De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Levensschets prof. dr. K. Schilder (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Levensschets prof. dr. K. Schilder (2)

10 minuten leestijd

Doch laat ons liever vandaag, en morgen, maar vooral vandaag, beginnen met ieder binnen eigen kerkmuren God, den Verbondsgod, den Heere, de hand reiken... Dan komt er dat levende, konkrete samen-opnieuw-zich-institueren.'1)

'Doch laat ons liever vandaag, en morgen, maar vooral vandaag, beginnen met ieder binnen eigen kerkmuren God, den Verbondsgod, den Heere, de hand reiken... Dan komt er dat levende, konkrete samen-opnieuw-zich-institueren.'1)

Het leven van Schilder, die achtereenvolgens predikant geweest is te Ambt-Vollenhoven, Vlaardingen, Gorkum, Delft, Oegstgeest en Rotterdam-Delfshaven en daarna hoogleraar te Kampen, is bepaald door en nauw verweven met de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken in de jaren 1920-1940. Door C. Veenhof is die periode tussen 1920 en 1940 enerzijds genoemd 'die wondere tijd' en anderzijds 'in den chaos'. 'De gereformeerde volksgroep trad, gerekend naar wat voor ogen is, krachtig, zelfbewust en voorspoedig de dertiger jaren van onze eeuw binnen.'2) Veenhof wijst dan op de politieke aktiviteit der gereformeerden: de anti-revolutionairen onder Colijn gingen een machtspositie innemen. De christelijke scholen bloeiden, de Vrije Universiteit groeide, de gereformeerde jeugdorganisaties waren een en al actie. Na de synode van 1905 waren de spanningen, ontstaan na de vereniging van de Afgescheidenen en de Dolerende kerken, langzamerhand afgenomen. De deiningen in verband met de kwestie ds. Netelenbos en de procedure tegen dr. Geelkerken waren tot bedaren gebracht. De erfenis van Kuyper en Bavinck werd bewaakt en bewaard. 'Gerekend naar wat er van openbaar werd stond het er met de gereformeerde volksgroep zo om en de bij 1930 in velerlei opzicht goed voor. Er was daarin leven en activiteit. De organisaties bloeiden. De kerkdiensten werden globaal genomen goed bezocht. Krachtig streed men voor de handha­ving van de belijdenis. Wat dat betreft wisten de kerkelijke instanties van geen transigeren. Geen wonder dat in 1934 de Afscheiding en in 1936 de Doleantie met dankbaarheid en groot enthousiasme werden herdacht. Ministers der Kroon namen er aan deel! Welk een verschil met 1834 en 1886! Waren de gereformeerden niet tot een macht geworden in het land? '3) Toch waren er, die meenden dat het er met de Gereformeerde Kerken niet zo goed voorstond als op het eerste gezicht leek. Ging men werkelijk wel op echt reformatorisch spoor verder? Was de houding, waarin men kerk was, er niet vaak een van hoogmoed en farizeïsme? Materialisme, egoïsme en een verwereldlijking van het leven namen mét de welvaart toe. De prediking was wel orthodox, maar leefde niet echt. Het geestelijk leven boette in aan kracht. Het streven naar een zekere burgerlijkheid, naar rust en veiligheid, naar een materialistische levensinstelling en naar wereldgelijkvormigheid namen toe. C. Veenhof schrijft: 'In de twintiger jaren van deze eeuw beleefden de Gereformeerde Kerken een periode van inzinking. De grote figuren waren heengegaan. Bovendien werkten een aantal scholastiek-theologische concepties uit de nareformatorische tijd steeds verder door. Wijd verbreid was de constructie omtrent een in en een uitwendig verbond, of, als een variant daarvan, de idee van een verbond met een in- en een uitwendige zijde. De opvatting dat de doop, zal hij een echte doop zijn, aanwezig geloof vooronderstelt, werd algemeen als een onomstotelijke waarheid beschouwd. Onverzwakt bleef men er allerwege naar streven de zekerheid des geloofs te verbinden met het zelfonderzoek naar de kenmerken van het geloof. Een gemene-gratie-theorie volgens welke het mensenleven in twee terreinen werd verdeeld beheerste steeds meer de politieke, maatschappelijke en culturele activiteiten. De zogenaamde pluriformiteit der kerk werd door de overgrote massa onder leiding van enkele kopstukken theoretisch, maar vooral ook praktisch aanvaard. In onlosmakelijk verband daarmee onderscheidde men tussen een zichtbare en een onzichtbare kerk en opereerde men met termen als meer en minder zuivere openbaringen van het lichaam van Christus. En, last but not least, algemeen gangbaar was een opvatting omtrent de mens volgens welke deze een substantiële en onsterfelijke ziel zou bezitten die verbonden was met een stoffelijk en evenzo substantieel lichaam.

Onschriftuurlijke opvattingen

Behalve het genoemde, en zeer zeker ook meer als gevolg daarvan, werkten onschriftuurlijke opvattingen en tendenzen krachtig door in de gereformeerde wereld. Met name nam daarin de invloed van de ethische theologie hand over hand toe. Maar wat veel erger was: sinds de eerste wereldoorlog openbaarde zich steeds sterker een zorgwekkende verwereldlijking die de geestelijke kracht van de kerk verlamde. Enerzijds manifesteerde deze zich in een zeker pragmatisme dat de daardoor geïnfecteerden vooral uit deed zijn op macht en invloed. En anderzijds in een materialisme waardoor bij velen het zelfverloochenende zoeken van het Koninkrijk Gods op de achtergrond werd gedrongen.'4)

De Reformatie

In die tijd werd het blad De Reformatie opgericht, een blad bedoeld om de ontwikkelingen van het gereformeerde leven te stimuleren en te begeleiden en om leiding te geven aan het reformatorisch streven dat er in de kring der gereformeerde kerken bestond. Het eerste nummer verscheen op 24 september 1920. Van de Reformatie was Schilder eerst medewerker, later redakteur en tenslotte enige hoofdredakteur. Door middel van De Reformatie heeft Schilder in de Gereformeerde Kerken tussen 1925 en 1940 een geweldige invloed uitgeoefend, omdat De Reformatie hoe langer hoe meer zijn blad is geworden. Schilder is tevens een van degenen geweest, en ook de grootste, die in de dertiger jaren zeer krachtig in de Gereformeerde Kerken heeft gewerkt. Hij heeft zich allerleerst in dienst gesteld van de prediking van het woord, waarin het hem ging om het grote perspectief van heel de heilshistorie in het verband van heel de openbaring. 'Wat Schilders preken bovenal kenmerkte was de diepe, men mag wel zeggen: existentiële eerbied voor het Woord van God.' 5)

De Kerk

Verder heeft Schilder gestreden tegen de leer van de pluriformiteit der kerk en geworsteld om kerkelijke eenheid. Hij heeft het artikel 'ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk' weer tot een geloofsstuk gemaakt en tot een wezenskenmerk van de kerk: Jezus Christus is bezig met het tot Zich vergaderen van de mensheid zoals de Vader Hem die gaf. En kerk zijn is: in alles met Christus meevergaderen, beschermen en onderhouden. Voor Schilder hield dat in het vergaderd worden van de gelovigen tot en in de kerk die hier op aarde ook steeds zichtbaar is. 'Het geloof in de heel de wereld omvattende en alle eeuwen voort-durende kerkvergaderende activiteit van Christus impliceert nu ook, dat men nooit een bepaald, historisch gegroeid, gegeven kerkelijk instituut tot uitgangspunt, laat staan tot norm of doel van het kerkelijk handelen mag stellen. De grenzen van de kerk vallen nooit samen met die van een of ander kerkelijk instituut.' 6) In deze visie van Schilder zijn al zijn voornaamste theologische gezichtspunten in te passen: over het christelijke leven en de christelijke cultuur, over de confessionele gebondenheid der kerk, tégen Kuypers gedachten-complexen van gemene gratie en pluriformi teit der kerk, over verbond en doop, over de Drieënige God Die het heil in de historie werkt.

Invloed

Eerst als predikant en later als hoogleraar heeft Schilder in een stroom van publicaties een geweldige invloed uitgeoefend in de Gereformeerde Kerken, zeer velen aan zich verbonden en een school van leerlingen opgeleid en om zich heen verzameld. Van zijn hand verschenen vele boeken en brochures, talloze hoofdartikelen, meditaties, recensies en commentaren in De Reformatie - toen het grootste kerkelijke blad in gereformeerde kring. Met zijn scherpe blik nam Schilder alles waar wat er gebeurde binnen de Gereformeerde kerken en daarbuiten, 'en alles wat hem daar boeit, verontrust of vertoornt, wordt in het volle licht geref.7)

Kritiek

Onafwendbaar kwam zo voor hem de strijd en even onafwendbaar kwam op hem de kritiek. Dat er kritiek op Schilder kwam was te verwachten. 'Maar de kritiek uit de genoemde jaren was in vele gevallen slecht, omdat ze niet beantwoordde aan de christelijke norm daarvoor. Zo werd b.v. door de pers het gerucht verspreid dat er in de kerken een of andere geheime organisatie bestond, welke gevormd werd door lieden die de waarheid dat alleen wederbarende genade in staat stelt het verbond te aanvaarden, veronachtzaamden; die niet wilden weten van een evangelie dat voor de armen van geest is bestemd en die voorbijzagen of ontkenden dat Christus voornamelijk gekomen is om zondaren zalig te maken. Bovendien werd den volke luide verkondigd dat er nieuwlichters waren opgestaan die zelfs van geen zelfonderzoek wilden weten. Vooral de hoogleraren H. H. Kuyper en V. Hepp hebben zich in die dagen van een slechte kant laten zien. Op de synode van Amsterdam in 1936 verzekerde prof. Kuyper dat de toestand in die dagen erger was dan vóór Assen. Er was, zo insinueerde hij, een nieuw geslacht opgestaan dat afgedaan had met Kuyper en Bavinck en zelfs met Calvijn. Bij dit boze bedrijf werd prof. kuyper trouw gesecondeerd door prof. Hepp die behalve veel ander fraais ook een serie brochures, onder de titel' 'dreigende deformatie'' de wereld inzond.'8) En zo gingen de Gereformeerde Kerken vanaf 1936 tot 1942/'43 een aaneenschakeling van conflicten vertonen, die zich met name toespitsen op vragen rondom genadeverbond en doop.

De doop

In 1905 waren Afgescheidenen en Dolerenden tot een consensus gekomen. 'Volgens de Belijdenisgeschriften is de Heilige Doop wezenlijk één met de besnijdenis. Hij betekent en verzegelt niet wat in de dopeling aanwezig is, óf verondersteld wordt aanwezig te zijn, maar de beloften van het genadeverbond, in het Evangelie geopenbaard. En hij geschiedt niet op grond van de vooronderstelde-wedergeboorte, maar op grond van 's Heeren bevel aan hen die van hun geloof belijdenis doen, én aan hun kinderen, omdat ook hun de beloften des verbonds zijn toegezegd.'9) Maar de synode der Gereformeerde Kerken deed in de jaren 1942 en volgenden leeruitspraken die hiermee in strijd waren en waartegen dus fel verzet rees. 'Daarin werd o.a. uitgesproken dat de kinderen des verbonds voor wedergeboren gehouden moeten worden; dat indien de doop waarlijk doop is deze aanwezige, inwendige genade verzegelt en dat de doop van niet-uitverkorenen niet als een doop-in-vollezin mag worden beschouwd.'10) Toch zette de synode door. Candidaten in de theologie moesten instemming betuigen met deze leeruitspraken, die tegen het onderwijs van Schilder ingingen. Men kende deze belijdenisverklaring hetzelfde gezag toe als de belijdenis zelf. Aan een op de leeruitspraken toegevoegde Toelichting en Prae-advies kende men groot dogmatisch gezag toe. Het werd al moeilijker de theologische vraagstukken alsnog bespreekbaar te maken. Schilder diende bezwaarschriften in van theologische en kerkrechterlijke aard (over het feit dat de synode onrechtmatig vergaderde). Met het feit dat Schilder - het was oorlogstijd, 1942/'43! - ondergedoken zat en niet mocht publiceren werd geen rekening gehouden. Persoonlijke tegenstellingen en openlijke vijandigheden tussen Schilder enerzijds en H. H. Kuyper en V. Hepp van de Vrije Universiteit anderzijds én met de leiding van de synode van Sneek/ Utrecht hebben de gang van zaken nog extra verscherpt. Schilder en andere bezwaarden werden gedwongen zich over de synodale gang van zaken uit te spreken en de theologische leerstellingen te aanvaarden. Zij verklaarden onmogelijk aan het synodale voorschrift te kunnen voldoen. Daarop werden strenge tuchtmaatregelen genomen. De synode reageerde met het schorsen en afzetten van de hoogleraren Schilder en Greydanus en met het weren van cand. H. J. Schilder uit het ambt. De kerk van Bergschenhoek werd uit het verband der kerken gestoten. Het voorbeeld der synode werd daarna in heel het land door de mindere vergaderingen nagevolgd. Ten gevolge van dit optreden der kerkelijke vergaderingen maakten vele kerken, ambtsdragers en kerkleden zich vrij. Op 11 augustus 1944 werd in 's Gravenhage een landelijke vergadering gehouden, waar Schilder de Acte van Vrijmaking of Wederkeer voorlas. De Vrijmaking was begonnen. In dit verband van de jaren 1920-1944 moet het leven van Schilder worden gezien.

1. K. Schilder in Ons aller Moeder Anno Domini 1935, opgenomen in Verzameld Werk, De Kerk II, p. 232/3.

2. C. Veenhof: Die wondere tijd; artikel in de almanak FQI '61-'63 p. 157.

3. idemp. 159/60.

4. C. Veenhof 'Om Kerk te blijven' p. 9-11.

5. C. Veenhof 'Die wondere tijd' p. 175.

6. Zo gaf C. Veenhof in 'Die wondere tijd' p. 178 Schilders visie weer.

7. C. Veenhof, artikel Ten Geleide, in het Gedenkboek K. Schilder 1952, p. 12.

8. C. Veenhof 'Om Kerk te blijven' p. 15-17.

9. C. Veenhof, 'Om de Unica Catholica' p. 24.

10. C. Veenhof 'Om Kerk te blijven' p. 17.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Levensschets prof. dr. K. Schilder (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's