Uit de pers
Nieuwe oecumenische organisatie
De internationale gereformeerde oecumene is, zo meldt Scheps' Kerknieuws een nieuwe loot aan de toch al rijkelijk vertakte stam rijk. Het is de IGRC, de Internationale Conferentie van Gereformeerde Kerken, een bundeling van vrijgemaakte Geref. Kerken. Over achtergrond en ontstaan lezen we in het nummer van 26 nov. het volgende:
'De scheuring binnen de Gereformeerde Kerken in 1944, die onder meer tot gevolg had dat zich in ons land voortaan ook ''vrijgemaakte'' Gereformeerde Kerken aandienden, had ook internationale concequenties. De buitenlandse dochterkerken van de gereformeerden kozen veelal voor "moeder" en weigerden dus contact met de ''vrijgemaakten''; in het beste geval wilden ze contact met allebei en dat was iets waar de vrijgemaakte kerken weer geen prijs op stelden. Het gevolg was dat vrijgemaakte emigranten zich niet aansloten bij de traditionele Hollandse emigranten zich niet aansloten bij de tradidonele Hollandse emigrantenkerken, maar hun eigen kerken stichtten.
Zo kwamen de Free Reformed Churches in Australia, de Vrije Gereformeerde Kerken in Zuid-Afrika, de Canadian Churches in Canada tot stand. Omdat de GOS al evenmin voor de vrijgemaakten koos, kwamen de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt in oecumenisch opzicht in een zeer geïsoleerde positie te staan. In de loop van de jaren zestig kwam daar een beetje verandering in, toen de Nederlandse Vrijgemaakte Kerken in contact kwamen met een presbyteriaanse kerk in Korea, de Presbyterian Church in Korea (Korya Pa). De synode van Amersfoort-West 1967, besloot een zusterkerkrelatie met deze kerk aan te gaan. Later volgden andere contacten. Zo werd de groep kerken die zich niet (langer) thuis voelde in de Gereformeerde Oecumenische Synode steeds groter en het verlangen naar een nieuw internationaal oecumenisch contact sterker.
Op initiatief van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt kwamen nu vorige maand in Groningen een aantal van deze kerken bijeen. Het was nog maar een bescheiden begin: vijftien afgevaardigden van slechts negen kerken. Vertegenwoordigd waren behalve de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en haar drie "dochterkerken", de Schotse Free Church, de Noord-Ierse Evangelical Presbyterian Church, de Presbyterian Reformed Church of Taiwan, de Presbyterian Church in Korea en de Gereformeerde Kerken van Oost-Soemba/Savoe (een "zendingskerk" van de vrijgemaakte kerken).
Doel van de bijeenkomst was een Internationale Conferentie van Gereformeerde Kerken voor te bereiden. En die opzet is geslaagd. Als alles volgens plan verloopt (dat wil zeggen: als de onder-. scheiden synodes en algemene vergaderingen hun fiat eraan verbinden) dan komt de eerste ICRC in 1985 in het Schotse Edinburgh bijeen.
De vergadering in de Groningse Refajahkerk verliep niet geheel zoals de organisatoren, de vrijgemaakt-gereformeerde deputaten voor betrekkingen met buitenlandse kerken zich in eerste aanleg hadden voorgesteld. Omdat zij de bijeenkomst hadden georganiseerd droeg een en ander nogal een Nederlands karakter, of beter: was het stempel van de Nederlandse kerken nogal merkbaar. Dat vonden althans met name de Schotse en Ierse afgevaardigden. Met het afscheid van een naar hun opvatting door de Gereformeerde Kerken in Nederland gedomineerde GOS nog vers in het geheugen waren zij naar Groningen gekomen met het vaste voornemen aan een organisatie die opnieuw door één (Nederlandse) lidkerk gedomineerd zou worden. En van dat gevoelen legden zij in Groningen vrijmoedig getuigenis af. Ze vonden er ook gehoor voor.
Deze zaak kwam vooral naar voren toen de vergadering sprak over de constitutie voor de nieuwe organisatie. De Nederlandse deputaten hadden voorgesteld in de doelstelling ook een bepaling op te nemen dat de nieuwe organisatie de volledige kerkelijke gemeenschap tussen de aangesloten kerken zou trachten te bevorderen. Het was op een punt als dit dat de presbyterianen bezwaren aantekenden. Volledige kerkelijke gemeenschap (de zusterkerkrelatie), zo betoogden zij, is een zaak die afstamt uit de Nederlandse gereformeerde traditie en wij hebben andere (veel minder vergaande) opvatdngen over interkerkelijke relaties. Beide "tradities" zouden huns inziens in de constitutie ruimte moeten vinden en de vergadering onderschreef dat in meerderheid. Bewust werd daarom gekozen voor een wat vagere formulering.'
Naast de GOS die de laatste jaren nogal in het nieuws is vanwege de spanningen met de Gereformeerde Kerken in ons land nu een tweede internationale oecumenische organisade van gereformeerde kerken. Nu kan men natuurlijk zeggen: Gelukkig dat een aantal kleinere kerken elkaar vinden in een stuk samenwerking om de eenheid in het geloof in Christus te versterken. Toch is dat maar een kant van de zaak. Er is ook een andere kant. Wie het aantal internationale oecumenische organisaties gaat optellen komt tot een behoorlijk aantal. De vraag kan gesteld worden: wat betekent het woord 'oecumenisch' nog? Demonstreert het aantal toch ook niet pijnlijk een stuk kerkelijke problematiek. Dat klemt nog destemeer als we bedenken dat naast de GOS nu een tweede gereformeerde organisatie van start gaat. Beide aanvaarden de Heilige Schrift als grondslag naar de opvattingen van de reformatorische belijdenisgeschriften. Demonstreert dat niet een verdrietige kerkelijke gescheidenheid die in een wereld waar de christenheid een minderheid is toch een merkwaardige indruk moet maken. Wat een tijd, mankracht en energie gaat er zitten in zo'n afzonderlijke organisatie, die wellicht beter gebruikt had kunnen worden als de kerken van de IBRC binnen de GOS hadden kunnen blijven of plaats nemen. Niet alleen de zakelijkheid is hier in het geding, bovenal de oecumeniciteit van het gereformeerd Protestantisme. De verbrokkeling van de gereformeerde gezindte wereldwijd en ook in ons land is een kwade zaak. En zeker niet iets om in te berusten.
***
Lijdenstijd en veertigdagentijd
Toegegeven, het is wat merkwaardig om zo kort voor de Kerst deze thematiek aan de orde te stellen. Maar ik doe dit omdat het nummer van 27 november in Woord en Dienst op deze zaak inging en ik de zaak als zodanig belangrijk genoeg acht om onze lezers ervan in kennis te stellen.
Wat is de kwestie? In 1978 hebben organen van de geref. en de herv. kerk een boekje uitgegeven dat een uniformering beoogt van de liturgie in de zondagse eredienst. Het boekje heet 'Onze hulp'. Naar aanleiding hiervan maakt prof. dr. H. Berkhof een aantal opmerkingen met betrekking tot de hedendaagse liturgische praktijk. Onder meer komt dan de in het opschrift genoemde kwestie aan de orde.
'Tenslotte wijs ik op een verminking van de prediking. Ik heb het nu niet meer direct over de liturgie. Maar wel ''naar aanleiding van''. Want ook ''Onze hulp'' spreekt niet meer over de lijdenstijd maar over de "veertig dagen voor Pasen" (blz. 122). Dat zou zo ongeveer hetzelfde kunnen zijn (de veertig dagen iets korter dan de zeven lijdenszondagen), maar als we de liturgische publicaties van de laatste tijd en in het bijzonder "De eerste dag" opslaan, blijkt de inhoud zeer te verschillen. De veertigdagentijd begint in de r.k.-kerk met de Aswoensdag, en zet daarmee een periode in van bezinning, boete en vasten, als voorbereiding op de viering van Christus' lijden en opwekking. Op de vijf zondagen die aan de Palmzondag voorafgaan, wordt dan niet over de lijdensgang van Jezus gepreekt, maar over de eerste helft van de evangeliën. Op Palmzondag wordt de intocht te Jeruzalem behandeld, op Witte Donderdag de inzet van het lijdensverhaal, bijv. Joh. 13 : 1-15, en op Goede Vrijdag vindt een cursorische lezing plaats van de lijdensgeschiedenis en de graflegging. Het is natuurlijk onmogelijk en ook niet de bedoeling om die hele stof dan in één preek te behandelen. Het resultaat van de vervanging van de lijdenstijd door de veertigdagentijd is dus, dat er zo ongeveer niet meer over het lijdensverhaal wordt gepreekt. Als men dan bedenkt, hoe dit verhaal ongeveer de helft van Marcus en een groot deel van Mattheüs en Lucas beslaat, beseft men, welk een verlies de verkondiging in dit nieuwe keurslijf lijdt. De woorden en tekenen van Jezus zijn heel belangrijk, maar pas in het lijden zien we waarop ze uitlopen en waarop de "navolging" (geliefd modern thema) van de leerlingen uitloopt. Zonder tenminste 5 a 6 lijdenspreken kan de evangelieprediking gemakkelijk in semipelagiaanse en moraliserende richdng omvallen.'
In hetzelfde nummer geeft drs. P. Oskamp Berkhof ook antwoord. Hij spreekt van schoten voor de boeg. Ten aanzien van het door Berkhof genoemde over de lijdensprediking schrijft Oskamp:
'Hoe het werkt om in de voorbereidingstijd voor Pasen de Thora-lezingen uit "De eerste dag" te volgen weet ik niet. Dat zal t.z.t. zeker getoetst moeten worden. Mijn ervaring is dat de kerkelijke feesten en een willekeurige vervolgserie vaak moeilijk met elkaar te rijmen zijn. Beter is het, de Schrifdezingen aan de tijd van het kerkelijk jaar aan te passen dan omgekeerd. En dat eerste is nu precies wat het oudkerkelijk rooster doet. De lezingen in de veertigdagentijd volgen de catechumenen op hun gang naar de Doop in de Paasnacht. De thema's zijn achtereenvolgens: de verzoeking in de woestijn, de verheerlijking op de berg, de uitdrijving van de macht van de boze en de wonderbare spijziging. De laatste twee zondagen zijn lijdenszondagen in ergere zin rondom Hebr. 9 (het bloed van Christus hogepriester) en Jes. 53 (de lijdende knecht). Deze thematiek van lijden en heerlijkheid, messias Jezus achterna, is in mijn ogen sterker dan een geïsoleerde lijdensprediking. Moetje trouwens zoveel preken over het lijden van Jezus? Is er niet veel voor te zeggen om juist op dit punt de prediking van de evangeliën zelf ter harte te nemen: de Mattheüspassie op Palmzondag, de Johannespassie op Goede Vrijdag? Maar waar blijft zo de expliciete prediking van de verzoening? Die vieren wij in het Avondmaal, als het kan elke week. Zo verkondigen (!) wij met hart en mond en handen de dood des Heren als voor ons geschied. Laten we de prediking niet losmaken uit de rest van de liturgie, laat staan het hart daaruit snijden door de tekenen van Christus' lichaam en bloed stelselmatig te veronachtzamen.'
Welicht zijn er onder onze lezers die schouderophalend geneigd zijn aan de kwestie voorbij te gaan. Liturgische bezinning is onder ons niet sterk. Helaas niet, voeg ik er aan toe. Want men behoeft nog niet in het spoor van de Van der Leeuw stichting te gaan om aandacht te vragen voor een verantwoorde vormgeving van de eredienst. Calvijn kan ons op dit punt heel wat leren. Ik wil dan ook een paar opmerkingen maken,
a. In de kritiek van Berkhof kan ik me goed vinden. Ik meen dat destijds Koopmans in zijn nog altijd actuele studie over het kerkelijk jaar gewezen heeft op de betekenis van de zeven lijdenszondagen in het gereformeerd protestantisme. Reeds hij wees erop dat de lijdenstijd in de calvinistische traditie iets wezenlijk anders is dan de roomse vastentijd. De zeven zondagen willen de centrale betekenis van de prediking van Christus' kruis tot uitdrukking brengen.
b. Ik geef toe dat de prediking over Christus' lijden niet beperkt behoeft te blijven tot de laatste hoofdstukken uit de Evangeliën. Op zich kan verbreding door aandacht te geven aan het Oude Testament en de Brieven zeer verrijkend zijn. En ook acht ik het zeer wel mogelijk om de oud-kerkelijke lezingen te verbinden met het evangelie der verzoening. Maar wanneer ik huidige lesroosters bekijk, bekruipt me het gevoel dat dat laatste nu juist wat uit het vizier gaat verdwijnen. Krijgt het 'wij met Christus' niet meer aandacht dan het 'Hij in onze plaats?' Zeker, het eerstgenoemde is een facet (men zie zondag 16 van de Catechismus). Maar men moet de volgorde niet omdraaien: de navolging rust in het offer der verzoening. Het zou de moeite waard zijn de accentsverschuivingen in de lezingen en preken in de weken voor Pasen eens te bezien in het licht van ontwikkelingen in het denken over de Persoon van Jezus Christus. Is het voorts ook gelet op de functie van de veertigdagentijd in de Catholica reëel en juist zo argeloos te spreken over de veertigdagen- en de vastentijd? Moet men dan op zijn minst niet nadenken over de verhouding van geloof en boetvaardigheid?
c. Merkwaardig vind ik de opmerking van Oskamp over de verwijzing naar het Avondmaal. Zeker, wij verkondigen aan Christus' Tafel de dood des Heren totdat Hij komt. Maar het sacrament kan de hoorbare prediking toch niet vervangen. Gaat Oskamp niet uit van een ander sacramentsbegrip dan hetgeen in de belijdenis der kerk onder woorden gebracht is? In de orde van Woord en sacrament gaat het Woord voorop. Het sacrament betekent en verzegelt het evangelie van de Verzoening door Christus' kruisdood.
Kortom, zonder de betekenis van de oud-kerkelijke lezingen te verwaarlozen denk ik dat het toch wel zinvol is dat we in de hervormde kerk blijven spreken van de lijdenstijd en op de zeven lijdenszondagen in al zijn breedte en diepte de prediking der verzoening aan de orde stellen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's