Ds. Meijers op Combi-Synode
Bij herhaling is in persoonlijke en ambtelijke gesprekken maar niet minder uit de openbare kerkelijke pers gebleken, dat er grote zorgen bestaan over het confessioneel gehalte van het samengaan van de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken.
Bij herhaling is in persoonlijke en ambtelijke gesprekken maar niet minder uit de openbare kerkelijke pers gebleken, dat er grote zorgen bestaan over het confessioneel gehalte van het samengaan van de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken. Misschien mag ik, als iemand die zelf deze zorgen niet alleen begrijpt maar ook deelt, iets zeggen over de wijze waarop ik het Samen-op-Weg proces beleef, niet om uw interesse te wekken voor mijn persoonlijke belevingswereld, maar omdaarmee wellicht anderen te dienen. U moogt daarbij bedenken dat ik het aanvaarden van enige verantwoordelijkheid in deze niet heb geschuwd, ook al ontbreekt bij mij zowel het enthousiasme als het verwachtingspatroon dat de arbeid van anderen die midden in dit proces-staan, zo vaak kenmerkt. Voor hun inzet en de achtergrond daarvan heb ik respect, maar innerlijk blijf ik buitenstaander, die bereid is deeltaken te vervullen. Dit heeft ook gemaakt dat ik in de Commissie Kernen van Belijden - waarvan de resultaten vanmiddag aan de orde komen - niét als gesprekspartner maar wél als betrokkene op de zaak der hereniging enigermate een buitenstaander ben gebleven.
Naar mijn oordeel zijn twee vragen centraal bij het samen-op-weg-gaan van de kerken. De eerste is deze: hoe zwaar tillen we aan de opdracht tot zichtbare eenheid van het lichaam van Christus op aarde. De tweede is: hoe verstaan we de eis van de tijd. Misschien is mij over beide vragen een enkele opmerking gegund. Naar mijn overtuiging dient ieder aan wie de leer lief is, het belijden van de eenheid der kerk even serieus te nemen, ook in zijn practisch kerkelijk handelen, als andere grondwaarheden uit de Schrift, waardoor de kerk zich gedragen weet. Juist diegene voor wie de leer der Schrift en de belijdenis der kerk méér is dan een vrucht van, altijd toch min of meer willekeurige, menselijke interpretatie, ziet zich ten overstaan van de belijdenis van de éne Christelijke Kerk hier voor het blok gezet. Op de vorige Synode werd dit onder woorden gebracht door een rapport, aangeboden door Kernen van Belijden, en door de Synoden aanvaard. Wanneer het waar is dat het onze opdracht is in deze wereld om 'de leer te leven', en dat het de leer is die het leven altijd weer oproept en draagt en stimuleert, omdat de God van de openbaring zó met mensen omgaat, zal zijn confessionele zorg dan óók moeten laten gaan over de eenheid der kerk als geloofsartikel, zo men wil als dogma, der kerk. Wie dit eenmaal ziet beseft dat we met een goedkope tegenstelling als zouden aan de ene kant de mensen staan die de leer willen vasthouden, en aan de andere kant degenen die het inhoudelijk belijden bereid zijn te relativeren, niet meer uit de voeten kunnen. Ondanks de, naar ik denk realistische gedachte, dat de nieuwe kerk niet meer zal zijn dan een bundeling van onderling verdeelde stromingen - zoals elk van onze kerken nu óók is - , met dezelfde aanvechtingen, en naar ik vrees met hetzelfde onvermogen om met eenparige stem te spreken over de wil Gods voor het heden, moet het nochtans mogelijk zijn straks in de nieuwe kerk eenzelfde weg té gaan als we nu ieder in onze eigen kerk gaan. Ook geloof ik dat het beroep op de eis van de tijd zwaar moet wegen. Niet, wanneer dit beroep gedragen zou worden door de eigentijdse gedachte dat de inspraak van de mens, met name van de gelovige of religieuze mens, zodanig zwaar gewogen heeft en weegt in het verleden en heden, dat religieuze en enthousiaste mensen, als ze eenmaal aan de gang gaan, claimen mogen in de weg van de gehoorzaamheid te gaan. Wél echter is in onze tijd een aspect van onze geloofwaardigheid in het geding. Als kerken zeggen we: 'we zijn anders. Iemand anders houdt ons samen, brengt ons bijeen', en het is juist in onze cultuur de Naam van die Andere, die slijt. Als de kerk een exemplaar van de soort 'groep', een bundeling van religieuze mensen, zou zijn of worden. houdt ze op kerk te zijn en heeft ze de wereld niets meer te zeggen. Als we de zichtbare eenheid niét najagen, handhaven we de belemmeringen die de geloofwaardigheid van de kerk in de wereld in de weg staan. Daarom moet het naar mijn oordeel mogelijk zijn, zonder iets uit het aan beide kerken toevertrouwde belijden der vaderen te relativeren, bepaalde zaken ten achter te stellen, zo men wil voor zich uit te schuiven, terwille van hetgeen méér dan ooit, en anders dan vroeger, als opdracht op ons afkomt. Geen starheid, geen relativisme, maar concentratie op het hart van het evangelie, de Persoon van Jezus Christus in Zijn werk naar de Vader toe en naar ons toe.
Uit hetgeen hierboven gezegd werd, komt voor mij een drietal overwegingen op die ik straks in de vorm van een motie aan de gecombineerde Synoden wil voorleggen.
1. In de eerste plaats is bij mij de overtuiging gegroeid, dat over een toekomstig samengaan van onze kerken geen zegen te verwachten valt, wanneer wij het verleden dat ons uiteendreef, overslaan. Het gevaar dreigt dat wij, hetzij om practische, economische redenen, hetzij uit idealisme, hetzij uit een zekere ongeïnteresseerdheid inzake de voorgeschiedenis van onze beide kerken, het oog dermate naar de toekomst slaan en ons op een nieuw-beginnen vastleggen, dat het schip waarop we uitvaren niet schoon is gemaakt. Er moet rondom de vragen van afscheiding en doleantie schoon schip gemaakt worden. Om col. Weiland eens af te vallen, en aanhakend bij een citaat uit een stuk dat Kernen van Belijden presenteert vanmiddag: wij zijn niét geroepen om onze handen te steken in de spaken van het rad van de geschiedenis. Wanneer ik mij goed herinner is dit citaat weggelopen uit een nu wat overjarig geworden verkiezingsprogram van een partij die het óók niet kon. Weliswaar kunnen wij mensen binnen het kader van de geschiedenis veranderingen en wendingen bewerkstelligen, we kunnen de geschiedenis zélf niet veranderen; dat is niet aan mensen gegeven, niet aan praesides van de Synode, niet aan de paus, niet aan Weiland, zelfs aan mij niet.(!) De geschiedenis is niet alleen de stroom van het gebeuren, maar omvat tevens datgene wat dit gebeuren heeft voortgebracht, en datgene wat gebeurd is heeft weer zijn invloed op wat gebeuren gaat, en op ons die na dit gebeuren komen, en er achter staan, hetzij letterlijk hetzij figuurlijk. Kerken die leven van de heils-feiten zijn gehouden feiten serieus te nemen. Ons vertrekpunt ligt niet in een niemandsland, zelfs niet in een vergroeide situatie, maar in een daad: een acte van afscheiding van een kerk die de ander Hét gaan. Wie wérkelijk naar de toekomst wil leven zal óók en misschien wel éérst moeten terugkoppelen naar het verleden. Tot heden is, naar mij bekend, over dit verleden geen uitspraak gedaan. Wij zijn ingezet bij het positieve én negatieve dat in beide kerken aanwezig is. Dit is mij onvoldoende: zo negeert men dat de geschiedenis óók haar eigen substantie heeft, dat' er klonten zitten in de stroom der geschiedenis, en dat het er na die klont anders uitziet dan daarvoor. Ik hoop dat ik niet misverstaan word: ik heb geen enkele neiging om kerkelijk uit te spreken dat de eigenlijke schuld in het verleden bij deze of gene kerk lag. Wél denk ik dat, willen wij onder de ogen Gods voortgaan, in een werkelijk oecumenische geest, wij samen zullen moeten inzetten bij de schuldbelijdenis jegens de Heere en elkaar, om zo temeer toekomst te ontvangen, want nog nóóit is een kerk van zondaren met de zegen overgeslagen. Daarom stel ik de volgende motie aan de orde:
De Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, in gecombineerde synodevergadering bijeen, dragen aan de beide moderamina op een gemeenschappelijke verklaring te ontwerpen, waarin tot uitdrukking komt dat beide kerken hun gescheidenheid niet anders kunnen verstaan dan als schuld voor God, dat de Hervormde Kerk daarbij met name denkt aan de wijze waarop zij tot de scheiding aanleiding heeft gegeven, het klimaat ervoor heeft bevorderd, om vervolgens de gescheiden kerken te laten gaan, waarbij de Gereformeerde Kerken met name denken aan hun eigen aandeel in de breuk der scheiding door zich te onttrekken aan een vervallen kerk. Deze verklaring zal het karakter van een schuldbelijdenis dienen te dragen, bestemd om de instemming van beide, al of niet gecombineerde, synoden te verwerven, om zo de ontvangst van de zegen voor te bereiden die beide kerken over hun toenadering afbidden.
In deze motie heb ik dan op mijn wijze verwoord dat de rechte eenwording geen mensenwerk is, maar een gave die present is waar mensen samen buigen in de verootmoediging om eigen en eikaars schuld. Zonder dit geen vruchtbaarheid.
2. Een volgende zaak die mij zeer aangelegen is, is die van de consensus waarop in de voorstellen der beide moderamina gedoeld wordt, een consensus die aan de inspraak van de gemeente zal worden onderworpen, om daarna als uitgangspunt te dienen voor verder handelen. Ik kan mij voorstellen dat wij, wanneer, zoals in het verleden gebeurde, met een lutherse traditie geconfronteerd worden, voor de noodzaak van een consensus geplaatst worden; een andere traditie komt dan op onze weg, en er moeten bruggen geslagen worden. Dit is echter op deze wijze tussen onze kerken niét aan de orde. Zijn wij niet kerken die beide uit het verleden de gereformeerde belijdenis hebben meegekregen? Ondanks alle slijtage van de eenheid in het belijden die zich in beide kerken op vergelijkbare wijze aftekent, blijft deze belijdenis de enige die wij hebben en zou het hebben van deze belijdenis op zichzelf al een garantie moeten bieden voor geestelijke eenheid temidden van de pluraliteit. Dat dit niét het geval blijkt te zijn, mag voor ons nooit een reden vormen om de pluraliteit met al te grote welwillendheid tegemoet te treden, maar moet ons tot nieuw beleven en inleven brengen van hetgeen ons vanuit de belijdenis op gelijke wijze geschonken is: het leven uit de bron van gisteren heeft alles te maken met het drinken uit de bron van morgen. Op dit punt wil ik dan ook openlijk distantie scheppen tussen het stuk over de pluraliteit dat Kernen van Belijden vanmiddag aanbiedt en mijzelf, als medeverantwoordelijke. Nergens in de bijbel vinden we de opdracht pluraal te zijn, maar overal in de bijbel vinden we het gegeven van de pluraliteit. De opdracht is: de eenheid te beleven, te werken en te bewaren. De bijbel gaat niét verder, wetende dat wij, zondige mensen, hieraan onze handen en harten vól hebben. Nu denk ik niet dat de belijdenis uitputtend heeft gesproken vóór onze tijd, maar ik denk wél dat de bron van de belijdenis nog niet is uitgeput dóór onze tijd. Welke theologisch doorwrochte consensus men nu ook wil aandragen, hij zal gedoemd zijn óf onder de maat van de belijdenis te zijn, óf tot belijdenis te worden verheven en zo geestelijk over het paard te worden getild. Bedenken wij, welke problemen met name door Kernen van Belijden voor zich uit zijn geschoven om in de nieuwe kerk mee te gaan: dat van de geboorteleden, dat van de basisgemeenten, dat van de volwassendoop, dat van het politieke spreken der kerk enz. Over deze zaken komt ook geen eenstemmigheid. Aangezien het voorstel om tot een consensus te komen door de programmamakers van deze vergadering al op blz. 39 staat, en niét aanhaakt alleen bij hetgeen Kernen van Belijden op tafel legt, hoort ook de afwijzing van de mogelijkheid naar een consensus te werken hier ter tafel. Bij zoveel voor ons uitgeschoven zaken wekt een consensus de suggestie van een eenheid die niet bestaat. Bovendien: waarom een ecclesiologische consensus, en bijv. geen christologische of soteriologische? De keuze is willekeurig, en roept het verwijt op van dubbelhartigheid bij hen die de theologische en kerkelijke situatie in haar verdeeldheid ondervinden. Mijn motie luidt daarom:
De Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, in gecombineerde synodevergadering bijeen, spreken uit, dat hun toekomstige eenwording op geen enkele wijze gediend wordt door de opstelling van enige consensus, omdat het gezag van de belijdenis die beide kerken gelijkelijk inbrengen, samen met het leven uit die belijdenis, de beste waarborg is voor een nieuw ontstaan van consensus in het geloven, zowel in als tussen de beide kerken, en daarom ook in de kerk van de toekomst.
Overwegende echter dat alle belijden op voortgang is afgestemd, begeren de kerken de uitwerking hiervan over te laten aan de nieuwe kerk zelf onder de leiding van de Heilige Geest Die ons geschonken en beloofd is.
Tenslotte nog een kort woord over de voorgestelde terminering, de vaststelling van een datum waarop de beide kerken zich in staat van vereniging zullen verklaren. Naar mijn oordeel dient een dergelijke terminering de zaak zelf niét. Ik denk dat wij onze kracht geheel zullen moeten zoeken in het kerkordelijk en organisatorisch in overeenstemming brengen van de structuur van onze beide kerken. In die tussentijd mag de tussenorde uitgroeien, al naardat de praktijk daarom vraagt. Met name de voorgestelde reactivering van de classicale verga deringen zal daarbij centraal moeten staan. Het zich in staat van vereniging verklaren moet opkomen uit het leven der kerk zelf, en niet de logische konsekwentie worden van enige formeel aanvaarde inhoudelijke consensus.
Dat dit proces bewaakt en gestimuleerd moet worden, is duidelijk. Het voorstel om tè komen tot een kernsynode die deze taak op zich neemt acht ik echter een bureaucratische misgreep. Deze kernsynode is m.i. gedoemd tot een bovenkerkelijk orgaan te worden dat de bestaande synoden terroriseert - een uiterst onpresbyteriale constructie, omdat geen van beide kerken een gezag aanvaarden kan dat boven de synode uitgaat - , dan wel te worden tot een machteloos en gefrustreerd gezelschap zonder bevoegdheden, een soort Raad van Straatsburg, ijverig, vruchteloos, bij voortduur overspannen, en erg duur. Vandaar mijn motie:
De Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, in gecombineerde synodeveradering bijeen, spreken uit, dat het proces van hun hereniging niet gediend wordt door het in leven roepen van een kernsynode, maar van binnen uit moet opkomen, en bewaakt dient te worden door de beide moderamina zelf, daarbij begeleid door de Raad van Deputaten; en: dat iedere terminering van de datum van de staat van vereniging in strijd is met de aard van het proces der hereniging zelf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's