De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De roeping tot het ambt (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De roeping tot het ambt (1)

9 minuten leestijd

Geen koninkrijk, , republiek, huis of maatschappij kan bestaan zonder orde; zo ook niet de kerk. God is een God van orde.

'Geen koninkrijk, , republiek, huis of maatschappij kan bestaan zonder orde; zo ook niet de kerk. God is een God van orde, en wil dat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.' Deze woorden heeft Wilh. a Brakel geschreven aan het begin van hoofdstuk XXVII van zijn 'Redelijke Godsdienst', waarin hij handelt over 'de regering der Kerk, en bijzonder over de zending der dienaren'.

Wanneer wij nu voor u in een aantal artikelen iets zullen neerschrijven over 'de roeping tot het ambt' dan willen wij ons het gezegde van a Brakel steeds voor ogen houden, dat God een God van orde is, en dat in Zijn Kerk alles met orde dient te geschieden.

In tegenstelling tot Wilh. a Brakel die eerst spreekt over de inwendige roeping en daarna over de uitwendige roeping, handelen Calvijn en de Nederlandse Geloofsbelijdenis eerst over de uitwendige roeping en daarna over de persoon die tot een ambt geroepen wordt. Ofschoon de methode van behandelen zoals a Brakel dit doet zeker niet verkeerd is, zo willen wij toch liever onze Nederlandse Geloofsbelijdenis hierin volgen die terecht het artikel over 'de dienaren, ouderlingen en diaken' laat volgen na de artikelen over de kerk. Bij de roeping tot een ambt gaat het in de eerste plaats om de wettige verkiezing der kerk.

Wettige verkiezing der kerk

Het begin van artikel 31 van onze confessie luidt: 'Wij geloven, dat de dienaren van het Woord Gods, ouderlingen en diakenen tot hun ambten behoren verkoren te worden door wettige verkiezing der kerk, met aanroeping van de naam Gods en goede orde, gelijk het Woord Gods leert'. Met deze belijdenis keert de reformatie zich tegen twee fronten. Allereerst tegen de schandelijke praktijken, die in die dagen in de Rooms-katholieke kerk heersten. Wie hierover meer wil lezen verwijzen wij naar het vijfde hoofdstuk van het vierde boek van de Institutie van Calvijn. In het kort komt het hierop neer, dat bij de bisschopskeuze de gemeente niets te zeggen had. Vorsten of kanunniken hadden meestal het benoemingsrecht aan zich getrokken. Voorzover men het ambt van ouderling of diaken nog kende, was de benoeming daarvan alleen een zaak van de bisschop. Of men bekwaamheid bezat en bovenal liefde voor de Heere en Zijn dienst, daarnaar werd niet gekeken. De geldelijke inkomsten waren van meer belang. Het is wel gebeurd, dat er aan de vorstelijke hoven jonge mannen waren, die drie abdijen, twee bisdommen en een aartsbisdom bezaten, waarvoor zij in het geheel geen zorg droegen. Dat waren ernstige misstanden, die door Calvijn zeker niet te donker getekend zijn. Het zal ons wel duidelijk zijn, dat in die dagen van een kerkelijke verkiezing met aanroeping van de naam Gods en onder goede orde nergens sprake meer was. Dit was het eerste front waartegen de reformatie zich keerde. Het tweede front waartegen zij had te strijden was de Doperse richting. Radicaal als deze richting was, was zij in een ander uiterste terechtgekomen. Wie meende de Geest te bezitten wierp zich zomaar op tot leraar. Dat het zeker niet altijd Gods Geest is geweest, maar dat men zich liet leiden door zijn eigen 'geest', blijkt uit de uitwassen die de Doperse richting heeft ge­kend. Maar deze zogenaamde leraars hebben wel veel kwaad gedaan. Want doordat zij grotere of kleinere conventikels om zich heen verzamelden verscheurden zij met opzet de kerkelijke eenheid. Wat betreft deze laatste zaak constateren wij, dat er niets nieuws is onder de zon. Ook in onze tijd zijn er die zich opwerpen als leraar zonder geordend te zijn waardoor er onrust en soms zelfs nijd en twist ontstaat in de kerk en in het bijzonder in de gemeenten. Dat dient onder ons alzo niet te zijn! God is een God van orde en niet van wanorde. Een man als Calvijn heeft dit heel goed geweten en daarom ook krachtig geprotesteerd tegen de misstanden zowel die van de Rooms-katholieke kerk als die van de radicale Doperse richting. De reformator uit Geneve legt derhalve sterke nadruk op de publieke vocatie (roeping) door de kerk.

De roeping

Calvijn onderscheidt een tweeërlei roeping tot het ambt nl. een verborgene en een openbare. Van de verborgen of ook wel inwendige roeping zegt de hervormer niet zóveel als b.v. a Brakel. Brakel noemt enige kentekenen van deze inwendige roeping. Dat doet Calvijn ook wel, doch toch minder uitvoerig dan de man van de 'Redelijke Godsdienst'. Wat Brakel van die inwendige roeping zegt zullen wij naderhand nog uiteenzetten. Calvijn zegt van deze verborgen of inwendige roeping, dat het is het goede getuigenis van ons hart, dat wij het ons voorgestelde ambt ontvangen niet uit eerzucht noch uit gierigheid noch uit een of andere boze begeerte, maar met een oprechte vreze Gods en een ijver om de kerk te bouwen. Over deze innerlijke roeping kan de kerk echter niet oordelen. Ook zij zijn door de kerk geroepen, die met een verkeerde consciëntie toetreden, indien hun boosheid niet openbaar komt. Hieruit valt op te maken de sterke nadruk op de roeping door de kerk. Wanneer iemand door de kerk tot een ambt wordt geroepen dan is dat een heel bijzonder iets. Wij menen, dat hierover wel eens te lichtvaardig wordt gedacht, omdat de kerk niet wordt gezien als een voorwerp van geloof. Ds. W. L. Tukker schrijft in 'Geloof en Verwachting' blz. 144 als volgt over de kerk: 'De kerk is een voorwerp van geloof. Men gelooft in God, maar men gelooft een kerk. Men belijdt God, men belijdt ook een kerk, de kerk, maar dit belijden is een belijden tegenover; de kerk staat tegenover Christus, zoals de bruid staat tegenover haar bruidegom. God is de bron van zaligheid, de kerk is de ontvangster van de zaligheid. Het is dus een geloven en een belijden tegenover. Het feit, dat de kerk geloofsobject is, brengt met zich, dat men van de kerk de dingen niet wiskundig kan vastleggen. Toch is het geloof zekerder dan wiskunde. Daarom, al is het, dat men de dingen der kerk niet voor kan rekenen, niet vast en sluitend kan krijgen, zo kan ze toch beleden worden. En een belijdenis van geloof spreekt met grote stelligheid. Na God is de kerk de grootste zekerheid voor de gelovigen. Zij is als het ware de oogst der aarde. Zij is ontworpen in een bestek voor de grondlegging der wereld. Zij ontstaat en groeit met de eeuwen mee. Zij is uiteindelijk het doel van al Gods werken. Daarom is ze na God het belangrijkste geloofsobject. Omdat ze van God is, is ze zo'n heerlijk en blijvend geloofsvoorwerp. Wanneer wij deze woorden van onze oud-voorzitter van de Bond diep in ons laten doordringen, moeten wij dan niet tot de conclusie komen, dat dit 'heerlijk en blijvend geloofsvoorwerp' niet altijd als zodanig wordt gezien en men daardoor soms gemakkelijk bedankt wanneer men tot een ambt wordt geroepen? 't Zal waar zijn, dat er redenen kunnen zijn tengevolge waarvan men moet zeggen: dit ambt kan ik niet aanvaarden. Maar is toch ook soms niet de reden, dat de kerk niet als geloofsobject wordt gezien? Onze vaderen op wie wij ons doorgaans gaarne beroepen hadden hierin een helder inzicht. Dit inzicht hebben zij ook duidelijk onder woorden gebracht, wanneer het formulier tot bevestiging van ouderlingen en diakenen als eerste vraag stelt: 'En eerstelijk, vraag ik u, zo ouderlingen als diakenen, of gij niet gevoelt in uw harten, dat gij wettiglijk van Gods gemeente, en mitsdien van God zelf tot deze heilige diensten (elk in het zijne) beroepen zijt'. In navolging van Calvijn hebben de opstellers van dit formulier dus alle nadruk gelegd op de wettige (be)roeping door de kerk. Calvijn deed dit trouwens ook om alle donatistische en spiritualistische gevaren uit te schakelen. Zowel naar de kant van de Rooms-katholieke kerk als naar de zijde van de Dopersen.

Het verkiezen van de ambtsdragers

Wanneer wij artikel 31 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis goed lezen, zo valt het ons op, dat op de wijze, waarop deze verkiezing en roeping der ambtsdragers geregeld worden niet nader wordt ingegaan. Terecht, want dit wordt door de kerkorde geregeld. Onze kerkorde geeft hiervoor drie mogelijkheden. Van deze drie mogelijkheden achten wij persoonlijk die de beste, waarin kerkeraad en gemeente samenwerken. Bij een vacature worden door de gemeente namen ingediend en hieruit wordt door de kerkeraad een dubbeltal gesteld waaruit de gemeente dan een ambtsdrager kan kiezen. Vanzelfsprekend dienen er niet zomaar namen ingediend te worden. De gemeente zal naar eer en geweten die mannen dienen aan te bevelen, die vol zijn van geloof en van de Heilige Geest. Mannen die ook bekwaam zijn om de gemeente Gods te leiden. Dat is zeker in onze tijd brood-en broodnodig. Nuchtere, verstandige mannen, vol van geloof en van de Heilige Geest. Noch door de gemeente noch door de kerkeraad mogen andere maatstaven aangelegd worden dan geestelijke maatstaven. Er mag door geen van beiden geknoeid worden. Geen patijzucht of 'vriendjespolitiek' mag een rol spelen. Geen onheilig vuur noch ongeestelijkheid mag er zijn. Men mag nooit persoonlijk zijn en ook niet eigen eer zoeken. Op een eerlijke en geestelijke wijze dienen zowel kerkeraad als gemeente met deze hoogsbelangrijkste zaak om te gaan. De nuchterheid gebiedt ons wel neer te schrijven dat het er helaas niet altijd zo eerlijk en geestelijk aan toegaat. De partijzucht is ook onder ons soms ontstellend groot. En het gevolg daarvan is, dat gemeenten jarenlang door twist en nijd worden beheerst. En twist en nijd staat de levende bediening in de weg. Het werken Gods in de weg van de ambtelijke dienst wordt geblokkeerd. Daarom is het van zo'n eminent belang welke mannen een ambt bekleden, opdat het werk Gods voortgang hebbe en de gemeenten gefundeerd worden in het ene fundament dat door God zelf is gelegd in de Zoon van Zijn welbehagen. Christus is de allerhoogste Ambtsdrager en uit Hem moeten alle ambtsdragers bediend worden. Van Hem moeten zij steeds weer leren zachtmoedig te zijn en nederig van hart en ook de gemeente dienen dit te leren en steeds opnieuw te leren. Tot nu toe schreven wij nog niets over het gebed. Immers het gebed is van groot belang bij verkiezing en de roeping van een ambtsdrager. Daarover graag een volgend keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De roeping tot het ambt (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's