Het ‘alleen’ van de Reformatie
Luther heeft heeft één woord toegevoegd aan Romeinen 3 : 28: het woordje alleen.
Wie Luthers vertaling van Romeinen 3 : 28 naast de Griekse grondtekst legt en met haar vergelijkt, bemerkt, dat Luther daar één woord heeft toegevoegd: het woord alleen. 'So halten wir es nu Das der Mensch gerecht werde on des Gesetzes werck alleine durch den Glauben.'
De juistheid hiervan is hem wel bestreden. Hij zou iets in de tekst hebben gelegd, wat er niet in te vinden is.
Hij heeft zich tegen deze beschuldiging verweerd: het woord 'alleen' mag dan naar de letter in het Grieks niet worden gevonden, het is volkomen in overeenstemming met de bedoeling van de apostel Paulus, die met grote nadruk stelt, dat de mens zonder de werken van de wet gerechtvaardigd wordt, alleen door het geloof.
Aan dit woord 'alleen' was Luther veel gelegen. Het heeft iets exclusiefs, iets uitsluitends. Het geeft dus helemaal weer wat hij zelf ontdekt en in een diepe ervaring geleerd had. Daardoor was er voor hem geen enkele ruimte meer voor een verstaan van het Evangelie en theologiseren als een én én, een enerzijds anderzijds. Het is niet: goddelijke openbaring én menselijke rede, niet: geloof én werken, niet: genade én verdienste, niet: de Middelaar Christus én de vele bemiddelaars (heilig verklaarden). Het werd voor Luther alléén de goddelijke openbaring, alléén het geloof, alléén de genade, alléén Christus. Men kan met recht zeggen, dat in dit exclusieve de Reformatie is getypeerd. Zó verstond zij het Evangelie. Zó wist zij dat het Evangelie door God is gegeven. Haar maatstaf was immers niet het menselijk verstaan, maar het Evangelie is zélf maatstaf voor het verstaan en de verkondiging van het Evangelie.
Waar dit 'alleen' wordt verzwakt of is verdwenen houdt het Evangelie op Evangelie te zijn en de kerk houdt op kerk van Jezus Christus te zijn.
Alleen door het geloof
Luther heeft ontdekt, dat er maar één wijze is waarop de mens deel kan krijgen aan het heil van God in Christus: door het geloof, alleen door het geloof. Niet op grond van het geloof. Niet vanwege het geloof. Het geloof is niet een prestatie, een verdienstelijk werk van de mens, op grond waarvan God de zondaar zou begenadigen. Het is niet meer dan de lege hand, die de bedelaar uitstrekt om Gods gave aan te nemen. Ja, het geloven is zélf een gave en werk van God. Hem komt de eer ervan toe.
Dit geloven is geen overlegging van verstand of rede. Evenmin het aanhangen van een of ander stelsel of systeem. Ook niet het voor waar houden van een aantal leringen. Het is de innerlijke houding van de mens, die tot God is gekeerd door de Heilige Geest.
Deze mens gelooft en aanvaardt Gods volstrekte veroordeling, stemt daarmee in en geeft zich daarom aan God de Heere over. Deze ten dode opgeschreven mens mag tot zijn onuitsprekelijke verwondering en blijdschap vernemen, dat er om het offer van Christus inochtans vergeving is en verzoening van zijn schuld en dat hij als kind van God wordt aangenomen.
Nimmer kan de mens zélf zijn rechtvaardiging bewerken. Hij kan zelf geen gerechtigheid bewerken. Noch door de ernst en diepte van zijn berouw. Noch door een veelheid van goede werken. Noch door het ontketenen van christelijke acties. Deze herontdekking van het Evangelie was niet alleen van betekenis voor toen. Zij is voor alle tijden hoogst actueel. Het is een variant op een oude dwaling wanneer in deze tijd het christelijk geloof geheel wordt omgezet in actie en gerichtheid op de wereld. Het nieuwe daarvan is alleen, dat deze actie niet nadrukkelijk christelijk is, maar algemeen-menselijk. Wat moet er al niet gebeuren wil het Evangelie 'geloofwaardig' zijn! Wat bijvoorbeeld de IKON uitdraagt en de Wereldraad van Kerken voorstaat is ten principale uiting van een andere religie. Er gaapt een wijde kloof tussen de Reformatie en de moderne theologie.
Maar deze laatste laat de mens in zijn persoonlijke nood geheel in de kou staan. Want wanneer iemands hart werkelijk onrustig is geworden en God zoekt, kan zij hem geen hulp bieden of antwoord geven op zijn vraag naar vrede met God.
Zij komt niet verder dan de oproep tot verandering van structuren, verbetering van de wereld, vraagstukken van bevrijding, vrede en gerechtigheid. En dat dan meestal naar marxistische modellen.
Maar ook in eigen gelederen kan het 'door het geloof alleen' zó zoek geraakt zijn, dat het Evangelie niet meer als Evangelie, geschonken gerechtigheid wordt verstaan. Dat gevaar lopen wij wanneer wij het geloof laten overheersen door gemoedstoestanden en ervaringen van de mens en van de goddeloze die om niet de gerechtigheid van Christus ontvangt eerst iets meer maken dan hij is, nl. een goddeloze. Ook boetvaardigheid, berouw, tranen, schuldbelijdenis hebben geen verdienend karakter. Wat een bevrijding is het niets meer te moeten doen, maar te mogen ontvangen de gerechtigheid die Christus heeft volbracht.
Alleen door Gods genade
De Reformatie stelde, dat het alleen uit of door Gods genade is, dat een mens deel krijgt aan het heil. Zij maakte ernst metde vraag wie de mens is. En zij gaf daarop het bijbelse antwoord: die mens is een zondaar, dood in zonde en misdaden, een vijand van God, een goddeloze. Gods heil ligt voorgoed buiten zijn bereik. Al tracht hij nog zo veel goed te doen en wil hij nog zo vroom zijn - de mens is niet in staat zijn verlossing te bewerken.
Het baat niet of men zich in een klooster terugtrekt om aan de wereld af te sterven, bedevaarten onderneemt en alle voorschriften van de kerk naleeft - en Luther heeft dat met bloedige ernst gepoogd! - de mens kan zijn schuld tegenover God niet verzoenen.
Door geen enkele inspanning laat het heil zich verdienen, het wordt uitsluitend gegeven. Er is geen weg van de mens naar God. Maar er is wel een weg van God naar de mens!
Het heil ligt in Gods handen, HIJ beschikt erover. Hij deelt het toe aan wie Hij wil.
Schepping en genade, natuur en genade worden in de reformatorische theologie uit elkaar gehouden, omdat de macht van de zonde erbij is gekomen, die de schepping en natuur heeft aangetast en de mens verdorven.
Niet in het minst onder de invloed van de theologie van Karl Barth vloeien deze beide in het hedendaagse theologiseren min of meer ineen. Zij vallen zelfs min of meer samen.
Wanneer men als mens is geboren is men eigenlijk al begenadigd. Schepsel zijn valt samen met kind van God zijn, omdat de schepping rust in de verzoening.
Het gevolg van deze gedachtengang is, dat de genade automatisch behoort tot de schepping. Zij is iets algemeens. Daarom heeft men geen oog meer voor het wonder van de persoonlijke toewending van God in Christus tot de zondige en verloren mens.
Men heeft geen oog meer voor het genadekarakter van de genade. En weet dan niet meer van de wondere, onbegrijpelijke ontferming van God, die vijanden en goddelozen in Zijn liefde overwint, overtuigt en vernieuwt door Zijn Heilige Geest.
In de gemiddelde protestantse prediking en theologische gedachtengang overheerst vandaag aan de dag de oude dwaling van (heel of half) Pelagianisme, dat de mens tot een medebewerker van het heil en een gelijkwaardige partner van God maakt. De nieuwe wegen die men zegt te bewandelen zijn niet zo nieuw als zij lijken!
Alleen door Christus
Alleen door Christus wordt de zondaar gered.
Hij heeft Gods toorn gestild, toen Hij het gericht van God over de zonde ten einde toe droeg. In Hem openbaart God Zijn liefde. In Christus daalt Gods barmhartigheid af in de diepten van onze schuld en verlorenheid.
In de prediking der Reformatie werd weer voluit plaats gegeven aan Christus en Zijn werk als Middelaar. Juist de priesterlijke zijde van zijn persoon en ambt werd in het licht gesteld, wat voor die dagen verrassend nieuw was. Daardoor vielen de offers die mensen brengen wég. Ook het misoffer en de menselijke bemiddelaars, zoals priesters en heiligen. Christus Jezus is onze enige en volkomen Hogepriester.
Dit Evangelie heeft de harten veroverd, mensen gesterkt in het lijden tot op schavot en brandstapel, hen getroost in het uur van de dood.
Hoe armzalig is dan het 'evangelie' van de moderne theologie, het 'evangelie' van Jozua van Nazareth, die een voorbeeld is voor wat binnen de mogelijkheden van de mens ligt, die speels en vrij heeft geleefd en daarin aanstekelijk werkt op anderen. Het 'evangelie' van Jezus Messias, wiens revolutie tegen de gevestigde orde en machten wij hebben na te volgen.
De klassieke leer aangaande de Christus (deze houdt in dat Jezus Christus God is én mens) wordt als verfoeilijk Grieks denken van de hand gewezen. Alleen een bijzonder mens blijft dan over. De klassieke leer der verzoening wordt zonder omhaal toegepast op de verhouding van mensen, volkeren en rassen.
Die der verlossing 'vertaald' als bevrijding voor maatschappelijk en politiek onderdrukten!
Door deze leringen blijft van het reformatorische 'alleen door Christus' niets over. Eerst wordt zijn verlossingswerk beroofd van zijn goddelijk en eeuwigheidskarakter, daarna is Hij niet meer dan een voorbeeld, een mogelijkheid, een stimulans tot menselijk handelen en bevrijden.
Maar ook naar ons zelf toe hebben wij te vragen of de Christus die centrale plaats heeft in de prediking en in het leven die Hem toekomt. Ook onder een gereformeerde dekmantel kan de mens, de vrome en bekeerde mens in zijn vele gemoedsgestalten zó veel aandacht krijgen, dat de heerlijkheid van Christus wordt verduisterd. Ook wij vallen onder de voortdurende kritiek van het Woord.
Alleen de Schrift
De Reformatie verwierp de bindende kracht van besluiten van synoden en concilies, die strijdig zijn met de Schrift. Zij verwierp tevens het pauselijk leergezag en al wat over de Schrift zou kunnen heersen. Want de kerk kan dwalen en 'alle mensen zijn uit zichzelf leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve' (art. 7 van de Ned. Geloofsbelijdenis).
Alleen de Schrift maakt ons de wil van God bekend. Een mondelinge overlevering mede bindend voor leer en leven werd door de Reformatie verworpen. Aan de Schrift hebben wij genoeg tot onze zaligheid.
Luther wist zich als 'doctor der Heilige Schrift' geroepen en verplicht zich in te zetten voor de rechte leer, de reinheid van het Evangelie. Aan haar was hij gehoorzaamheid verschuldigd.
Hoe is de Schrift in later tijd gedevalueerd! Met behulp van hermeneutische ('uitlegkundige') regels laat men de Schrift zeggen wat men zelf wil, al is dat eventueel het tegendeel van hetgeen geschreven staat.
Naast de Schrift kent en erkent men een tweede 'openbaringsbron': de geschiedenis en menselijke ervaring.
En ook onder ons kunnen zo veel menselijke inzichten, geboden en wetten over de Schrift gaan heersen, dat de Heilige Geest niet meer aan het woord kan komen. Zelfonderzoek is op dit punt eveneens noodzakelijk. Want wee ons, als wij menen, dat wij 'het' allemaal weten en hebben. Dan ebt het ware leven weg, dan treedt dorheid in en doodsheid.
Alleen in een voortdurend horen naar hetgeen er geschreven staat en een worsteling om de gerechtigheid van Christus in een waar geloof te mogen ontvangen wordt iets verstaan van de heerlijkheid van Gods genade. En beaamd, dat de 'enige en solide rots' waarop de kerk rust is het artikel van de geloofsgerechtigheid. Daarmee staat zij. Of zij valt. Anno 1517. En anno 1982.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's