Een kerk met verschillende groeikernen?
Drs. J. Kroeze voor diakenen
'Ik heb het veel te moeilijk gezegd', zei de heer Kroeze daarop. 'Ik had zo kort de tijd en wilde zoveel zeggen.'
De Generale Diakonale Raad van de Nederlandse Hervormde Kerk heeft een nieuwe secretaris algemene zaken, namelijk drs. J. Kroeze, die voordien eerst werkzaam was aan de universiteit en daarna tien jaar bij een multi-national als organisatie-adviseur. Op de Algemene Diakonale Vergadering van 6 november ll. hield Kroeze een referaat voor ongeveer 300 diakenen en vertegenwoordigers van diakonale en maatschappelijke instellingen over 'De plaats van het diakonaat in de organisatie van de kerk'. 'Een gepeperd verhaal over de structuur van de Hervormde Kerk, die hij het liefst zag veranderen', was de typering van een NCR V-interviewer na de vergadering. Intussen kennelijk ook een moeilijk verhaal. 'Is het niet zo dat wij ons diakenen moeten aanschaffen met een universitaire opleiding opdat zij in dit schema passen? ', vroeg een diaken. En ook: 'Bent u niet bang dat in de plattelandsgemeenten de mensen kopschuw worden om diaken te worden? '
'Ik heb het veel te moeilijk gezegd', zei de heer Kroeze daarop. 'Ik had zo kort de tijd en wilde zoveel zeggen.'
Hier ligt intussen de moeilijkheid als ik in één artikel aandacht wil vragen voor het betoog van Kroeze. Het taalveld en het niveau van taal en woordgebruik zal het verhaal niet direct voor ieder verstaanbaar maken. Bovendien verraadt zich in dit verhaal de organisatie-deskundige uit het bedrijfsleven. Dat schept op zich al een bepaald taalveld. En ook een bepaalde benaderingswijze. Maar het betoog van Kroeze is intussen dermate gevuld en gefundeerd (vanuit zijn visie), dat het uiterst serieuze aandacht vraagt.
Voor ik daartoe op één aspect wat uitvoeriger inga wil ik recht doen aan het totale betoog door enkele gedachten - 'vrij vertaald' om zo te zeggen - door te geven. Ik doe dat puntsgewijs.
1. Er zijn drie crisis-situaties, nl. allereerst in de internationale verhoudingen, en vervolgens ten aanzien van de verzorgingsstaat (vereenzaming, gevoelens van leegte en zinloosheid, afwijkende gedragspatronen, geweld en misdadigheid) en in de derde plaats geloofscrisis in de kerk ('woorden als God, zonde, straf, offer, verzoening, rechtvaardigmaking, hel en hemel moeten we weer opnieuw leren spellen').
2. We moeten ons als kerk laten leiden door het gehele Evangelie, waarin het gaat om de gehele mens en de gehele wereld, dus zowel om de ziel, de spiritualiteit als om de mens in zijn maatschappelijke verhoudingen.
3. De tegenstellingen in de kerk moeten worden overbrugd. 'Tegen de mij sympathieke maatschappelijke geëngageerden zou ik daarom willen zeggen: Vergeet a.u.b. niet dat de toekomst van de kerk altijd in handen heeft gelegen van traditionele mensen met een open instelling voor nieuwe ontwikkelingen... En tegen de mij even sympathieke vertegenwoordigers van de rechtervleugel zou ik willen zeggen dat Woord en Dienst in het Evangelie bijeen horen', aldus Kroeze.
4. Ten aanzien van het welzijn - Kroeze sprak immers voor diakenen - gaat het om het mens-zijn, gedragen door 'de grondwoorden van het christelijk geloof. Zijn we alleen goede burgers als we de 'ethiek van de verzorgingsstaat' accepteren? Kroeze zegt: 'Wij piekeren er niet over om het MA-werk (Maatschappelijk Aktiveringswerk, v.d.G.) het levensbeschouwelijke jasje te laten uittrekken. Wij claimen als reformatorische kerk dat onze leden bij de heilige doop geroepen worden om een leven te leiden, dat bepaald wordt door de betekenis van exodus, incarnatie, werderopstanding en koninkrijk Gods, godsdienstige begrippen, die de kerkleden maatschappelijk uiterst actief maken... en uiterst kritisch. Kritisch tegenover de uitwassen van de welvaartsstaat... vanuit een visie op de geloofsgemeenschap, die zich laat leiden door uiterst kritische bijbelse grondwoorden'.
5. De kerk is het instrument om Gods verzoeningswerk in de wereld gestalte te geven (Kroeze gebruikt het m.i. onjuiste woord verzoeningsmissie en ook het woord verzoeningsgebeuren, dat met te veel theologisch ingekleurd lijkt).
De kerk heeft daarbij drie soorten van dienst t.w. die van getuigenis (geloof, viering, lofprijzing, verkondiging), gemeenschap en rentemeesterschap. Die drie vormen moeten gedragen worden door de hele gemeente.
6. Het moet komen tot een totale reorganisatie van het kerkelijke leven. Het gaat om een opbouw van onderaf. Het moet komen tot een kleine kerkeraad met twee onderscheiden ambten, namelijk de ouderling en de diaken en verder kerkvoogden, die zowel ouderling als diaken kunnen zijn. Verder moeten allerlei werkzaamheden aan professionele werkers en aan taak-en werkgroepen in de gemeente worden gedelegeerd.
Op bovenplaatselijk niveau zouden twee nieuwe ambten moeten komenmelijk dat van moderator (een pastor voor de predikanten) en superintendenten. Kroeze zegt, wat dit laatste betreft: 'het gaat om een afgeslankte en wendbare, dynamische top in de kerk. De nieuwe struktuur zal ook veel meer op het funktioneren van de plaatselijke gemeenten zijn gericht. Er vindt een verandering van het verantwoordelijkheidsniveau plaats in de richting van diezelfde plaatselijke gemeenten'.
Een kerk van groeikernen?
In het boven (te kort) getypeerde is veel dat aanspreekt: aandacht voor de crises in de kerk en samenleving, zicht op mens én maatschappij, het onopgeefbare van de kritische functie van de Schrift(woorden) inzake de samenleving(svragen), de eigen gestalte van de kerk, de nadruk op de plaatselijke gemeente en derhalve de 'afslanking van de top'.
Men kan zich soms wél afvragen welke (theologische) zaken Kroeze achter bepaalde woorden bedoelt; en een reorganisatie als door hem bepleit is niet in een compacte lezing af te doen, omdat daar te veel aan vast zit, juist ook met het oog op ons presbyteriaal-synodale kerkkarakter, waarbinnen Kroeze ook wil opereren. Maar Kroeze is bezig met het wezenlijke van kerk-en gemeente-zijn naar binnen en naar buiten.
Toch zet zich hier ook mijn wezenljke kritiek in, namelijk terzake van een punt in zijn betoog dat ik nog niet noemde.
Ik citeer nu eerst letterlijk:
'De meest fundamentele keuze die een mens maakt is het antwoord op de vraag: Waar ligt mijn meest fundamentele gemeenschap, waar bevindt zich de groep waaraan ik mijn hoogste loyaliteit geef op van-dag-tot-dag basis. Maar de brug tussen een persoon en een groep komt alleen tot stand als er begrip is voor de diepste bestaansvragen van de ander en als er zicht is op de consequenties, die het engagement in een groep voor een persoon heeft. Ik denk dat dit soort begrip alleen maar kan groeien in primaire groepen zoals het gezin, de vriendenkring en kleine cellen of kernen binnen de gemeente. Alleen in die kleine groepen van levende mensen leer je aan elkaar wat geloven is, wat engagement is, wat een authentieke levensstijl is. Een leven op zoek naar zin en betekenis heeft een ondersteunende gemeenschap nodig, een groep mensen, die je leert hoe je zin en betekenis in je leven kunt inweven. Dit soort groepen noem ik groeikernen. Ik denk dat alle christenen op hun tijd een poosje in zo'n groep zouden moeten meedraaien voor de opbouw van hun spirituele leven. De instelling van deze groepen sluit aan bij de toenemende behoefte aan retraite, commune, liturgische warmte en echte, vrome spiritualiteit.'
Kroeze pleit dus voor groeikernen, waarin mensen binnen de kerk de gemeenschap beleven maar - in een overstap over samenlevingskernen - pleit Kroeze dan voor kerkgemeenten met 'een gedeeltelijk door de leden gekozen karakter'. Hij denkt aan een opdeling in confessionele, piëtistische, profetisch-kritische, oecumenisch-liturgische of sterk gemeenschapsgerichte kerkgemeenten. Want - zo luidt zijn op de praktijk gebaseerde toevoeging - 'het naoorlogse experiment om een kerk op te bouwen, waarin de plaatselijke wijkgemeenten zoveel mogelijk op elkaar lijken, is toch in feite niet geslaagd'.
Plaatselijke modus vivendi?
Ik plaats bij deze gedachte (ook te) kort enkele kritische kanttekeningen.
1. Me dunkt dat in deze gedachte van verschillende kerkgemeenten Kroeze met zijn eerdere gedachten in strijd is. Hij pleit immers voor eenheid van woord en daad (dienst) in de gemeente. Verdraagt zich daarmee dat de ge meente op deze wijze wordt ingedeeld en opgedeeld?
2. Kort gezegd komt het pleidooi van Kroeze dunkt me neer op een binnen-gemeentelijke modus vivendi. Het zij hem toegegeven dat de wijkgemeente, zeker in 'gemengde' gemeenten slecht functioneert. Dit laatste is gegeven met de gebrokenheid van de kerk en dus van het plaatselijke gemeentelijke leven. Van die nood moet echter geen kerkelijke deugd worden gemaakt. Me dunkt dat deze gemeentelijke uiteenlegging van de kerk zich ook moeilijk verdraagt met het presbyteriaal-synodale karakter van de kerk. Wat is dan de plaats b.v. van de ouderling, die op de leer zit?
3. De nieuwe constructie, als door Kroeze, bedoeld is bepaald niet bevordelijk voor de vulling van het diakonaat, wat betreft de roeping tot eenparig dienstbetoon, óók naar buiten. Kroeze pleit voor de ga-functie (uitgaan) van de diaken. Moet dit uitgaan geschieden vanuit ten-principale gescheiden wijkgemeente?
4. Ik ben het van harte eens met het pleidooi van Kroeze voor een gemeente als geestelijke gemeenschap, een gemeenschap waar het geestelijk leven oefening en opbouw krijgt. Maar het pleidooi van Kroeze gaat me te veel naar verschillende wijzen van geloofsbeleving, die m.i. wat anders inhouden dan wat de Schrift verstaat onder de veelkleurige wijsheid Gods. In de praktijk van het kerkelijk leven staat helaas soms geloof tegenover geloof. Dat is met een soort categoriale gemeenten niet weg te poetsen.
5. Er zal onderling diep wantrouwen blijken te bestaan wanneer mensen uit de verschillende door Kroeze bedoelde kerkgemeenten elkaar ontmoeten, de één confessioneel geïnspireerd, de ander oecumenisch-liturgisch (met de vandaag voorkomende maatschappijkritische inkleuring). Het samen diakonaal handelen zal dan belemmerd worden door een idee fixe, een vastgezet idee dat men van elkaar heeft.
6. Ik neem - in zijn woordgebruik - over wat Kroeze zegt, namelijk dat er in een geestelijke gemeenschap sprake is van 'leren aan elkaar wat geloven is'. Ik vang dat liever onder de uitdrukking gemeenschap der heiligen. Maar gemeenschap der heiligen is dan niet: elkaar een afgeschermde plaats gunnen, de confessioneel-getinte in zijn (klein) hoekje en de maatschappelijk geëngageerde in zijn (grote) ruimte. We moeten samen leren aan God onze Zaligmaker, die onze hoogste Profeet en Leraar, onze enige Hogepriester en onze eeuwige Koning is (H.C., zondag 12). Het ganse leven van ons allen voltrekt zich immers voor Zijn Aangezicht?
7. Tenslotte, we willen samen kerk der Reformatie zijn. Dat mag toch ook betekenen dat onze spiritualiteit, waarvoor drs. Kroeze ook pleit, haar voedingsbron heeft in de beginselen van de Reformatie! Ook onze spiritualiteit is als het goed is confessioneel bepaald. Daarom mag 'confessioneel' geen benaming voor een geïsoleerde kerkgemeente zijn maar een naam, die kenmerkend is voor heel de kerk: confessioneel-gereformeerd. Want dat bepaalt ook de aard van onze spiritualiteit.
8. Een slotvraag aan drs. Kroeze: zijn er binnen de gemeente naar reformatorisch principe ook fundamenteel-scheidende factoren?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's