In Gods weg
En zijn hart verhief zich in de wegen des Heeren. 2 Kronieken 17 : 6a
We lezen bij de profeet Amos: 'Zullen twee tesamen wandelen, tenzij dat zij bijeen gekomen zijn?' Dat wil zeggen, tenzij ze het samen eens geworden zijn.
Nu de Heere in Zijn onbegrijpelijke liefde met koning Josafat is, kan het niet anders of Josafat begeert ook met de Heere te leven. Gods liefde in Christus tot ons wekt altijd wederliefde. En dat is dan geen vage liefde, maar een liefde tot zijn Woord en tot Zijn dienst. De bekering tot God is onmisbaar voor een ieder van ons. Maar het leven met de Heere is meer. Het is vruchtbaar zijn in Zijn dienst en in Zijn koninkrijk op de plaats waar we gesteld zijn. Het is de Heilige Geest, die ons door het ware geloof Christus inlijft. Zo alleen komen we in de rechte verhouding tot de Heere te staan. Diezelfde Geest neemt ook de heiliging van ons leven ter hand. Hij reinigt ons hart door het geloof in Christus' bloed en regelt onze levenswandel overeenkomstig Gods geboden. Immers alleen de reinen van hart zullen God zien en Zijn heerlijkheid binnengaan. Geen zaligheid zonder een beginsel van godzaligheid. Hoe ligt dat nu in het leven van koning Josafat?
En zijn hart verhief zich in de wegen des Heeren. Een hoogst merkwaardige uitdrukking. 'k Herinner me nu nog, hoe ik als schooljongen eens de spanning binnen deze tekst beleefde. Bij het bijbellezen aan tafel over Israels koningen stelde ik bij mezelf altijd tevoren vast of het een 'goede of een slechte koning was'. Bij Josafat hield ik het op een 'goede'. De eerste vijf verzen bevestigden deze mening. Maar bij de aanvang van vers zes dacht ik: 'oei dat gaat fout'. Maar dan ineens die onverwachte wending: 'in de wegen des Heeren'. Je begreep er nog niet zoveel van, maar toch wist je intuïtief zeker, dat zit goed. Ons hart verheffen wordt overal elders in de Bijbel ongunstig beoordeeld. Begrijpelijk. Immers het betekent dan, dat een mens zich afkeert van de Heere. Ons natuurlijk hart heeft aan de kennis van God geen lust. We wenden ons in zelfgenoegzaamheid af van de Heere God. We gaan geheel op in de dingen van dit leven. We willen zelf als God zijn. We verheffen ons in mateloze hoogmoed boven Hem en zijn Woord.
Wat een ommekeer dan, als we lezen: 'En zijn hart verhief zich in de wegen des Heeren'. Het is de toewending naar God. Het zich verlustigen in God en in zijn Woord. Van Gods nabijheid gaat een heiligende invloed uit. Niets is zo strijdig met Gods nabijheid dan de afgodendienst. Als de Heere met ons is, gaan de afgoden onherroepelijk de deur uit. Josafats hart is is gericht om de Heere te dienen. David, de man naar Gods hart is zijn grote voorbeeld. Die kende de geloofszekerheid: 'Al ging ik ook door een dal van doodsschaduw, ik zou geen kwaad vrezen. Want Gij zijt met mij' (Ps. 23). En in een andere psalm getuigde hij: 'Eén ding weet ik, dat God met mij is'.
Heerlijk geloofsgetuigenis. Daar gaat een ontspannende rust van uit. Een begeerlijke en onmisbare zaak voor een ieder van ons. Staan we er ook naar? Niet haalbaar voor mij zegt iemand. Toch leven we onder een veel rijker heilsopenbaring dan koning Josafat. In de prediking van het Evangelie wordt de Heere Jezus Christus, Immanuël, ons voor ogen geschilderd en ons aangeboden rnet bevel van geloof en bekering. Wie we ook zijn, we mogen en behoren ons te wenden tot Hem, zo dikwijls we zijn roepstem horen in de evangelieprediking. Hij zegt: 'Wendt u naar mij toe alle gij einden der aarde en wordt behouden'. Laat er dan enkel onmacht en onwil zijn aan onze kant. En zo is het! Maar bij de Heere is er alles wat u en mij ontbreekt. En hij is de grote Gever! Hij schenkt, zo gij het smeekt, mild en overvloedig. Bedenk verder nog: 'Hij is nabij de ziel die tot Hem zucht, Hij troost het hart dat schreiend tot Hem vlucht. Dat ongeveinsd in 't midden der ellenden, zich naar Gods troon met zijn gebeen, blijft wenden. Kennen we het? Of laten we alles met 'n: 'het-zal-voor-mij-toch-niet-zijn', op z'n beloop? Dat loopt dan wel uit op een voor eeuwig van God gescheiden blijven!
En als we de geloofsgenade ontvangen hebben. Is er dan ook in ons leven de verheffing van ons hart in de wegen des Heeren? David mag ons weer ten voorbeeld zijn als hij bidt: 'Ik hef mijn ziel o God der goden tot u op, gij zijt mijn God. 'k Heb op u vertrouwd in noden. Weer van mij toch schaamt' en spot.’
Josafat zoekt dan ook de God van zijn vader David en wandelt naar Gods geboden. Hij wil de Heere dienen, niet enkel privé, in de binnenkamer, maar ook in het publiek. Wandelen op Gods weg, is altijd een leven naar Gods geboden en beloften.
David heeft in zijn leven gezongen: 'Hoe lief heb ik Uw wet. Het is mijn doel, de ganse dag, die ijvrig te betrachten'. Josafat kent dezelfde begeerte. Gods wet een regel om naar te leven.
En zijn hart verheft zich daarin. En zijn ziel verlustigt zich daarin. Hij is een unieke figuur in die donkere tijd. Hij vertoont duidelijk messiaanse en theocratisch trekken in zijn ambtelijk optreden. Hoe zal zijn hart en oog gericht geweest zijn op de beloofde Verlosser en Wetsvervuller. Zelf onderwezen in Gods Woord, wil hij door het onderwijs van Gods Woord de weg banen voor vorst Immanuël naar het hart van zijn volk. Vandaar zijn reformatiepogingen.
Terug naar het Woord is zijn parool.
Daartoe heeft hij een soort commissie samengesteld van 16 personen uit de hogere kringen van het volk: vorsten, levieten en priesters.
Deze mannen gaan dan het land door met het Wetboek van God. Het volk wordt bijeen geroepen in steden en dorpen. En de ouderen onder hen horen weer de bekende woorden uit hun jeugd. En de jongeren horen voor het eerst, wat ze gezien hun leeftijd, allang hadden moeten weten. Josafat gaat de onkunde van zijn volk te lijf. Het verbondsvolk gaat door de eeuwen heen verloren omdat het geen kennis heeft. Josafat wil daar iets aan doen. Is dat het werk van een reformator of niet? Zeker is het stukwerk, zoals al ons werk hier op aarde stukwerk is. Maar de aanzet tot reformatie is er.
Over de resultaten van de reformatorische arbeid is ons weinig bekend. Daarom zijn sommige verklaarders nogal pessimistisch gestemd over de hervormingspogingen van Josafat. Ten onrechte, dacht ik. Het begin ervan lag onmiskenbaar bij God. De Heere is de grote Initiatiefnemer. En het zaad van het Woord wordt in geloof gestrooid. De Heere staat erachter. En wat in Zijn opdracht gezaaid wordt, wordt toch nooit een mis gewas. Het levert altijd vrucht op, hetzij dertig of zestig of honderdvoudig.
Waren er in onze tijd binnen onze regering maar meer mannen zoals Josafat. Mensen die de Heere vreesden en die zich bewust waren dat de overheid Gods dienaresse is. We erkennen het verschil tussen het volk Israël en ons volk. Toch geloven we dat de reformatorische visie op het ambt en de roeping der overheid, de enig juiste is.
Onze tijd is daar verder van verwijderd dan ooit tevoren. Terwijl ik deze meditatie schrijf, gaat er een golf van geweld door de hoofdstad van ons land en door andere steden. In plaats van de ongebondenheid van de mensen te bedwingen wordt hen veelal de vrije hand gelaten. Gods Naam wordt al meer weggedrongen uit het openbare leven. En binnen verschillende kerken van de reformatie komt er al meer een los-van-het-Woord-beweging op gang. De mens is dan de maatstaf van waarheid en zedelijkheid. Zo zinken we al dieper weg in het moeras.
Waar zijn de mannen van het geestelijk gehalte zoals een Josafat? Mensen die desnoods alleen durven te staan als het gaat om de eer en de dienst des Heeren. Nee Josafat is bepaald geen kluizenaar, geen wereldmijder. Hij wil het Woord van God ook gestalte geven binnen de samenleving.
Zo schreeuwt ook onze tijd om mensen, die eerst door de Heere geleerd zijn. Mensen die ook bewogen zijn met de nood van de wereld. Maar die toch niet volgens de agenda en het schema van deze wereld handelen. Josafat gaat in gebondenheid aan Gods Woord een eigen weg. Zeker, het: 'maar gij geheel anders', staat als geloofshouding vandaag niet hoog genoteerd. Ook niet binnen de kerk. Toch is dit door en door bijbels en reformatorisch.
Mannen als Josafat, Luther en Calvijn kenden de hunkering naar de openbaring van Gods gerechtigheid op aarde. Vanuit die verwachting hebben zij het volk opgeroepen tot bekering en... poogden ze de wet en het gezag te herstellen.
In onze dagen is de wetteloosheid in volle aanvang en alles wijst erop dat we een tijd van ongekende dictatuur tegemoet gaan over allen die op willen komen voor de Naam en de zaak van Christus. Dit heeft niets te maken met het zogenaamde doemdenken. Maar het is een voluit bijbelse gedachte dat de uitbrekende zonden, het grootste gevaar vormen voor een volk. God bezoekt en straft de zonde. En hij is daar onder ons al volop mee bezig.
Evenwel blijft er de geloofsverwachting, dat de Heere onder alle omstandigheden met zijn kerk blijft.
Hij zal zijn volk dat het Woord zijner lijdzaamheid bewaard heeft. Openbaring 3:8, ook bewaren in de ure der verzoeking die over de gehele wereld komen zal.
Laten we hopen en bidden, dat de Heere in Zijn onvernietigbare trouw dwars door de gerichten, die over ons land gaan komen. Zijn verdeelde en verscheurde kerk nog eens zal tot één vergaderen. En dat er nog een tijd van geestelijke opbloei mag komen.
Overigens iedere reformatie hier op aarde blijft gebrekkig. God is de grote Reformator.
Hij zal aan het einde, der tijden: haar die hinkende was maken tot een overblijfsel en haar die verre heen verstoten was tot een machtig volk; en de Heere zal over hen Koning zijn op de berg Sion, van nu aan tot in eeuwigheid' (Micha 4:7).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's