De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

‘Samen op Weg onomkeerbaar’

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

‘Samen op Weg onomkeerbaar’

Werkverslag voor combi-synode

14 minuten leestijd

De constatering in het werkverslag dat 'Samen op Weg' in bepaalde gemeenten (en hoeveel zijn er dat? ) in het geheel niet gaat, make beducht om de bedoelde hereniging van bovenaf op te leggen.

Opnieuw aandacht voor 'Samen op Weg'. Op 17 en 18 november a.s. wordt in Lunteren namelijk opnieuw een gemeenschappelijke vergadering van de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk en de generale synode van de Gereformeerde Kerken gehouden.

Er is een werkverslag met bijlagen opgesteld door de 'Raad van Deputaten Samen op Weg', een verslag dat we, gezien de omvang ervan, onmogelijk in finesses kunnen bespreken (totaal 174 pagina's). Maar uit alles is duidelijk: het streven naar hereniging met de Gereformeerde Kerken gaat onverminderd en in versneld tempo door. Het in gang zijnde proces, dat 'Samen op Weg' heet, is onomkeerbaar, zo lezen we in de stukken.

Concreet wordt nu op het volgende gemikt. Na deze gecombineerde synode, waar het genoemde werkverslag aan de orde komt, moet er tegen eind 1984 sprake zijn van 'samenstemming t.a.v. het kerk-zijn', er moet dan dus overeenstemming (consensus) zijn inzake de leer aangaande de kerk. In 1985 moeten de 'mindere kerkelijke vergaderingen' geraadpleegd worden inzake de hereniging van beide kerken en er moet dan naar worden gestreefd dat in 1986 een acre wordt vastgesteld, 'waarin beide kerken verklaren zich te bevinden in een staat van hereniging'.

Het wordt ernst?

Het blijkt liit alles dat het ernst wordt. Éérst concensus, dan een acte inzake hereniging! En bewust is gekozen - zo luidt de toelichting - voor de jaren 1984 en 1986, zijnde jaren waarin respectievelijk herdacht wordt 150 jaar Afscheiding en 100 jaar Doleantie.

Hier zet ik intussen in met een vraagteken. Want 1884 heeft met één en ander dunkt me, niet zoveel te maken. De Gereformeerde Kerken, ontstaan uit de Doleantie van 1886, kómen niet uit de Afscheiding. Men kan tegenwerpen dat bij de hereniging in 1892 (een deel van) de Christelijk Gereformeerde Kerk, wél ontstaan uit de Afscheiding, zich met de dolerenden verenigde, maar dat gebeurde dan ook in 1892. De jaren 1984 en 1986 hebben, wat de Gereformeerde Kerken betreft, niets met de Afscheiding van doen. Maar bovendien, het is ook niet fair de Afscheiding er nu bij te noemen. Want er is geen enkele serieuse poging geweest om in het huidige proces van 'Samen op Weg' ook maar enige aandacht aan de (echte) kerken der Afscheiding te geven. De Acte van Afscheiding en Wederkeer (wederkeer tot de Dordtse kerkenorde, de gereformeerde confessie en zó tot de kerk der vaderen) is de volstrekt afwezige. Wél wordt gezegd, dat hereniging van beide kerken 'geen einddoel, maar een gebeurtenis van wijdere oecumenische strekking' is„ maar die wijdere oecumenische strekking zien we - én blijkens eerdere stukken inzake 'Samen op Weg' én blijkens de praktijk in allerlei hervormde en gereformeerde gemeenten, zich eerder voltrekken naar kerkep met minder of geen gereformeerde signatuur dan naar kerken van echt gereformeerde confessie. Men spreekt van 'katholieke verscheidenheid van ervaring en beleving van gemeenschappelijk beleden geloof'. Me dunkt dat we dan 1884 tóch maar even moeten vergeten. Het gaat nu om 1886 en daarom 1986, om de acte die dan komen moet. Geen acte van wederkeer maar acte van (bereidverklaring tot) hereniging.

Kernen van belijden

Is er perspectief voor overeenstemming van en in beide Kerken ten aanzien van het verstaan van de kerk? We moeten dan uitgaan van het hart van het evangelie en niet van vragen over de grenzen van de kerk, zo wordt gezegd. In de Reformatie ging het - ter nadere positiebepaling naar Rome tóe - om het Sola Scriptura (alléén de Schrift), Sola Gratia (alléén de genade), Sola Fide (alléén het geloof). Deze zaken hebben (toen) als herkenningspunten (van de Reformatie) dienst gedaan en nu - voor onze tijd - wordt wéér voor drie herkenningspunten gekozen: 'de erkenning van de souvereiniteit van het Woord Gods', 'de belijdenis van het unieke van de genade' en 'de bezieling door de moed van het geloof'.

Beknopt worden deze drie herkenningspunten toegelicht. Ik moet zeggen dat deze (korte) notities van 'Kennen en Belijden' teleurstellen. Bij alle waardering voor het goede, rijst tóch de vraag van meet af of deze drieslag helemaal spoort met de eerst genoemde reformatorische drieslag.

Als over het souvereine van het Woord gesproken wordt, scherp als een tweesnijdend zwaard, is de toepassing: 'Concreet betekent dit, dat elke christen een door Christus zelf geschonken vrijheid heeft om het Woord Gods naar zijn geweten te lezen en 'te verstaan'.

Spoort deze gedachte écht met het 'Sola Scriptura', met de gedachte dat het Woord gezag in zichzélf, los van wat wij ervan verstaan, heeft? Of wordt hier de deur geopend naar individuele vrijheid (de vrijheid van 'elk christen' immers), los van wat de kerk der eeuwen als in het Woord vaststaand beleden heeft? Er is immers vandaag nogal wat vrijheid! De vrijheid is in dit stuk niet afgegrensd.

Over het unieke van de genade worden goede dingen gezegd (onvoorwaardelijk, diepe verrassing voor een wereld verloren in schuld) maar is de overstap, nl. reformatorische christenen, die 'partijgangers der armen' heten te zijn, op directe belijdenis van het Sola Gratia? Te snel wordt me de overgang van het unieke van de genade naar de dienst van de christen aan de wereld gemaakt. Die mag er weliswaar de consequentie van zijn maar als over genade gesproken wordt moét het bij die genade, voor goddelozen door vreemde vrijspraak, blijven, willen we die belijdenis niet diffuus maken.

En dan het derde: bezieling door de moed van het geloof. Laat ik maar direct zeggen, dat deze notie in, het stuk mij van meet af te triumfantelijk voorkomt. Nog vóór iets over het geloof zelf gezegd is, is men bij de 'daadwerkelijke zijde van het geloof'. En dan citeer ik letterlijk: 'Hoewel de waarheid van (deze aspecten (de vragen nl. aangaande de - zekerheid van - het heil, v. d. G.) niet ontkend kan worden, toch is het bijbels beeld van het geloof niet zozeer dat van een angstig wegschuilende ziel, (curs. van mij, v.d.G.) alswel het koninklijke, dat moedig in de Naam van de Heer staat voor de zaak van Zijn Rijk. Met een confessie in de hand, die de weg wijst naar de zekerheid van het kindschap van God, zouden de kinderen van de Heer in deze tijd meer moed kunnen vatten voor kerkelijke en maatschappelijke taken. Hier ligt niet een barrière tussen geestelijke ongelijktijdigheden, maar een bodem voor gemeenschappelijke actie'.

Ik kan niet anders zeggen dan dat ik zulk een passage wantrouw. Men verwijt mij dan niet dat ik geen oog zou hebben voor de maatschappelijke relevantie van het geloof. Maar ik mis hier het bedelaars geloof. 'Wir sind Bettier, hoc est verum', zei Luther (We zijn bedelaars, dat is de waarheid). Het kale, naakte geloof zoekt heul bij God, zoals de mus bij het altaar uit Psalm 84. De Bijbel kent wel terdege het beeld van de angstige ziel (schuchter vanwege de zonde, de eigen aard, de machten in de wereld), maar die nochtans schuilt bij God. Hier ligt de boodschap van genade voor verlorenen, dat God hen door het geloof, als de lege hand waarmee ze als onwaardigen de genade mogen ontvangen, hun toevlucht tot God nemen. En dat er dan moed is, zal waar zijn. 'Delf vrouw en kinderen het graf', riep Luther. Maar het was de moed van het wegschuilende geloof. We moeten tussen schuilen en moed vatten geen onbijbelse scheiding aanbrengen.

Het belijden zelf

En dan het belijden zelf. Uitvoerig wordt gesproken over eenheid en pluraliteit (veelvormigheid) in de gemeente. Maar uitgangspunt bij voorbaat is: de eenheid in Christus. We moeten elkaar dan ook niet te gemakkelijk afschrijven, al kunnen er momenten komen 'waarop naar het oordeel van sommigen of velen grenzen overschreden worden, die niet overschreden mogen worden'. De eenheid in Christus lijdt niet 'tot strenge eenvormigheid in belijdenis en dienst'.

Jammer dat het er zó staat. Niet tot eenvormigheid in belijdenis. Hier wringt immers de kerkelijke schoen vandaag! Onze belijdenis is geen gezamenlijk accoord meer, waarbinnen dan weliswaar verscheidenheid mogelijk is.

Die belijdenis der kerk betreft namelijk ook niet alléén het hart van het evangelie (dat eerst) maar raakt ook voluit de grenzen van de kerk. Als dan in de nota gezegd wordt, dat we bij de bezinning inzake de nieuwe reformatorische kerk ons niet allereerst moeten laten beheersen naar de vraag over de grenzen van de kerk, dan wordt hiermee dunkt me het gezag, hoewel van het Woord afgeleid gezag, van de belijdenis afgezwakt. Want de belijdenis grenst wel terdege af, naar valse leer toe.

Het gezag van de belijdenissen en belijdenisgeschriften hangt dan ook volgens de nota's af van de vraag 'in hoeverre zij niet in zichzelf rusten, maar verwijzen , naar het vrije horen van de Schrift'. Weer dat vrije horen. Maar mag het ook zijn het horen in gemeenschap met en in gebondenheid aan het belijden van de kerk der eeuwen, totdat uit de Schrift zélf het tegendeel blijkt? Want vrij horen kan langzaam maar zeker ook Vrijzinnig horen worden.

Dat brengt me in dit verband op een laatste opmerking. Gezegd wordt: 'tussen de Gereformeerde Kerken en de Nederlandse Hervormde Kerk is het nu geen strijdpunt meer, dat de acte van belijden tevens inhoudt de noodzaak te weren wat het belijden weerspreekt'

In de Hervormde Kerk is ervaren, dat een belijdenisloze kerk een tegenspraak is in zichzelf, in de Gereformeerde Kerken is beseft dat leertucht hachelijker is dan weleens wordt gedacht.

In feite hebben de kerken elkaar nu echter, dunkt me, gevonden in een diffuus belijden. Want het belijden de kerk wórdt allerwegen weersproken en dit weerspreken wordt niet of nauwelijks geweerd. We hebben in eigen kerk de voorbeelden voor het grijpen: neem maar de hele beweging 'christenen voor het socialisme', met de ontkrachting van de leer van de verzoening daarachter. En neem in de Gereformeerde Kerken vandaag de opvatting van ds. H. Wiersinga over zonde en genade (vrijzinnige theologie, schreef prof. dr. K. Runia). In 'Vrijzinnig Vizier', informatie en opinieblad van de (een) Nieuwe Vrijzinnige Omroep, stond als één van de resultaten van een enquête, die het Instituut voor Toegepast Wetenschappelijk Onderzoek aan de Vrije Universiteit kort geleden heeft gehouden: 'Erosie (uitslijting, v. d. G.) van Gereformeerde Kerken verloopt via vrijzinnigheid'. We zullen de laatste zijn om te beweren, dat vrijzinnigheid kenmerkend is geworden voor het gehéél van de Gereformeerde kerken, maar, bij alle goeds, dat we in bepaalde organen van de Gereformeerde Kerken gelukkig ook vandaag lezen, houden we ons hart vast als we zien hoe snel het gaat. Daarom is de opmerking, dat er, aangaande het weren van afwijking van de belijdenis, geen strijdpunt meer bestaat tussen de Hervormde en de Gereformeerde kerken, eerder een uiting van confessionele zwakte dan van frank en vrij belijden.

De Gemeente

Dat brengt me tenslotte op de kern waar alles om draait: de gemeente! Want daar klopt het hart van de kerk. Het is zo langzamerhand een oud gegeven, ook nu weer herhaald in deze stukken, dat er geen samenwerking is in gemeenten, 'waar aan hervormde zijde de richting van de Ger. Bond alle of heel veel invloed heeft'.

Het woord modaliteit, op gang gekomen in de naoorlogse jaren, is hier weer ingeruild voor richting. En gezegd wordt dan dat de plaatselijke samenwerking in die gevallen te lijden heeft, onder de in het algemeen negatieve publiciteit, die het samen-op-weg gebeuren ondervindt in de publicaties vanuit de leiding van de Ger. Bond.

Me dunkt dat dit artikel ook onder dat oordeel zou kunnen vallen. Maar men vergisse zich niet. Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond heeft, in de traditie van de mannen van het eerste uur en van hen die daarna volgden, in eigen kerk niet anders gedaan dan de vinger leggen bij de noodzaak van het samen belijden van onze gemeenschappelijke belijdenis. De binnenkerkelijke kritische opstelling ten deze is nu bij Samen op Weg noodzakelijkerwijs interkerkelijk verbreed. Want als in de stukken wordt uitgesproken, dat samenwerking van Gereformeerden met (niet-gereformeerde) deelgemeenten in de Hervormde Kerk gemakkelijker verloopt dan met gemeenten van Gereformeerde Bondssignatuur, dan is de zaak van de verwantschap in feite beantwoord.

En als ik dan zeg, laten we ons niet vergissen, dan bedoel ik slechts te zeggen dat - publikaties van de leiding van de Gereformeerde Bond of geen publikaties - in de gemeente een fijne neus aanwezig is als het gaat om het onderkennen van de prediking en de verwantschappen, die ten deze bestaan.

Laat ik nu maar gewoon tot de alledaagse praktijk afdalen. Op een vergadering kort geleden zei iemand, dat een afvaardiging van een gereformeerde kerkeraad aanwezig in de afscheidsdienst van een hervormd-gereformeerd predikant ter plaatse, zich in een andere (taal-)wereld waande, terwijl de bedoelde voorganger toch echt geen frans of arabisch pleegt te spreken. Maar onder een prediking, die je niet (meer) verstaat, is het slecht toeven. En dat geldt dan over en weer.

Ik zie hervormd-gereformeerde gemeenteleden ook nog niet meedoen in kerkdiensten waar - om enkele willekeurige voorbeelden uit de praktijk van vandaag gegrepen te noemen - de dominee aan het begin van de dienst de aanwezigen opwekt elkaar toe te klappen, of waar na de doop van kinderen wordt aangeheven 'Lang zal ie leven' of waar een kind van een lesbisch paar wordt gedoopt... enfin vul andere hedendaagse fratsen maar in.

Vóór mij ligt 'Kerknieuws' van Scheps. 'Onrust door, grote theologische verschillen' heet een artikeltje over gereformeerd Waddinxveen, waar een 'tijdelijke werkgroep' zich kant tegen de pastor loci, ds. P. v. d. Berg, die - zo wordt gezegd - de maagdelijke geboorte loochent, de Godheid van Christus ter discussie stelt en een visie op de verzoening heeft, die in strijd is 'met het geloofsbelijden van onze kerken'. Hier gaat het om! Om zulke zaken ligt het in de Hervormde Kerk zelf ook verdeeld en ligger gemeenten ook gescheiden.

De inhoud van de prediking is toch het centrale, waarop de gemeente reageert. Als de gemeente niet meer vermaand en opgewekt wordt tot het toevluchtnemend geloof dan zoekt men de toevlucht gemeentelijk nogal eens elders. Is dat ook de praktijk niet geworden in menige gemeente in de Gereformeerde Kerken, zodat de uitwijk genomen wordt naar een andere gemeente of een andere kerk, omdat de prediking politieke stenen geeft voor geestelijk brood? Juist ten aanzien van deprediking is er sprake van grote verschuiving binnen de Gereformeerde Kerken. Ds. J. O verduin liet daarover in een recent interview in het Centraal Weekblad bij zijn 80e verjaardag ook geen onduidelijkheid bestaan. En hij heeft toch altijd met twee woorden gesproken, over het persoonlijke geloof en over de consequenties voor de levenspraktijk.

De prediking van Abraham Kuyper - zijn leer van de veronderstelde wedergeboorte ten spijt - zou het nu in bepaalde gemeenten van gereformeerde signatuur nog wel kunnen doen vanwege de geestelijke inslag. Maar ik denk dat hij in eigen kerk óp zou kijken als hij nog eens kijken kon. Zou hij door zijn nazaten in Zijn prediking nog worden verstaan?

In de Hervormde Kerk heeft de gemeentelijke wal bepaalde theologische schepen nogal eens gekeerd. Ik bedoel, ouderlingen zitten op de leer en bewaken óók nog een keer de kansel.

Zodat de hele gewone, maar dan ook confessioneel-gewone praktijk zich voordoet, dat niet elke hervormde kansel voor iedere hervormde dominee open staat. En bij concretisering van 'Samen op Weg' zal zich dat ongetwijfeld uitbreiden tot gereformeerde predikanten. En daarom, 'Samen op Weg' mag onomkeerbaar genoemd worden en ook lijken, maar als het tij niet keert in belijdend opzicht, dan keert de wal opnieuw het schip. Want onder de prediking gaan harten nog altijd open of ze klappen toe.

Hier kan men in ecclesiologisch opzicht de Gereformeerde Bond zwak noemen, maar het handhaven van de pure doctrinó, van de zuivere leer, is nog altijd óók kenmerk van de Kerk, in de prediking.

De constatering in het werkverslag dat 'Samen op Weg' in bepaalde gemeenten (en hoeveel zijn er dat? ) in het geheel niet gaat, make beducht om de bedoelde hereniging van bovenaf op te leggen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

‘Samen op Weg onomkeerbaar’

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's