Krachteloos maken van de Wet
De wet Gods is heilig en goed. Uiteraard, want alles wat van God komt, is goed.
De wet Gods is heilig en goed. Uiteraard, want alles wat van God komt, is goed. Toen de Heere na de schepping al het geschapene bezag, dag na dag, zo zag Hij, dat het goed was? de eerste dag, de tweede dag, de derde dag, de vierde dag, als Hij de levende dieren in de zee en in de lucht geschapen had, staat er nog bij, dat Hij ze zegende. Dat was op de vijfde dag. En als Hij dan op de zesde dag de levende zielen voor de aarde schept, alles naar Zijn aard, dan staat er eerst wederom, dat Hij het bezag, dat het goed was. En dan op dien zelfden dag zegt de Heere: 'Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld en naar Onze gelijkenis'. Man en vrouw schiep Hij ze naar het beeld Gods. En God zegende ook hen. En dan staat er, dat Hij zag al wat er gemaakt was, en zie: het was zéér goed. Naar Ons beeld en naar Onze gelijkenis, met heerschappij over de gehele aarde. Dat meervoudige spreken Gods doet zien, dat dat beeld Gods was zowel het beeld des Vaders, als dat des Zoons, als dat des Heiligen Geestes. En dan komt de zevende dag, de Sabbath, waarop de Heere Zelf rustte van al Zijn arbeid. Met die rustdag heeft de Schepper Zijn werk volmaakt. 't Was ook de eerste dag, die de mens op aarde was, nadat hij op het einde van de zesde dag geschapen was.
Alles goed, op elken dag, maar toen de mens geschapen was, was het zéér goed. En dat in Gods ogen. Het beeld Gods, waarin de mens geschapen was, bestond in kennis, gerechtigheid en heiligheid. Dit drietal eigenschappen bevatte het hele beeld Gods. Men noemt dat de ingeschapen zede wet, waardoor de mens God zijn Schepper recht kennen. Hem van harte liefhebben en met Hem in zaligheid leven kon. Dat de Wet Gods heilig en hemels is, hoorden wij een vorig maal. De geboden Gods zijn de vastigheid van Zijn troon, als het ware de zuilen, waarop Zijn troon rust. De zondeval is gekomen en het beeld Gods is in den mens verloren gegaan. De wet die ten leven was, is verbroken, keerde zich veroordelend tegen den mens. En God komt om Zijn réchten, handelt over wat Hij gedaan had, volledig met Adam, met Eva daarbij, met de slang daarbij.
En wonder van genade, geeft Hij daar terstond de belofte van genade voor Adam en Eva in hét Zaad. 'Voor hen en hun zaad. En wij zien terstond in de eerste hoofdstukken van den bijbel een vroom zaad optreden tegenover een goddeloos zaad. En God gedenkt aan Zijn verbond, dat Hij van eeuwigheid had met den Zoon, toen Die was spelende in den schoot des Vaders, toen Zijn vermakingen waren met de kinderen der mensen, dje bestemd waren om Zijn deel- en speelgenoten te zijn, in de teere verhouding zelfs van een bruid voor den Bruidegom.
Zo zien wij Gods Vaderlijke barmhartigheid door die oude geslachten heen, via Abraham en zijn zaad, gaan naar het volk, dat Gods volk genaamd is: het Israël Gods. Het is als familie heengetogen naar Egypte, waar het in vierhonderd jaar tot een volk groeit. En Israels geboorte als volk vindt plaats als het wordt uitgeleid uit Egypte onder Mozes en Aaron.
De geboorte van Israël als volk vindt plaats bij den Sinaï, als God in de bondssluiting Zich verklaart de God van dit volk te zijn. En daar proklameert de Heere Zijn wet voor de oren van het volk en schrijft die met Zijn vinger in de twee tafelen. Welke wet gaat meereizen in de Ark onder het verzoenend bloed tot in Kanaan, waar de Wet tot een eeuwige inzetting wordt voor Israël. Maar nooit los van dat eeuwig verbond, dat de Vader met de Zoon had. Nooit los van Christus, nooit los van dat verzoenend bloed op het verzoendeksel, dat op de ark des Verbonds lag, waarin de wetstafelen lagen beschreven met Gods eigen vinger, vooraf gesproken met Gods eigen stem (waarvoor het volk eens zo vreesde!). Het was, of er al door Israël ruiste: 'God heeft Zijn heil'ge Wet bij hen ingezet, Die door 's Heeren kracht van hen werd volbracht, 't Nakroost der Hebreeuwen, volge dit al d' eeuwen'. Zo heeft de Wet in Israël vanuit de eeuwigheid (Gods troon), vanuit het Paradijs (de Moederbelofte), vanuit de Bondssluiting bij Sinaï (de Wetsstenen in de ark) door heel Israels historie in verband gestaan met Christus, met het Evangelie. Straks word die relatie heerlijk vervuld in het Nieuwe Testament, waar Christus de heilige Wet draagt in Zijn binnenst ingewand en als het ware bloed der verzoening de Wet verzoenend voldoet, besprengt en zo opnieuw deze Wet bij hen in zet tot een leefregel der dankbaarheid. In Jezus' offer wordt inderdaad de Wetgeving ontdaan van haar beschuldigende, veroordelende functie, én wordt de instelling van de Wet metterdaad het feest van de Vreugde der Wet. Als Jezus dan ook in Zijn discipelkring zegt: 'Hieraan zult gij ze bekennen, dat ze Mijne discipelen zijn, zo ze Mijn geboden bewaren'. Inderdaad zijn de Geboden van God den Vader, evenzeer de Geboden van God den Zoon en van God de Heiligen Geest. Zo zijn de geboden niet los te maken van Gods recht en evenmin van verzoening in Christus. En het is de Heilige Geest, Die overtuigt naar de Wet, maar Die het ook uit Christus neemt en het den overtuigden zondaren schenkt, dat de veroordeling der Wet weggenomen is door het verzoenend bloed, en het is wederom de Geest, die de Wet uit Christus, uit de ark neemt, om die tot een leefregel der dankbaarheid bij hen in te stellen. Daarom staat er ook, dat de Heilige Geest in de harten der Zijnen de Wet ingrift, als op vleesen tafelen. Het wordt voor hen hartewerk, uit het diepst van hun wezen, om die geboden te doen uit dankbaarheid. En dat uit liefde tot God den Vader, omZijn verkiezende liefde. En dat uit liefde tot God den Zoon, om Zijn verzoenende liefde, en dat uit liefde tot God den Heilige Geest, om Zijn ontdekkende, en tevens om Zijn heiligende liefde.
En wie nu de Wet uit de verbanden van dit trinitarisch Godswerk losmaakt - het zij des Vaders verkiezing - het zij Christus' verzoening - het zij des Heiligen Geestes heiligmaking, die heeft de Wet van haar plaats bij God beroofd en die is op zichzelf aangewezen. En die zal wéten, dat zonder God den Vader, zonder God den Zoon, zonder God den Heiligen Geest de Wet niet zijn kan en niet zijn wil. Die zal weten, dat door de werken der Wet geen vlees gerechtvaardigd kan worden. Wat Adam, in het Paradijs verloren heeft, dat kunnen wij, Adamskinderen, niet weer oprapen. Dat heeft de tweede Adam gedaan, ónze Héére Jezus Christus. Hij alleen en Hij volkomen is de vervulling der Wet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's