De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De roeping tot het ambt (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De roeping tot het ambt (4)

9 minuten leestijd

Het zal ons bekend zijn, dat sommigen van mening zijn, dat de inwendige roeping pas écht is, wanneer men iets heel bijzonders heeft ondervonden.

Na in de voorgaande artikelen met eikaar te liebben nagedacht over de uitwendige roeping en verkiezing tot het ambt door de kerk, zo willen wij nu onze gedachten laten gaan over de inwendige roeping. Over deze verborgen of inwendige roeping tot het ambt is Calvijn erg kort. In boek 4, hoofdstuk 3, 11 van de Institutie schijft hij iets over deze verborgen roeping tot het ambt. Hij beperkt zich daarin slechts tot het ambt van dienaar des Woords, ofschoon men het op dezelfde wijze kan zegen van iemand die geroepen wordt tot het ambt van ouderling of diaken. Wij lezen dan bij Calvijn: 'De verborgene echter, van welke iedere dienaar zich voor God bewust is, en van welke hij de kerk niet tot getuige heeft, ga ik voorbij. Zij is het goede getuigenis van ons hart, dat wij het aangeboden ambt aannemen niet uit eerzucht, noch uit hebzucht, noch uit enige andere begeerte, maar uit een oprechte vreze Gods en uit lust om de kerk op te bouwen. Dit getuigenis is, zoals ik gezegd heb, voor een ieder van ons noodzakelijk, wanneer wij onze dienst bij God aangenaam willen maken!' In dit spreken van Calvijn valt ons op, dat hij voor die inwendige roeping tot het ambt geen bijzondere dingen aanvoert.

Geen bijzondere dingen

In het kader van ons onderwerp willen wij hierop een ogenblik ingaan. Het zal ons bekend zijn, dat sommigen van mening zijn, dat de inwendige roeping pas écht is, wanneer men iets heel bijzonders heeft ondervonden. Een stem óf een visioen is, dan een speciaal openbaringsmiddel waardoor men weet, dat de Heere inwendig roept. Calvijn verwijst hiernaar in het geheel niet. Met stemmen en allerlei visioenen dienen wij daarentegen altijd heel voorzichtig om te gaan. Geldt dat in het persoonlijk geloofsleven al, dan tóch zéker wanneer men geroepen wordt tot het ambt. Wanneer de Heere spreekt, dan spreekt Hij door Zijn Woord. En laten wij ons aan Zijn Woord ten alle tijden houden! Dat is het openbaringsnriddel dat God aan ons gegeven heeft. Hoe hard het misschien moge klinken, maar allerlei stemmen en visioenen buiten het geopenbaard Woord om zijn van nul en generlei waarde. God spreekt tot ons door Zijn Woord en wanneer iemand wil tegenwerpen, dat er in de Schrift toch ook wel gesproken wordt over visioenen, dan dient men er goed op te letten, dat zulk een visioen altijd direkt werd gevolgd door het spreken van God zelf. Wij zullen ons alléén door het Woord van God laten leiden. Onze vaderen hebben zich niet laten leiden door stemmen of visioenen, doch door het onfeilbare Woord Gods. Van hoe onschatbare waarde het Woord is zal ons duidelijk zijn, wanneer wij artikel 2-7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis erop nalezen. Wanneer er meer kennis van de Schrift en de belijdenis der kerk zou wezen zouden er inzake de inwendige roeping tot het ambt minder ontsporingen zijn. Het zou niet van een stem of van een visioen verwacht worden, doch van de levende stemme Gods door Zijn Woord. Wij willen echter de inwendige roeping tot het ambt niet alleen afgrenzen tegen het ontvangen van stemmen en visioenen. Er is in dit geval nog een zaak die ons na aan het hart ligt. Sommigen menen, dat de inwendige roeping tot het ambt eerst met een geweldige tegenstand gepaard dient te gaan om dan uiteindelijk voor het ambt ingewonnen te worden. Hierover zouden wij toch wel iets willen zeggen, omdat dit wel eens als een echt 'kenmerk' gezien wordt.

Altijd weerstand tegen de roeping Gods?

Wij stellen als eerste dat een ieder, die tot een ambt wordt geroepen door de Heere, moet worden ingewonnen. Het getuigenis Gods zal in ons hart weerklank dienen te vinden. Laten wij evenwel niet menen, dat de wegen waarlangs de Heere roept tot Zijn dienst voor allen dezelfde zijn. Voor een ieder die waarlijk geroepen wordt door God, bepaalt Hij de weg. Men kan ook wel eens te hard willen lopen zonder dat God roept en wanneer Hij roept, wérkelijk roept kan men zeer veel weerstand bieden. Denkt u in dit verband aan Mozes. Als prins aan Farao' s hof meende hij zich tot leider van Israël te moeten opwerpen. Eigenmachtig sloeg hij een Egyptenaar dood. Het verlossers- en middelaarsbloed bruiste in hem, maar hij kon Gods tijd niet afwachten. Zoals ook ons dat zo vaak in het leven gebeurt, dat wij voortijdig aan de slag gaan, terwijl God nog niet naar ons is afgedaald en met ons meetrekt. Toen Mozes echter door de Heere werd geroepen, veertig jaar na bovenstaande gebeurtenis, moest hij ingewonnen worden. Toen bood hij wel weerstand en moest als het ware met harde hand erbij bepaald worden, dat God hem riep om ambtsdrager voor Zijn volk Israël te zijn. Bij Jona zien wij zelfs, dat tijdens zijn ambtsbediening grote weerstanden worden aangetroffen. Jona wil niet naar Ninevé. Hij wil niet in Gods weg gaan. Dat goddeloze Ninevé had geen ambtsdrager nodig. Aan die grote stad was toch niets meer te doen. Doch de Heere wierp Jona in de vis en brak bij deze ambtsdrager hierdoor alle tegenstand.

Uit deze twee voorbeelden merken wij op, dat er inderdaad weerstanden kunnen zijn en dat men zich verzet tegen de inwendige roeping en het hart ingewonnen moet worden voor de dienst des Heeren. Maar is dat zo bij allen eraan toegegaan? In het geheel niet. Wij zullen niet ontkennen, dat er geen ambtsdragers zijn bij wie niet eerst vele weerstanden opgeruimd moesten worden. Doch achteraf hebben al die ambtsdragers beschaamd moeten zeggen, dat zij grote dwazen geweest zijn omdat zij de Heere zozeer hebben tegenstaan. Laten wij alstublieft deze weerstanden niet gaan verheerlijken en als een kenmerk van het ware zien. Want weerstanden komen op uit een verdorven hart. En een verdorven hart is nooit ofte nimmer verheerlijken. Laten wij liever de God des hemels verheerlijken en grootmaken vanwege Zijn onwederstandelijke genade waardoor Hij ondanks alles hen die niet willen gewillig maakt en hen die ongehoorzaam zijn tot gehoorzaamheid brengt. God is groot, duizelingwekkend groot! Mensen uit het stof verrezen maakt Hij gewillig en Hij wil van hun dienst gebruik maken.

Uit wat hierboven geschreven is blijkt dat er weerstanden kunnen zijn die door de Heere opgeruimd worden. Maar deze weerstanden behoeven er zeker niet altijd te zijn. Ook hiervoor is wel een beeld uit de Schrift aan te halen. Wie denkt in dit verband niet aan Jesaja, de evangelist van het Oude Testament, de man bij wie de heiligheid des Heeren hoog genoteerd stond! Van zijn roeping tot het profetenambt lezen wij in Jesaja 6! Wat zegt Jesaja, wanneer hij geroepen wordt? Hij zegt: 'Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen gezien'. Jesaja voelde zich werkelijk 'een mannetje uit het stof verrezen'. De heiligheid des Heeren overweldigde hem zozeer, dat hij heel goed aanvoelde in die vlekkeloze heiligheid niet te kunnen bestaan. Toen evenwel de Heere aan hem vroeg: 'Wien zal ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan?' , toen antwoordde Jesaja: 'Zie hier ben ik, zend mij henen'. Een gewillig gemaakte bood zich van harte aan. Van Jesaja lezen wij eigenlijk helemaal niet, dat hij weerstand heeft geboden zoals een Mozes dat deed. Het ambt, dat de Heere hem aanbood kon en wilde hij niet weigeren, omdat hij geloofde, dat wat hem tot een getrouwe ambtsvervulling ontbrak door de Heere geschonken zou worden. Het kan ook zijn, dat men van de jeugd af aan een lust heeft tot het ambt, omdat men door de Heere daartoe is afgezonderd. Wij denken aan een Samuel, aan een Johannes de Doper. Zelfs wil de Heere wel mensen gebruiken om de begeerte naar het ambt te wekken. Wat een invloed zal de prediking en de persoon van Paulus dienaangaande niet op Timotheüs hebben gehad! En wat te denken van predikanten die door middel van hun prediking, catechese en pastoraat een begeerte in het hart van een jongen wekken om ook later in de dienst van de Koning der kerk te staan? Is het ook niet zo, dat er ouderlingen en diakenen zijn die door de getrouwe ambtsvervulling van hun voorgangers lust hebben gekregen tot het ambt? De Geest Gods werkt op duizend en meer verschillende manieren. Hij maakt van vele, vele manieren en middelen gebruik. Wij zullen derhalve de Geest niet mogen binden en de éne wijze van inwendige roeping hoger stellen dan de andere. De werkingen van de Geest Gods zijn vrijmachtig en laten wij met onze bezoedelde harten en handen van deze vrijmachtige werkingen afblijven.

Laat ons oprecht verheugd zijn wanneer men zich gewillig en van harte tot het ambt inwendig geroepen gevoelt, óók, ja juist dan wanneer er niets spectaculairs op te merken valt. Het is een grote genade, wanneer men zich door de stille werkingen van de Geest mag aanbieden aan de Heere en aan Zijn kerk. Dat is niet verkeerd!

Niet verkeerd!

Een volgend keer willen wij iets schrijven over de inwendige roeping bij a Brakel. Nu willen wij het bovenstaande afsluiten door ds. C. den Boer te citeren. In de paperback 'Onbegonnen Werk? " schrijft hij op bladzijde 26: 'Is het zo verkeerd, als een mens door de vrijmachtige werking van de Heilige Geest oog en hart gekregen heeft voor Gods schone en liefelijke dienst, dat hij dan ook begeerte krijgt om zijn leven in de dienst des Heeren te stellen? Dat is juist helemaal niet erg. Maar dat moest onder ons veel meer gevonden worden. Het is waar, wij behoeven niet allen in het ambt te staan om de Heere te kunnen dienen. Het kan daarnaast op duizend en één andere wijzen. Maar wat mij betreft mag u gerust verlangen om de Heere te dienen in het ambt, als u er tenminste naar verlangen mag op de wijze zoals Calvijn het onder woorden bracht!" Wij willen dit graag onderstrepen en wanneer iemand onder ons die lust en inwendige roeping bezit, laat men dan de Heere maar vragen of Hijzelf plaats wil maken en de inwendige roeping daadwerkelijk door de kerk bevestige. Immers de uitwendige roeping door de kerk bevestigt de inwendige, dat wij door God geroepen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De roeping tot het ambt (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's