De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bidden en danken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bidden en danken

7 minuten leestijd

Josafat nu vreesde en stelde zijn aangezicht om de Heere te zoeken; En op de vierde dag vergaderden zij zich in het dal van Beracha, want daar loofden zij de Heere; 2 Kronieken 20 : 3a en 26a

Nood leert bidden. Een aanvechtbaar spreekwoord. Wel kan en wil de Heere de nood gebruiken om ons tot Hem uit te drijven. Zo ook hier. Een onheilstijding bereikt koning Josafat. Ammonieten, Moabieten en Meöenieten doen een inval in Juda. Wat een ramp! Wij zouden zeggen er is geen tijd te verliezen. Josafat neemt de tijd om de Heere te zoeken. Dat is nooit verloren tijd. Als Luther het druk had ging hij eerst langdurig bidden, dan vlotte het werk te beter. Nu Josafat en zijn volk in groot gevaar verkeren zoeken ze eerst het aangezicht des Heeren. Dat belooft wat goeds. Als de benauwdheid ons werkelijk uitdrijft tot de Heere, is de zaal al gewonnen. Als we dat nu eens echt geloofden. Als dit meer praktijk was in ons leven. Het zou er anders uitzien in ons leven.

Ditmaal zoekt hij geen bondgenootschap met de omringende'volken. Nee, hij zoekt steun bij de Heere en loopt Hem aan als een waterstroom. Zeker, er is vrees in zijn hart. Het wijst erop dat ook zijn geloofsvertrouwen niet volkomen is. Maar de vrees overheerst niet. Zij verlamt hem niet, maar spoort hem aan tot gebed.

Hij heeft krediet op de God van het genadeverbond. Een begeerlijke zaak. Hoe vaak, of liever, hoe zelden pleiten wij op Gods genadeverbond als wereldse machten onze gezinnen bedreigen. We sluiten doorgaans eerst allerlei compromissen om het kwaad te keren. Pas als de dijken doorbreken roepen we de Heere te hulp. Josafat kent bij ervaring de wondere kracht en bemoediging die er van Gods nabijheid uitgaat. Het gaat hem om de Heere Zelf. Als Hij nabij is en met hem is dan staat hij sterk. Hij is de God die de aartsvaders verkoren en geroepen heeft. Hij is de Heere, Die zijn Naam aan Israël verbonden heeft. Hij is de Heere, Die hen het land Kanaan geschonken heeft.

Niet de tegenwoordige nood staat op de voorgrond in zijn gebed. Nee, hij herinnert de Heere aan de grote daden in het verleden. Daarmee eren we de Heere. Hij stelt het op prijs, als we in grote nood er blijk van geven dat we zijn machtige daden uit het verleden niet vergeten zijn. Hoe dikwijls is het praktijk in ons leven: 'Zij vergaten haast Zijn wonderen’.

Josafat erkent Hem niet enkel als de God van Israël, maar ook als de Heerser over de volken. Hulp bij deze God zoeken in een weg van vasten en gebed is nooit tevergeefs. Hij heeft het toch gezegd: 'Roep Mij aan in de dag der benauwdheid.en Ik zal er u uithelpen'. Waarom doen we het dan ook niet? Ik ben geen Josafat zegt iemand. Maar Josafat komt met niets van zichzelf voor de Heere. Hoe zou het ook kunnen. Aan zijn kant is er ook enkel onwaardigheid en schuld. Maar hij legt de Heere wel zijn eigen beloften voor. 'Gij hebt dit land aan onze vaderen gegeven tot in eeuwigheid.' Dat is waar. En daar mag de Heere aan herinnerd worden. En de vijanden zijn mensen, die goed met kwaad vergelden. Op uw bevel o Heere, heeft Israël vroeger deze volken gespaard. Nu misbruiken ze Gods lankmoedigheid met hen. Weer een schot in de roos. Een vreselijke waarheid. Zolang een mens onverzoend en in vijanschap tegen de Heere verder leeft, misbruikt hij de genadetijd en daarmee de lankmoedigheid van God over hem. In vers 12 klopt het hart van Josafats gebed. 'Onze God.' Wat een woord. Proeft u het geloofsvertrouwen in het bezittelijk voornaamwoord? Onze God. Niet de God die wij in onze macht hebben. Wel de God, Die Zich aan Zijn verbondsvolk verbonden heeft in Zijn trouw. Hij stelt Zich beschikbaar. Onze God. Daar klinkt geloofsvertrouwen in door in dit uur nu alles wankelt.

Hier geen waaroms, waar onze tijd zo rijk aan is. Wel de openlijke belijdenis, op aarde, onder ons mensen is noch recht noch waarheid meer. En daar tegenover dan het vaste ver-Touwen, dat de Heere recht en gerechtigheid ^al doen op aarde. Onze verwachting is van U! Het ware gebed is altijd een gelovig gebed. Hij heeft de Heere nodig en verwacht dat Hij kan en wil en zal helpen. Tot het ware gebed behoort ook dat we onze nood en ellende recht en grondig kennen.

Josafat brengt het onder woorden als hij belijdt': 'In ons is geen kracht tegen deze grote menigte die tegen ons komt en wij weten niet wat we doen zullen, maar ohze ogen zijn op U'. Een kostelijk gebed. In vredestijd heeft hij gezorgd voor een paraat leger. Hij nam de middelen te baat en heeft dan ook echt wel wat achter de hand. Maar hij stelt er niet zijn vertrouwen , op. In zijn gebedsleven neemt het geen enkele plaats in. Dat kan! De middelen die in het geloof zijn aangewend, doen geen afbreuk aan ons geloofsvertrouwen op de Heere. 'Wij weten niet wat wij doen zullen.' Kan het eerlijker, afhankelijker? De Heere wil ook aangesproken worden op Zijn eigen beloften. Josafat verstaat dat de vijanden, Gods vijanden zijn. Zij hebben het ten diepste gemunt op Gods verlossingsplan. Vandaar dat hij vrijmoedig durft te zeggen: 'Zult Gij geen recht tegen hen oefenen? ' Welnu, dat zal de Heere zeker. En Josafat wordt niet lang in het onzekere gelaten. Terwijl Josafat en het volk in de tempel vasten en bidden en pleiten op Gods beloften, valt de Geest des Heeren in het midden van de gemeente op Jahaziël, een leviet. De Heilige Geest maakt hem in een keer tot profeet des Heeren. En Gods Woord is ook hier weer heldere klare profetentaal: 'Vrees niet... De strijd is niet uwe, maar Gods!’

De toezegging van God vraagt uiteraard alles van hun geloofsvertrouwen. Maar Gods openbaring gaat kennelijk met zoveel luister gepaard, dat Josafat en het volk in aanbidding voor de Heere neervallen. Alles moet Hem eren! Het bidden gaat in aanbidding en lofprijzing over. Zelden is een leger er zo op uit getrokken als in die dagen. Het herinnert aan de dagen van de belegering van Jericho. De Heere strijdt weer voor Israël. Hij neemt het op voor wie op Hem vertrouwt. Toen en nu.

Welke strijd we te strijden hebben, maakt voor de Heere geen verschil. Al wie het van de Heere verwacht zal niet beschaamd worden. Op uw noodgeschrei doet Hij grote wonderen. En Zijn grote daden roepen een houding van dankbaarheid op jegens de Heere. Dat zien we ook hier.

‘Dankt God in alles’, zegt de Schrift. Voor gewas en arbeid. Voor geloofsbeproeving en voor bevrijding. Voor geestelijke en tijdelijke

weldaden. De Heere wil niet dat we het leven opsplitsen in geestelijke en tijdelijke zaken. Ga met Hem te rade in alle situaties van uw leven.

In het dal van Beracha, in het dal van lofprijzing, worden die daden des Heeren uitgezegd en bezongen. Daar moet niet minder de tijd voor genomen worden. Vele bidders in nood vergaten de Heere, na de uitredding te danken. Dan verandert de zegen van God in een vloek. De Heere wil dat we Zijn daden gedenken en van Zijn wonderen spreken tot ons nageslacht. Vergeet nooit één van zijn weldadigheden. Vergeet ze niet, het is God die ze u bewees. Josafat een koninklijke bidder en danker. Het is schoon. Maar het blijft alles gebrekkig en onvolkomen.

Zowel ons bidden als ook ons danken behoeft verzoening, wil het aangenaam zijn voor de Heere. Daartoe is er de Heere Jezus Christus. Onze van God geschonken Profeet, Priester en Koning. Hij heeft in de meest barre nood van Gethsemane geworsteld in het gebed.. Ook heeft Hij de lofzang gezongen bij de ingang tot Zijn lijden. Omdat Hij gezongen heeft in de nacht van het lijden, mag Gods kind zingen in de morgenstond van de overwinning. Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven. Hij isen blijft getrouw. Ook in onze laatste strijd op ziekbed of sterfbed. Als onze krachten vergaan zijn en wij niet weten wat we doen zullen. Richten we niet tevergeefs onze brekende ogen op Hem, Die de dood heeft verslonden tot overwinning. Dank zij Hem betekent onze dood geen ondergang maar een doorgang tot het eeuwige leven. Dan is alle aanvechting en bestrijding voor altoos voorbij en vangt de lofprijzing aan: 'Mijn God, U zal ik eeuwig loven omdat Gij het hebt gedaan'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Bidden en danken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's