Het noemen van de naam des Heeren
Het einde moet open blijven; we moeten vooral luisteren; we moeten niet voortijdig in de rede vallen met het Evangelie, met het Woord Gods.
De laatste weken hebben we een aantal keren gesignaleerd, dat het onder christelijk vlag soms weinig christelijk en onder kerkelijke vlag soms weinig kerkelijk kan toegaan. We vroegen naar de kerkelijke verantwoordelijkheid van IKV en IKON. Daarover wil ik het nu niet meer specifiek hebben. Wél over wat genoemd werd het 'open einde' zoals dat gold voor b.v. IKON-jeugdseries. Jongeren worden aan het woord gelaten, welke achtergrond, normen of opvattingen ze ook hebben, maar er komt geen afrondend slot, geen uitzichtgevend of uitweg-biedend woord vanuit het Evangelie. Het einde moet open blijven; we moeten vooral luisteren; we moeten niet voortijdig in de rede vallen met het Evangelie, met het Woord Gods.
Wanneer dat richtinggevende dan wél komt? Wanneer dan tóch woorden uit het Woord gesproken (mogen) worden? Die vraag bleef open. Te vrezen is dat die woorden lang, te lang op zich laten wachten. Dit is slechts één voorbeeld. We noemen het orgaan van de Hervormde Jeugdraad, waarin we de Naam des Heeren niet één keer genoemd zagen. En moeten we dit tot onze schaamte niet vaak opmerken? Hier geldt het woord van Jezus tot Martha: gij verontrust u over vele dingen maar één ding is nodig. Het brede maatschappelijke, politieke, culturele leven kan worden geanalyseerd, doorlicht en van onze commentaren worden voorzien, maar het licht van het Woord schijnt er niet meer doorheen. En de Heere God schijnt de grote afwezige te zijn. Zodat veel wat zich als christelijk aandient 'een zouteloos zaakje' (Van Ruler) schijnt te zijn. Tussen een woord van de wereld en de boodschap van de kerk ligt immers een afstand van duisternis tot licht.
Huiver
Ik besef best dat er eerst ook iets anders gezegd moet worden. Er mag ook wel huiver zijn voor misbruik van de Naam des Heeren. En dan bedoel ik niet eens in de zin van blasfemie, godslastering. Want als het goed is ligt het hier zonneklaar. Maar de Naam des Heeren kan ook worden misbruikt wanneer wij deze te pas en te onpas gebruiken; wanneer wij onze zaakjes vereenzelvigen met Gods zaak; wanneer wij al te gemakkelijk de Heere voor onze meningen en opvattingen, voor onze daden en activiteiten, voor onze organen en organisaties , voor onze kerkelijke of wereldlijke belangen in willen winnen. Het 'zó spreekt de Heere' overstijgt altijd ons horen. Zijn spreken is hoog en heilig. Ons horen en in verantwoordelijkheid, in gebondenheid aan Zijn Woord handelen en spreken is altijd ten dele. De profeten kenden de huiver voor de Heilige ('wee mij ik verga') en desalniettemin hebben ze in Zijn Naam gesproken. In Psalm 118 wordt zelfs gesproken over het'verbouwen' in de Naam des Heeren van diens vijanden. Het staat echter wel in 'een danklied tot Gods eer'. Voor men zoiets in Gods Naam zeggen mag moet men dan ook wel weten wat men zegt en tot wie men het zegt.
Het is bekend dat de Joden uit het derde gebod hebben afgeleid dat ze de naam Jahwe niet mochten gebruiken en dat ze daarom (vanaf ongeveer 300 voor Christus) waar die naam voorkwam in het Oude Testament Adonai lazen, de naam waarvan de klinkers aan JHWH werden toegevoegd tot Jehova. De lastering van die Naam, van JHWH kwam op steniging te staan (zie Lev. 24 vs. 11, 16). Het is de Naam bij uitnemendheid, de eigennaam, die niet ijdel (godslasterlijk) maar ook niet argeloos mag worden gebruikt. Die Naam wordt dan ook nooit met bezittelijke voornaamwoorden (mijn, ons, zijn, haar) verbonden. Dat betekent dat al te grote minzaamheid, al te grote famiJiariteit niet past bij het gebruik van de Naam. Dat betekent dan op z'n minst ook dat huiver geboden is om die Naam voor onze zaken te ge(mis)bruiken.
Het wil wel voorkomen dat in zaken, waarin mensen onrecht wordt aangedaan (naar hun mening), ze zich beroepen op Openbaring des Heeren. Soms wil men zo ook kracht bijzetten aan eigen opvatting of overtuiging. De Heere heeft het mij zo geopenbaard, heet het dan. Maar Gods Woord is onze enige norm, hanteerbaar ook in onze geschillen en verschillen. Een (directe) openbaring aan ons, buiten het Woord om, komt echter niet in aanmerking, is misbruiken van Zijn Naam. Hoezeer ook de Heere zich aan zijn kinderen openbaart en hoezeer hij ook sprekend tot hen spreken wil, ook in concrete situaties: altijd vanuit het Woord zélf, en dan wel soms bepaald vanuit concrete Schriftwoorden, die de Heere door Zijn Woord aan ons hart brengt.
Over misbruik gesproken, het komt soms voor dat mensen in meningsverschillen, in onrechtmatige bejegening, gebruik maken van het Schriftwoord dat het beter is te vallen in Gods handen dan in mensenhanden. En hoe waar dit woord op zich ook is, als het dient om onze zaak met Gods gezag (toe) te dekken is er iets grondig mis. We zijn immers zo gemakkelijk geneigd om het Woord Gods louter in ons voordeel toe te passen. Ooit hoorde ik eens in een preek zeggen: 'wie krijgt ooit een waarheid tot zijn veroordeling?' Nogmaals, gebruik van de Naam des Heeren maant tot voorzichtigheid. Gebruik van het Woord des Heeren zal moeten geschieden in afhankelijkheid: 'spreek Heere, uw knecht hoort'.
2. Tim. 2 : 19
'Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: de Heere kent degenen die de Zijnen zijn; en: en iegelijk, die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.' Dat zegt Paulus in 1 Tim. 2 : 16. Ons geloof hangt niet aan mensen, zegt Calvijn hierbij. De Heere kent de zijnen. Zo stellig mag het van God uit worden gezegd. Maar het is dan ook duidelijk dat wie (in Christus) Zijn Naam noemt kenbaar is aan zijn wandel. 'Die zegt dat hij van het volk Gods is en voor zulk één geacht wil zijn, die vliede van alle goddeloosheid, want de Naam des Heeren aanroepen is hier zoveel als roemen van Zijn Naam, of zich hoog beroemen van zijn kudde te zijn' (Calvijn). Dus toch ook: roemen. De Schrift is daar ook vol van . Het mag en kan lijden om de Naam des Heeren te belijden. 'Ik schaam mij het evangelie van Christus niet', zegt Paulus (Rom. 1 : 16), want het is een kracht Gods tot zaligheid, een ieder die gelooft, eerst de Jood en ook de Griek'. Paulus kende geen 'open einde', waar hij ook sprak niet en tot wie hij ook sprak niet. Hij verkondigde de onbekende God, die de mens gemaakt heeft en zijn tijd en woonplaats bepaald heeft 'Opdat zij de Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons' (Hand. 16 : 26, 27). En met heilige vermetelheid mag Paulus zeggen tot Agrippa dat hij wel wenste dat deze en allen die hem hoorden 'zodanig werden gelijk als ik ben'.
Een 'open einde' in de confrontatie, die Paulus had als apostel met diegenen, die op zijn weg kwamen, zou voor hem verraad aan het evangelie zijn geweest. Daarvoor was hij teveel doortrokken van de ernst van het gericht Gods: wij bidden u van Christuswege laat u met God verzoenen! En waar het hart vol van is loopt de mond ook nog een keer van over. Het leven van een christen mist de dimensie van het getuige zijn als élk gesprek, als élke ontmoeting een open einde heeft.
De rechtvaardige kent tijd en wijze, maar de Naam des Heeren zal hem ook over de lippen komen. Omdat hij weet wat het betekent om die Naam aan te roepen.
Reveil
Er zijn twee soorten christenen, heette het bij de behandeling van de IKON stukken op de synode: zij die troost zoeken en zij die maatschappelijk betrokken zijn. Een mistekening, een versimpeling ook, van het echte christen zijn. Het gaat immers allereerst om de eer van God. Wanneer we beseffen, dat het in het (christen)-leven gaat om de Gloria Dei, de eer Gods, dan gaat het én om de eer van God in het behoud van mensen (óók zelfs in hun oordeel) én om de maatschappelijke verbanden. Te vrezen is dat daar, waar deze twee elementen uiteen worden gehaald in een onderscheiden van twee soorten christenen, de Heere niet echt gekend wordt, zoals Hij zich door Zijn Woord in Zijn Zoon openbaart. Ik ga - gevaarlijk genoeg - een stap verder. Iemand kan onvoldoende zicht hebben op de maatschappelijke betrokkenheid van het Woord Gods (tot schade van zijn christelijke leven) en tóch tot zijn eeuwige bestemming komen, omdat hij weet van het 'Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven'. Een mens kan ook - en dat is de andere kant - zijn hele leven gesjouwd hebben aan de maatschappelijke vragen en, als het er op aankomt, de enige troost missen, omdat hij met zijn maatschappelijke betrokkenheid alléén niet in het gericht bestaan kan. Omdat toch al het bezig zijn niet gericht is op het uitzeggen van de Naam des Heeren in woord en daad.
Moet de kerk in al haar handelingen, organen, activiteiten niet altijd op het oog hebben dat elke ontnioeting met mensen, die buiten het Woord leven, de enige ontmoeting zijn kan, zodat een 'open einde' ook een keer als schuld wordt aangerekend, omdat de naam niet over de lippen kwam?
Teveel lijkt ons kerkelijk bezig zijn vaak op een menselijke zaak, desnoods een theologische zaak; te weinig wordt vaak beseft dat het gaat om het uitzeggen van, het noemen van de Naam, de Enige Naam in Christus, in deze wereld. Hoe vaak wordt het aanroepen van de Naam ook al niet achterwegen gelaten op kerkelijke bijeenkomsten. Toegegeven, ook hier kan overdaad schaden, omdat achteloosheid en vanzelfsprekendheid in al te frequent bidden op de loer liggen. Maar de Heere wil van het huis Jacobs gebeden zijn. Nooit wordt Hij - zegt Hij - tevergeefs gezocht.
Het lijkt het intrappen van een open deur. Maar toch zeg ik het in diepe hunkering: we hebben een Réveil nodig, een ontwaken door de Geest. Waardoor de aandrang ontwaakt om in ootmoed en afhankelijkheid en toch in beslistheid en verrukking de Naam aan te roepen en uit te zeggen. Opdat mensen weten dat er hulp en verwachting is in hulpeloze en hopeloze tijden en levens, troost in troosteloze situaties, en vooral verlossing van schuld en de gevolgen daarvan. Op kerkelijke vergaderingen moest soms maar eens een uur lang niemand iets zeggen. Alleen om de Naam des Heeren aan te roepen. Kunnen we nog bidden, bid dan mee!
Om weer te leren welke kracht in die Naam ligt. Om misbruik af te leren, om ook te vanzelfsprekend gebruik af te leren en om gebruik weer aan te leren. William Booth, de stichter van het Leger des Heils zag ze (ons) voor zich: christenen zonder hemel, zonder bekering, zonder verlossing. Maar Graf Ludwig von Zinzendorff, pionier van de Inwendige Zending wist ervan; 'Ik ken maar één hartstocht, dat is Hij, slechts Hij'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's