even zien, dat de vloed er ook nog is.'
***
Dr. H. Wiersinga, omstreden theoloog in de Gerefomeerde Kerken vanwege zijn visie op de verzoening, heeft nu een boek geschreven over de zondeleer, onder de titel 'Doem of daad'. Een bespreking van dit boek zal in ons blad nog volgen, maar we willen hier twee typeringen doorgeven van theologen, die er niet om liegen, zonder daarmee overigens aan 'kretologie' te willen doen. Wie in de leer van de verzoening afwijkt van het bijbels getuigenis móét dit ook wel ten aanzien van de leer aangaande de zonde, én omgekeerd.
• Prof. dr. W. van 't Spijker schrijft in de (Chr. Geref.) De Wekker over dit boek onder de titel 'Afscheid van de theologie'.
• Prof. dr. K. Runia, toch immer voorzichtig in een laatste oordeel over zijn gereformeerde confraters, schrijft in het Centraal Weekblad, weekblad voor de Gerefomeerde Kerken: 'Dit is een voluit vrijzinnige theologie'.
De kring van de kerkgeschiedenis sluit zich weer. De Doleantie heeft na bijna 100 jaar de vrijzinnigheid van de vorige eeuw ook binnen haar muren.
***
Uitgeverij Den Hertog verhuisde van de Utrechtse binnenstad naar een prachtig nieuw complex in Houten. Deze uitgever, die in 1912 - 70 jaar geleden dus - zijn eerste uitgave het licht deed zien ('De brieven van Theodorus van der Groe') en sindsdien menige herdruk van werken van oudvaders heeft uitgegeven, naast vele eigentijdse uitgaven overigens, bracht nu als jubileum uitgave '100 portretten van godgeleerden in Nederland uit de 16e, 17e en 18e eeuw'.
Er is een keuze gemaakt en niet van elke theoloog bestaat een portret, b.v. niet van J. van Lodenstein en B. Smytegelt. De portretten zijn gegroepeerd rondom a. 'Reformatie in Nederland tot de synode van Dordrecht', b. 'Rond de Dordtse synode', c. 'Voetianen en Coccejanen', d. 'de achttiende eeuw'. Prof dr. S. v. d. Linde gaf de samensteller (H. Florijn) adviezen. Eerst volgt een lezenswaardig verhaal over haardracht en kleding van de predikanten in die drie eeuwen: het haar en de pruik, de kalot, hoed en de steek, kraag en bef, tabberd en mantel.
Uit deze tekst een korte weergave en vervolgens twee foto's
'In 1578, zo verhaalt ons G. Brandt in zijn Historie der Reformatie, deed de gewezen pastoor Huibertus Duifhuis de wethouders aandienen "hoesijn gemoedt hem drong voortaen op de wijze der Gereformeerden te leeren, waer hij toe verlof versocht; overbodig evenwel, de beelden in de kerk, daer hij predikte, te dulden, en in 't witte bovenkleedt of koorkleedt op stoel te verschijnen; tot dat d'Overheidt andre orde sou stellen. Hij seide dat Godt niet sag op 't kleedt, of 't wit of swart was, maer op 't hert". De toestemming werd hem verleend.
Weliswaar werd hij door de onrust die zijn prediking veroorzaakte gedwongen om weg te gaan, maar toen hij daarna weer terugkeerde voerde hij de hervorming zoals hij die voorstond, door. Beelden en altaren bleven daarbij in de kerk. Ook bleef Duifhuis het koorhemd dragen. Hij was een van de weinigen, want de meeste gerefomeerde predikanten droegen de met bont omzoomde tabberd met de korte opengesneden mouwen en de lissen en knoopjes, zoals te zien bij J. Bogerman en J. Arminius.
Vrij lang is de tabberd geliefd gebleven. Eronder droeg men een toegeknoopt wambuis met mouwen. Na verloop van tijd begonnen sommige predikanten alleen het wambuis te dragen, die op zijn beurt later werd vervangen door de dichtgeknoopte, wijde, lange rok met de brede zakken en brede omslagen van de mouwen.
Als vervanging voor de tabberds kwamen de mantels in de mode. Ook hiervan was niet één model: onderling waren er verschillen in grootte, in lengte, in soort stof en in kleur Daarbij werden ze ook op verschillende manieren gedragen. Men kon hem over de schouders dragen zoals G. Amesius, maar ook over een van de armen. Soms werd de rechterarm, soms de linkerarm erin gewikkeld. Soms ook beide.
Naast dit officiële gewaad werd tenslotte ook nog in de vrije tijd en soms tijdens de huisbezoeken de kamerjapon gedragen. Verschillende predikanten lieten zich er ook in afbeelden.'
Het boek (100 pag.) kost tot december ƒ 12, 95. Daarna is de prijs ƒ 22, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's