Lijden aan de kerk (1)
Wanneer we spreken over 'lijden aan de kerk' dan is dat nadrukkelijk onderscheiden van het thema 'het lijden van de kerk'.
Wanneer we spreken over 'lijden aan de kerk' dan is dat nadrukkelijk onderscheiden van het thema 'het lijden van de kerk'. De kerk is in de loop van de geschiedenis meer kerk in lijden dan in glorie geweest. Wanneer we de oudtestamentische kerk in ogenschouw nemen, t.w. Israël, dan zien we het volk nu eens tichelstenen bakken en dan, vóór het beloofde land wordt bereikt, veertig jaar omzwerven in de woestijn en door de eeuwen heen gaat het van ballingschap naar ballingschap. En de Nieuw-Testamentische gemeente is geen kalmer vaart beloofd. 'In de wereld zult gij verdrukking hebben', zegt Jezus in zijn afscheidswoord aan zijn discipelen (Joh. 16).
Mattheus 24 spreekt van verdrukking zó groot, dat, als de dagen niet verkort werden, geen vlees behouden zal worden. En Openbaring 13 tenslotte tekent ons het perspectief van het beest dat wereldwijde macht krijgt, dat God en Zijn Naam lastert en de heiligen krijg aandoet.
Maar al dit lijden staat onder een belofte: 'heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen', zegt Jezus; en 'hier blijkt de lijdzaamheid en het geloof van de heiligen', besluit de pericoop in Openbaring 13. De druk van de melk heeft altijd nog boter voortgebracht. Hoezeer lijden in en van de wereld ook vlees kost, zulk lijden loutert ook. 'Want, onze zeer lichte verdrukking', schrijft Paulus aan de Korinthiërs, 'die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid' (2 Kor. 4 : 17).
Aan de kerk
Lijden aan de kerk is misschien wel moeilijker dan lijden van de kerk. Want lijden aan de kerk hangt onlosmakelijk samen met de onvolkomenheid van de kerk zelf. De Nederlandse Geloofs Belijdenis belijdt onovertroffen schoon wat de kerk is: 'een heilige vergadering der ware Christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest'. Als we rondom ons zien, is het er vaak ver vandaan. Het ziet er allemaal zo onverlost uit, schreef eens iemand. En wie zou hem niet gelijk geven, ook al weten we dat er ook gestolde vreugde is, vonken onder de as.
Me dunkt dat, als we spreken over 'lijden aan de kerk', we dat uit tweeërlei gezichtshoek kunnen doen. We kunnen er over spreken uit het gezichtsveld van diegenen, die ambtshalve of in ieder geval door hun dagelijks werk de kerk dienen en om zo te zeggen van dag tot dag, van uur tot uur ervaren wat de kerk is met al haar gebreken. We kunnen er ook over spreken vanuit de gezichtshoek van diegenen, die samenkomen in de dienst van de gemeente, die de prediking aanhoren, die ervaren wat het samen-gemeente-zijn inhoudt.
Eigenlijk kunnen we er ook - en dat is misschien het beste - over spreken vanuit de optiek van allen, die vandaag samen de kerk des Heeren vormen. Dit kan ik het best zo samenvatten: lijden aan de kerk is lijden aan onszelf, niet allereerst aan de ander. Lijden aan onszelf, dat betekent: besef hebben van eigen onmogelijkheden, van telkens falen, het niet halen, doen wat we niet moesten doen of niet doen wat we toch wel schuldig waren te doen.
Maar in ieder geval dat gevoel van onvolkomenheid. Je kunt het nét niet verwoorden, zoals je het zou willen, je bent nét niet voldoende geïnformeerd om bevoegd tot oordelen te zijn, je mist de rust voor bezinning, voor meditatie en gebed, je staat jezelf altijd weer in de weg met je karakter-zonden, je bent altijd weer teveel ik-gericht ten koste van de ander, je onderkent altijd weer onvoldoende de gevaren die dreigen, je dienstbetoon aan de naaste is altijd weer onder de maat, te weinig en te kort, kortom in al ons doen en laten geldt: 'vleselijk, verkocht onder de zonde'. Wanneer we belijden dat de kerk uit mensen bestaat, dan beseffen we dat, wanneer we aan elkaar lijden, we aan onszelf lijden. En Christus leed het meest en het diepst.
De ambtelijke dienst
Ik begin met 'lijden aan de kerk" vanwege de tekorten in de ambtelijke dienst. We bezien dat dan door de bril van de leden der gemeente, die zich onder de ambtelijke dienst begeven, onder de prediking, de catechese, het pastoraat. Nu kunnen we - als gereformeerden onde elkaar, als we die naam willen dragen - natuurlijk direct wijzen op velen, die de kerk in de ambten dienen en die zich ver verwijderd houden van het belijden der kerk. De notoire ketterij, die door de eeuwen opgeld deed en tot vandaag niet dood is, betekent een aparte dimensie aan het 'lijden aan de kerk'. Quis non fleret, wie zou niet wenen wanneer het bloed van Jezus Christus onrein wordt geacht in een theologie der verzoening, die slechts gericht is op het slechten van muren tussen mensen? Wie, die ooit in zijn leven ervaren heeft wat genade voor goddelozen is, zou niet huiveren wanneer in de prediking die genade niet meer doorklinkt en mensen voor de eeuwigheid worden bedrogen!
Er is lijden aan de kerk vanwege valse leer, bij allen die met Petrus mogen zeggen 'een even dierbaar geloof verkregen te hebben'. Er is lijden aan de kerk wanneer stenen voor brood gegeven worden in prediking en catechese. Er is lijden aan de kerk wanneer de ambtelijke vergaderingen niet gestempeld zijn door de vreze des Heeren en door de reine leer, die naar de godzaligheid is.
Maar laten we toch eerst dichter bij huis blijven. Ik doe dat door iets weer te geven uit het prachtige boek van Helmut Thielicke, dat de titel van ons thema draagt: 'Lijden aan de kerk'. Er wordt geleden aan de kerk vanwege haar geestelijke onvolkomenheid, ook in de prediking tot uitdrukking komend, hoe bijbels ook bedoeld en gebracht. Thielicke start zijn boek dan ook met het onderwerp 'de misère van de prediking'. En nu behoeven we warempel alle prediking van vandaag niet omlaag te praten - en dan heb ik om zo te zeggen nog 'gemakkelijk praten' - om toch te beseffen dat kritisch doorlichten van de prediking altijd weer nodig is. Laten we beginnen met te stellen dat veel van de misère veroorzaakt wordt door overladenheid van de predikanten. Thielicke zegt: 'De grote stadspredikant - maar voor wie geldt het vandaag niet? , v.d.G.; - moet zijn avonden uitzitten in esoterische verenigingen, waarin hij steeds weer dezelfde gezichten ziet. En overdag wordt hij verteerd door lessen, begrafenissen, huwelijksinzegeningen, bezoeken en de moloch van zijn bureaucratie.
De voorbereiding voor de prediking heeft vleugels nodig maar er schijnt alleen loodzware ballast te zijn.
Geloofwaardigheid
Maar - en dat is in feite het belangrijkste - is de prediking, met de man erachter geloofwaardig? 'Drinkt de prediker zelf, wat hij op de kansel uitschenkt?', vraagt Thielicke, 'of zweert hij heimelijk bij een ander merk limonade?' Met andere woorden: wóónt de prediker in het bouwsel van zijn leer? Is hij subjectief zeker van de juistheid van zijn overtuiging en huichelt hij dus niet, bewust of onbewust? Waar uw schat is daar zal immers uw hart zijn! We behoeven dit bepaald niet alleen zó toe te passen - Thielicke doet dit allereerst, kortheidshalve - dat er tegenstrijdigheid kan zijn tussen enerzijds het 'met vrome overgave' voorgaan in de dienst des Woords en anderzijds 'met hardheid optreden tegen de naaste'. ( Dan valt te denken aan het ontdekkend woord van Mattheus: 'laat uw gave voor het altaar en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder'. De vraag is of de boodschap, die gebracht wordt, de hele bloedsomloop bepaalt. Thielicke vergelijkt dit met een bijbels beeld. In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan maken de priester en de leviet - verkondigers dus - een wijde boog om de man heen, die in handen van moordenaars was gevallen. Ze moesten immers naar Jericho, waarschijnlijk ambtelijk. En deze ambtelijke dienst verrichten ze natuurlijk in de naam van God.
Ik citeer nu letterlijk:
'Daarbij rekenden ze er niet mee, dat de naaste ons met zijn nood bijna altijd onverwacht ontmoet, dat hij in onze ambtelijke tijdsindeling niet past en daarom geïmproviseerde wijzigingen eist. Maar deze beide geestelijken brachten niet de man die overvallen was en degenen die hem overvallen hadden, maar alleen hun ambtelijke indelingen in verband met God. En ze vermoedden niet of wilden niet vermoeden..dat deze God juist van hen verlangde dat ze hun plannen zouden omgooien, dat hij om het spontane vroeg van hen. Misschien stond in hun agenda "Vanavond lezing over de naastenliefde in Jericho". En wie zal er aan twijfelen, dat ze zich met gebed en met heel hun hart op deze lezing hadden voortbereid!
Maar toen de concrete naaste plotsteling voor hun voeten lag, maakten ze de wijde boog. Ze deden dat om de associatie te ontlopen tussen hun lezing over de naastenliefde en dit concrete geval. Ze hielpen een handje om de beide terreinen (de lezing op de kansel en het onmiddellijke leven) van elkaar gescheiden te houden. Zou daarom de lezing 's avonds in Jericho toch niet wat bleek uitgevallen zijn? Zouden de hoorders toch niet na afloop zeggen: "Volkomen juist en correct - maar wat heeft het te maken met mijn problemen en mijn leven?" Deze objectieve tegenspraak tussen wat ik leer en de manier waarop ik leef - dat is huichelarij in de geladen betekenis van het woord. En het demonische daarvan is, dat deze huichelarij hand in hand kan gaan met subjectieve eerlijkheid, ja met goedmoedige argeloosheid. Alleen neemt men van zo iemand niets meer aan en men zegt dat hij niet geloofwaardig is (hoewel hij toch subjectief eerlijk is!). Men heeft in de gaten dat hij in werkelijkheid naast zijn boodschap woont, dat hij een meervoudige gerichtheid van denken en begeren heeft, dat hij niet (in de zin van Kierkegaard) "de louterheid heeft, maar één ding te willen".'
Wie zou dit probleem niet onderkennen. Maar zit het ook niet dieper! Moet hij, die dagelijks in de dienst des Heeren bezig is, zich niet altijd kritisch afvragen of de dingen bij hemzelf wel anders en dieper leven dan bij het doorsnee gemeentelid, waar zoveel valt te ontdekken, dat de wasdom van het Woord tegenstaat. Moeten predikanten zich niet afvragen of ze zélf, gewoon gemeentelid zijnde, wel boven het gemiddelde van de gemeente, naar haar beste zijde genomen, uitkomen?
Predikanten zitten vaak niet zo gemakkelijk onder het gehoor van anderen, niet onbevangen genoeg, omdat ze zelf ook wel eens met die tekst bezig waren of omdat ze de trucjes en de loopjes om het gehoor te boeien zélf ook wel kennen en zich dus permanent zullen afvragen: is het echt? Zo zitten gemeenteleden óók wel kritisch onder hun gehoor. Kunnen ze zo ook onder hun eigen gehoor zitten? Daarom nogmaals: woont de prediker in zijn eigen theologisch huis? Misschien lijdt hij dan het meest aan het kwaad dat hij bij anderen vreest. Lijden aan de kerk is lijden aan eigen geestelijk onvermogen, geestelijke overschatting, geestelijke onechtheid.
Thielicke haalt het voorbeeld aan van de politicus, die net op 'demagogische pseudo-toon' gesproken heeft, 'uit volle overtuiging' en daarna 'bij bier en sigaar' in kleine kring zegt: 'nu ja, als u mijn persoonlijke mening wilt horen'.
Zo denk ik aan een lezing, die ik in mijn studententijd hoorde van een niet onvermaard predikant, die in zijn studententijd een eveneens niet onvermaard predikant hoorde spreken. Het was een preek over het laatste oordeel, zó met gevoel gebracht dat de betreffende student dacht: vandaag zal het gebeuren, vandaag komt Jezus terug. De dienaar weet er om zo te zeggen existentieel van. Toen hij echter bij hem aanbelde om er nog even over door te praten lag de dienaar languit op de bank met een dikke sigaar en een blad ter verpozing in de hand. Dat is best menselijk, maar hij woonde op dat moment ook niet in het wachtlokaal dat hij in de preek gebouwd had. Opzettelijke plechtigheid, pathologische toestanden, gemaakte sentimentaliteit, overgeestelijkheid zijn van zulk een houding alleen maar exponenten in optima forma, die de geloofwaardigheid minder maken. Dat 'dominee ook maar een mens is' schijnt dan achterhaald te zijn. Maar hoorders kunnen er wel aan lijden. De preek landt niet in hun leven, krijgt geen vlees en bloed in hun leven, omdat het gesuggereerde leven zo gans anders is dan wat men zelf dagelijks leeft. Terwijl de geestelijke worsteling om het heil in Christus te ontvangen of te funderen te weinig levensecht, ondervindelijk uit de verf komt.
In de concrete existentie
Wanneer de preek niet landt onder de mensen dan is het de vraag: waar is de man mee bezig? De hoorders vragen geen voordracht over Bijbelproblemen maar om een boodschap in hun menselijke, geestelijke problemen, in de problemen van het mens-zijn, zegt Thielicke. Mensen uit een bejaardentehuis zijn niet vatbaar voor de intellectuele problemen, 'die mij ten zeerste kunnen benauwen'; maar ze zijn bang voor de eenzaamheid, voor het sterven en koesteren enige kostbare herinneringen, ook van elke dag.
Jongeren van nu zitten met vragen over de zin van het bestaan. Biedt het leven nog uitzicht, zal er werk voor me zijn, zal deze aarde nog leefbaar zijn, hoe moet het met mijn kinderen als ik ze nog krijgen moet of mag? Hoe moet je tot hen spreken over de vragen van dood en eeuwigheid? Thielicke zegt: 'Het appèl op de angst voor het laatste uur trekt bij hen zeker niet. Niemand immers rekent ermee dat hij morgen overreden wordt of sterft aan een blindedarmontsteking, maar misschien zou ik hen zó van de dood kunnen spreken, dat ik hun zeg: jullie rekent er allemaal mee, ook als je je nu voorstelt dat hij je eerst te pakken zal krijgen als je vierentachtig bent'.
Tussen twee haakjes: ik denk ook wel eens bij het lezen van de talloze wijkberichten, in kerkbladen, die ik toegezonden krijg: het is toch wel héél wat om elke week weer stichtelijke slotzinnen ter waarschuwing te schrijven, op het gevaar af dat niemand die meer leest of niemand er meer van opschrikt, ook degenen, die het schrijven, niet. Laten we proberen eerlijk het leven, met de donkere rand van de dood, verdriet, ellende, zinloosheid van het bestaan, hulpeloosheid vanwege problemen die zich voordoen in de misère van huwelijksnood, werkeloosheid, ontspoorde jongeren, verslavingen te peilen en daar een enkel woord te spreken dat werkelijk opbeurt, zodat de hoorders merken: hij heeft het over mij.
Dat brengt mij op een kritische notie over het altijd moeten vergeestelijken of over het altijd aanbrengen van een geestelijk slot, ook daar waar het gewoon gaat om een alledaagse werkelijkheid, die bij het licht van de Schrift mag worden benaderd, tot op de bodem benaderd, zodat de hoorder ook hier een keer zegt: hij heeft er kennis aan. Thielicke zegt: er zijn gemoedsmensen, verstandsmensen en wilsmensen en mensen met een mengeling van deze drie. Moet men er dan op uit zijn om elk apart aan te spreken? Zal de havenarbeider misschien niet leeg weggaan, als ik bij mijn preek slechts de reders of de leraren op het oog heb? En zal de president van de arrondissementsrechtbank niet zeggen: 'met mij heeft hij vandaag geen rekening gehouden', als ik alleen maar aan de boemelaar denk, die toevallig van het lunapark naar binnen dwarrelde? Men behoeft ze niet allen tegelijk te willen bereiken in hun specifieke nood. Dat kan krampachtig worden. De president van de arrondisséments-rechtbank kan juist wel eens meer behoefte hebben aan een eenvoudig woord voor zijn hart dan de havenarbeider, die vanwege een bepaalde kwestie nu net zit met de vraag hoe het met het recht zit. Wees er maar zeker van dat de Geest op Zijn tijd en wijze harten opent, soms met woorden die onbedoeld waren voor een bepaalde situatie. Maar de preek zal dan ook de hoogte dimensie en de breedte dimensie van het leven voor Gods Aangezicht moeten kennen. Zodat mensen beseffen: mea res agitur! Het gaat om mijn zaak.
Verveling
Niets doet de met-zijn-hart-betrokken hoorder intussen zo lijden aan de kerk dan de verveling, verveling, die gevoed wordt door niet voorbereide preken, door preken met almaar dezelfde loopjes of almaar dezelfde thema's, door preken van 'nu-komt-dit-en-nu-komt-dat' (en dat komt dan ook) en nu komt het 'amen' en dat komt dan niet. Thielicke noemt dat preken, waarbij zelfs de duivel in slaap valt. Misschien moet zelfs wel eens een uit de slaap opschrikkende uitdrukking worden gewaagd om de waarheid te winnen, vanuit een bijbelwoord dat maar weinig bepreekt wordt en toch waarheid is en dan ook moet wórden in de gemeente.
Volgende week hopen we aandacht te geven aan het Lijden aan de Kerk door de dienaren van het Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's