Gebod en belofte (4)
Pastorale overwegingen
Wie de bevelen van de Heere Jezus losmaakt van Zijn persoon en werken, komt onherroepelijk te staan voor onuitvoerbare opgaven.
Evangelische gehoorzaamheid
Wie de bevelen van de Heere Jezus losmaakt van Zijn persoon en werken, komt onherroepelijk te staan voor onuitvoerbare opgaven.
Hoe zwaar zijn dan niet de voorschriften. In die trant gaan we dan trouwens spreken. Voorschriften, recepten, leefregels, noemt u maar op. Dat wordt alles erg zwaar, wettisch, vol van werkheiligheid. Doe dat en gij zult leven. Zeker dat is de inhoud van het gebod. Maar wij zijn niet gebleven, die we waren. Het gebod is heilig en goed; wij zijn onheilig en verdorven. Ook is er geen dubbele weg tot de zaligheid: voor de christen uit de heidenen de weg van de rechtvaardiging van de goddeloze, voor de man of vrouw uit Israël de weg van de wetsbetrachting. De kerkelijk-meelevende wordt door niemand anders en op geen andere wijze behouden dan de buiten-kerkelijke. Maar hebben we Christus ontmoet op onze levensweg en werkte de Geest het geloof in Hem in het hart, dat wordt ervaren en beleden met Johannes: en Zijn geboden zijn niet zwaar. Wettische kunsten, och, wie ontdekt die niet bij en aan zichzelf, als God ons schuldenaar doet worden voor Zich? Hoeveel vijandschap tegen vrije genade wordt niét blootgelegd bij de ontdekte zondaar, die poogt zelf voor herstel te zorgen. Wat een last zijn de inzettingen des Heeren. Men vertilt zich eraan. Maar als de grote Wetsvolbrenger ons wordt geopenbaard en we achter Hem aan komen, leren we een evangelische gehoorzaamheid betrachten. Niet krampachtig, om wat te presteren en wat te betekenen, om onszelf waar te maken, maar uit verwondering over zoveel liefde Gods tot het verlorene. Dan gaan we ook ontdekken dat wat buiten Christus om onvervulbaar is door en vanuit de liefde vanzelf gaat. Dan wordt het leven uit de belofte naar de geboden Gods gekend als een wandel. En u weet, wandelen is niet slenteren van verveling, of rennen in zenuwachtige haast, maar verlustiging en vergenoeging. Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.
Nog iets over de volgorde
Meer dan eens is bezwaar tegen de leer van de Heidelberger, wanneer aan het zaligmakend geloof vooraf gaat de kennis der zonde uit de wet Gods. De een zegt: het is alleen maar een pedagogische volgorde die het leerboek voorstelt. Een ander beweert, dat men bij het kruis pas eigen zonde en schuld ziet. Een derde zegt: God redt eerst en doet dan pas terugzien op de diepte en donkerheid van het verloren bestaan. Petrus werd wegzinkend in de golven, eerst gered en daarna pas bestraft! Men kan beter spreken van gebod en belofte. Het is: Evangelie en Wet, en niet omgekeerd. Ik citeer nu eerst wijlen ds. J. van Sliedregt in zijn bekende catechisatieboekje: er zijn er altijd weer, die menen, dat vanuit het kruis de ellende wordt gekend. Maar de Bijbel leert ons, dat de Heilige Geest overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel, opdat de zondaar verlossing in Christus zoekt. Als er geen nood is, is er ook geen uitzien naar verlossing. Daarom pleit ik ervoor te spreken over: gebod en belofte, Wet en Evangelie.
Geen systeem!
Helaas zijn we zo snel ertoe geneigd van de leer der genade een systeem te maken. Dat gebeurt als we in de prediking verkiezing voorop plaatsen en vandaar uit beschouwen en redeneren. In dit verband denk ik aan een uitspraak van wijlen prof. J. J. v. d. Schui.
Wie voor de koplampen van een auto gaat staan 's avonds, ziet niets. Maar wie er achter zit aan het stuur, overziet de weg en kan rijden. Vervolgens is daar een orde des heils. Maar wij hebben daar geen spoorlijn met stations eraan van te maken. De Heere is zo vrij en werkt zo almachtig. De een komt onder de indruk van Gods goedheid tot bekering. Dat de Heere zo goed is! Daarvoor past dankbaarheid. Maar: waar is die en hoe? Een ander wordt aangegrepen door een sterfgeval, 'als ik dat nu eens was geweest, zou ik dan God hebben kunnen ontmoeten?' Een derde wordt allengs grootgebracht in de vreze des Heeren en dient van der jeugd af aan de Heere. Maar bij de eerste bekering gaat - schrijft ds. van Sliedrecht terecht - het stuk der ellende voorop. Hoe dan ook, we komen aan de weet met ons verloren leven voor God niet te kunnen bestaan. Hij zegt: Gij zult. Wij moeten belijden: ik deed het niet. Hij zegt: Gij zult niet. Wij moeten bekennen: we deden dat zeer wel.
Zonden van bedrijf, zonden ook van nalatigheid. Schuldig, aan al de geboden. Dat is geen eigen ontwerp van een genade-systeem, maar praktijk, doorleving van dodelijke armoede en schuld, opdat er verlossing mocht komen. En er is ook verschil tussen Goddelijke verkondiging en openbaring enerzijds en doorleving en praktijk aan de zijde van de mens aan de andere kant. De Heidelberger stelt terstond reeds in de eerste zondag aan de orde de rijkdom van de enige troost in leven en sterven. Maar het leerboek verzuimt niet ons de weg te wijzen hoe men tot die troost kan gebracht worden: hoeveel stukken zijn u nodig te weten...?
De rechte weg
Men heeft wel eens beweerd, dat Gods weg van de wet tot het evangelie gaat, in sterke verbinding met Luthers opmerking over het tweede gebruik van de wet. Tegenstanders daarvan wezen er op, dat het Oude Verbond, waarbij en waaronder de wet op de Sinaï werd gegeven, een Genade-verbond was. Karl Barth wijst er met nadruk op, dat de beide wetstafels rustten in de ark des Verbonds. Onder het Oude Testament ging dus reeds de weg van het evangelie naar de wet. De wet is onderdeel zelfs van het evangelie. Toch rijzen hier bedenkingen. Net zomin als men de schepping ondergeschikt mag maken aan de verlossing, kan men de wet ondergeschikt maken aan het evangelie. De wet is niet alleen maar tuchtmeester tot Christus! Bovendien is wel waar, dat het gehele karakter van de goddelijke openbaring vol van gunst en genade is, maar de uitwerking ervan in het leven van Zijn kinderen moet niet worden veronachtzaamd. En tenslotte moet men bedenken over wie gesproken wordt, over de door Christus' bloed verloste zondaren of over hen, die nog niet tot het zaligmakend geloof in de Verlosser gebracht werden. Daarbij moet men echter tegenover Barth niet in de fout vervallen om de wet Gods te verzelfstandigen, los van het evangelie der zaligheid. Is de wet alleen maar voor de onbekeerden (te prediken) en de belofte der genade alleen voor (ontdekte) gelovigen?
W. Chr. Hovius
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's